interpellatieverzoek van het lid Faber-Van de Klashorst over de betaling van de naheffing aan de EU



Verslag van de vergadering van 22 december 2014 (2014/2015 nr. 15)

Aanvang: 18.35 uur
Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.



De voorzitter:

Ik heb begrepen dat mevrouw Faber-Van de Klashorst het woord wenst en geef haar het woord.


Mevrouw Faber-Van de Klashorst (PVV):

Mevrouw de voorzitter. De PVV houdt vast aan haar verzoek om een interpellatie, omdat de PVV ieder democratisch middel zal aangrijpen om het overboeken van 1,1 miljard aan Brussel tegen te gaan. Wij vinden ook dat de minister verantwoording dient af te leggen aan deze Kamer. Daarnaast is de Kamer niet volledig geïnformeerd. De onderliggende stukken, zoals de brief van de Permanente Vertegenwoordiging te Brussel van 17 oktober en de rekening die geheel onverwachts op 21 oktober op de deurmat van de minister van Financiën plofte, zijn niet openbaar gemaakt. Deze worden zelfs na veelvuldig aandringen van de Tweede Kamer niet openbaar gemaakt. Wij vinden dat voor het goed functioneren van de Kamer, deze stukken vrijgegeven te worden. Het mag niet zo zijn dat de burger goed genoeg is om te betalen, maar niet goed genoeg om geïnformeerd te worden. Wij vragen dus met klem om deze interpellatie toch te houden. Wij willen graag een opheldering over deze zaak. Het mag niet zo zijn dat we zomaar 1,1 miljard overmaken naar Brussel.


De heer Reuten (SP):

De voorzitter stelt de agenda vast. Dat doet zij, wat ons betreft, in wijsheid. Niettemin wil ik graag een opmerking maken. Naar aanleiding van het interpellatieverzoek heeft het ministerie van Financiën ons vandaag een ambtelijke memo gestuurd waarin het spoedeisende karakter van de interpellatie betwist wordt. Tevens wordt de stelling betrokken dat het begrotingsrecht van de Eerste Kamer niet geschonden wordt. Niettemin steunt de SP-fractie dit interpellatieverzoek omdat in deze kwestie het begrotingsrecht van de Eerste Kamer in het geding is. Wij menen daarom dat de potentiële interpellant in de gelegenheid moet zijn om haar argumenten aangaande het begrotingsrecht naar voren te brengen.


De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Mijn fractie steunt uiteraard ieder verzoek dat een fractie hier doet om informatie van de regering te krijgen. Dat kan dus ook in deze vorm. Wij vermogen niet in te zien wat op dit moment het spoedeisende karakter is.


De heer Terpstra (CDA):

De vorige interpellatie vond plaats in 2012. Die was aangevraagd door de heer Nagel en ging over de pensioenen. Wij hebben geen enkel argument om te zeggen dat het interpellatieverzoek van de PVV niet zou kunnen worden gehonoreerd. De PVV heeft het over een betaling voor het einde van het jaar. Dat is een zekere spoedeisende zaak. Het kabinet zegt dat dit niet zo is, maar ik vind dat dat ter beoordeling is van alle partijen zelf. De rest van de avond ben ik totaal beschikbaar voor het hele debat.


De voorzitter:

Ik heb dat laatste niet helemaal gehoord. U zei dat u beschikbaar was?


De heer Terpstra (CDA):

Ik ben de rest van de avond beschikbaar.


De heer De Lange (OSF):

Mijn fractie steunt het verzoek tot interpellatie van de PVV. Wij hebben vandaag kennisgenomen van het memo van de minister van Financiën. Hij betoogt dat de zaak niet spoedeisend zou zijn. Mij dunkt dat deze Kamer zelf bepaalt wat spoedeisend is.


De heer Backer (D66):

De fractie van D66 zal een verzoek tot interpellatie van een collega van een andere fractie uiteraard willen steunen of willen honoreren. We zien echter niet het spoedeisend belang. De kwestie is aan de orde geweest bij de Algemene Financiële Beschouwingen. Collega Van Strien heeft daar vragen over gesteld. Die zijn beantwoord. Het was bekend dat er betaald zou worden. Er was alleen nog een discussie over netto of bruto. Wat mij betreft is er dus geen nieuw feit. Ik zie ook geen spoedeisend belang. Als de interpellatie begin volgend jaar gehouden wordt, zou ik dat prima vinden.


De heer Hermans (VVD):

Het is een democratisch recht van ieder Kamerlid om een interpellatie aan te vragen. We zullen dat ook niet betwisten, maar het spoedeisende karakter ontgaat ons ten enenmale. Misschien is het gewoon een verplichting waaraan voldaan moet worden. Alle informatie daarover is aan de orde geweest aan de overkant bij het debat over de najaarsnota. Vervolgens is er hier nog een keer over gesproken. Naar onze mening zijn er geen nieuwe feiten. Als er een interpellatieverzoek is, zou ik daarmee willen instemmen. Laten we de interpellatie niet vandaag houden, maar begin volgend jaar.


Mevrouw Barth (PvdA):

Ook wij steunen normaal gesproken graag elk verzoek van een fractie voor een interpellatie, want de Kamer heeft het recht om dat te doen. Maar ook wij zijn niet overtuigd van het spoedeisende karakter. Het is precies wat de heer Backer net aangaf. Het onderwerp is bij de Algemene Financiële Beschouwingen uitgebreid aan de orde geweest. Ik heb begrepen dat het bedrag zelf is opgenomen in de tweede suppletoire begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Die hebben wij hier nog niet afgehandeld. We gaan de begroting van Veiligheid en Justitie ook na het kerstreces bespreken. Dat zouden we, wat ons betreft, met de tweede suppletoire begroting ook prima kunnen doen.


De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Backer. Ik bedoel mevrouw Barth. Neem mij niet kwalijk.

Wenst nog iemand het woord? Ik constateer dat dit niet het geval is. De Kamer gehoord hebbende, stel ik voor het gevraagde verlof te verlenen, maar om de interpellatie te houden op een nader te bepalen datum in januari.


Mevrouw Faber-Van de Klashorst (PVV):

Als we de interpellatie in januari houden, is dat mosterd na de maaltijd. Dan is de betaling al geschied. Er wordt gehandeld zonder dat de Kamer volledig is geïnformeerd. Deze Kamer kan toch niet goed kan functioneren als zij niet goed geïnformeerd is? Als leden zich erbij neerleggen — het lijkt erop dat ze dat gaan doen — dan interesseert het hen waarschijnlijk niet. Hoe kan deze Kamer dan ooit nog serieus genomen worden? Men wil toch juist geïnformeerd zijn zodat men zijn taak goed kan uitvoeren? Er rest mij in feite maar één conclusie: Brussel bepaalt en de minister betaalt. Ik kan niet anders concluderen.


De voorzitter:

Is er nog behoefte aan een reactie vanuit de Kamer? Dat is niet het geval. Dan stel ik nogmaals voor om het gevraagde verlof te verlenen en om de interpellatie te houden op een nader te bepalen vergaderdag in januari. Ik stel tevens voor om de spreektijd te bepalen op maximaal tien minuten voor de interpellant in eerste termijn en op maximaal vijf minuten in tweede termijn voor de interpellant en eventuele tussenkomende sprekers.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.