Plenair Van Boxtel bij voortzetting Algemene politieke beschouwingen



Verslag van de vergadering van 14 oktober 2014 (2014/2015 nr. 4)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.12 uur


De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Vandaag houdt de Eerste Kamer in haar huidige samenstelling de laatste Algemene Politieke Beschouwingen. Vanaf deze plek feliciteer ook ik graag minister Timmermans met zijn op handen zijnde overstap naar Brussel. Na een overweldigende entree aldaar in de "verhoren" hoop ik dat ook alle beloften daar waargemaakt worden, ook voor hemzelf. Wij zullen de minister hier missen, hoewel er weer een goede opvolger paraat is.

Over een paar maanden breekt de campagne voor de Provinciale Statenverkiezingen aan — of uit — en daarna zullen alle rekenmeesters zich weer buigen over de exacte nieuwe samenstelling van de Eerste Kamer. Het kiessysteem is er ingewikkeld genoeg voor. En dan nog moet je maar hopen dat alle Statenleden stemmen zoals bedoeld was, liefst met het juiste potlood.

In 2011 trad deze Kamer in haar huidige samenstelling aan en sindsdien is de belangstelling voor de positie en samenstelling van de Eerste Kamer nog nooit zo groot geweest. Wij zijn natuurlijk geneigd om te denken dat dit met de kwaliteit van de huidige leden te maken heeft, maar het zou ook zomaar kunnen samenhangen met de politieke grondslag van het huidige kabinet, namelijk een meerderheid in de Tweede Kamer die niet weerspiegeld wordt in een gelijksoortige meerderheid hier. Dit heeft de afgelopen jaren tot groot ongemak geleid, met name bij het kabinet en de regeringspartijen.

Nu is de steun voor wetsvoorstellen van een meerderheid in de Eerste Kamer nooit vanzelfsprekend, ook niet als de coalitie een duidelijke meerderheid zou bezitten. Gelukkig maar, want nog steeds voert de kwaliteit van het argument hier de boventoon en nog steeds is de toetsing van voorstellen aan de maatstaven van rechtsstatelijkheid, uitvoerbaarheid en maatschappelijke zorgvuldigheid een belangrijke, zo niet doorslaggevende factor. Maar de spanning die in ons parlementair systeem zit, de merkwaardige driehoeksverhouding tussen kabinet, Tweede en Eerste Kamer, is nu wel erg zichtbaar geworden.

Ik hoor vaak mensen zeggen, en terecht, dat het politieke primaat bij de Tweede Kamer moet liggen. Senatoren moeten zich bewust zijn van hun indirecte, afgeleide mandaat en niet zelf Tweede Kamertje willen spelen. Als Eerste Kamerleden echter met dat uitgangspunt in gedachten hun partijgenoten aan de overkant volgen in hun stemgedrag, is het ook weer niet goed, althans niet als dat ertoe leidt dat wetsvoorstellen die in de Tweede Kamer een meerderheid kregen, hier sneuvelen. Daardoor kregen wij de ingewikkelde constructie van een constructieve oppositie in de Tweede Kamer die politieke akkoorden sluit met het kabinet met het oog op een gunstig onthaal in deze zaal.

Er is dus alle reden om eens grondig naar het systeem te kijken, zeg ik tegen de heer Hermans. Sterker nog, mijn partij wil al een kleine 50 jaar dat het politieke bestel wordt verbeterd en gedemocratiseerd. De afschaffing van de Eerste Kamer en de instelling van een beter volwaardig éénkamerstelsel is de oplossing die ons het meest aanspreekt, maar andere varianten zijn ook denkbaar. Telkenmale vragen wij daarvoor ook aandacht, bijvoorbeeld begin vorig jaar, toen wij hier debatteerden over de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer. Toen was de VVD-fractie overigens niet geïnteresseerd in andere oplossingen, maar sinds die tijd heeft fractievoorzitter Zijlstra, van de VVD-fractie aan de overzijde, op voorhand de staf gebroken over die Eerste Kamerleden die politiek bedrijven over de rug van "dat arme kabinet". Nu trekt de VVD bij monde van de heer Hermans echter het kleed van staatsrechtvernieuwer aan, dus de wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Ik ga aan mijn neiging tot een zeker cynisme op dit punt voorbij en wil de gedachten van de heer Hermans beoordelen op hun inhoud en niet op de lichte zweem van politiek opportunisme die ik even leek te ontwaren. Ik wacht een concreet voorstel in tweede termijn dan ook af.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ook aan collega Van Boxtel vraag ik wat er volgens zijn analyse nu anders is. De verhouding tussen Eerste en Tweede Kamer ligt al decennia op deze manier vast. Wat is op dit moment het probleem waardoor de heer Van Boxtel zegt dat wij dit nu moeten gaan doen?

De heer Van Boxtel (D66):

Als iemand met het idee komt om nog eens naar het geheel te kijken, kunnen wij daarin meedenken vanuit onze jarenlange stabiele agenda, waarin wij een idee hebben geformuleerd over de manier waarop wij staatsrechtelijke vernieuwingen zouden kunnen doorvoeren. Ik noem bijvoorbeeld de rechtstreeks gekozen minister-president, de mogelijkheid van twee stemmen, één voor en één tegen de macht, en de rechtstreeks gekozen burgemeester, maar ik noem ook het functioneren van de Kamers ten opzichte van elkaar. Wij hebben ons altijd op het standpunt gesteld dat de Eerste Kamer weg zou kunnen als je ook constitutionele toetsing realiseert. Wij zouden het prima vinden als al die voorstellen nog eens in samenhang bekeken werden. Ik ben echter niet zo'n voorstander van een adviescommissie of staatscommissie met externe leden, zeg ik vooruitlopend op mijn tekst. Dan zou ik graag een oplossing zien waarbij directe betrokkenheid van beide Kamers een rol krijgt. Zo is het ook ooit met de commissie-Deetman gegaan. Daarbij werden de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer betrokken. Als het ook over de Eerste Kamer moet gaan, zou je de voorzitters van de Eerste Kamerfracties er ook bij kunnen betrekken. Dan heb je een grotere kans dat er consensus ontstaat over het doorvoeren van een aantal verbeteringen dan wanneer er weer zomaar een externe adviescommissie of staatscommissie wordt ingesteld.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik constateer dat u een heel brede opdracht zou willen als er zo'n onderzoek wordt gedaan. U haalt er heel veel dingen tegelijk bij. Verder zegt u dat dit ook door het parlement zelf gedaan zou kunnen worden, bijvoorbeeld in de vorm van een parlementair onderzoek. De heer Hermans heeft steeds gezegd: de hele wereld praat over ons, behalve wijzelf. Wij zouden het onderzoek volgens u dus ook zelf kunnen uitvoeren. Is dat wat u voorstelt?

De heer Van Boxtel (D66):

Ik heb al gezegd dat het, als het zou komen tot de gedachte van een staatscommissie, onze voorkeur zou hebben dat er ook echt fractievoorzitters uit beide Kamers bij betrokken worden. Of dat ook weer een parlementair onderzoek zou moeten worden, weet ik niet. Uiteraard hebt u de smaak te pakken na het onderzoek van twee jaar geleden naar marktwerking en privatisering. Ik hoor straks graag wat de heer Hermans voorstelt. Ik heb nog geen concreet voorstel gezien, maar ga in op wat hij naar voren heeft gebracht en leg onze agenda daarlangs.

De heer Hermans (VVD):

Kan de heer Van Boxtel zich voorstellen dat je zegt dat er een staatscommissie moet komen, waarbij de samenstelling en de opdracht een zaak van overleg tussen Eerste Kamer, Tweede Kamer en kabinet zijn?

De heer Van Boxtel (D66):

Ja, dat is heel goed denkbaar. Hoe breder het gedragen wordt, hoe beter. Laat ik via u ook nog een antwoord aan de ChristenUnie geven. Stilstand is achteruitgang. Tegen de vrijheid om na te blijven denken over de manier waarop de kwaliteit van het functioneren van een democratie verbeterd kan worden, kun je op voorhand nooit nee zeggen. Je moet dan wel heel gefocust kunnen aangeven waarnaar je precies onderzoek wilt doen en welk type antwoorden je wilt hebben. Laat ik hieraan een hobbyonderwerp van mijzelf toevoegen waarover ik twee weken geleden nog met de minister van Binnenlandse Zaken van gedachten heb gewisseld, maar waarop hij toen niet wilde ingaan omdat hij naar een ophanden zijnd WRR-rapport verwees. Ik vind het ook van groot belang om de digitalisering van de samenleving, de wijze waarop mensen zich anders dan vroeger gaan gedragen, te plaatsen naast de werking van de representatieve democratie. De heer Hermans verwees daar ook al verkapt naar. Of je het dan hebt over een referendum of over veel intensievere betrokkenheid van burgers bij de kwaliteit van hun bestuur, is minder relevant, maar ik vind dit een zeer belangrijk iets.

De heer Hermans (VVD):

Ik heb ook gewezen op de totale verandering van de verdeling van taken tussen gemeenten, provincie en het Rijk. Ook Brussel geeft een verandering aan. Kunt u zich ook voorstellen dat je vindt dat er zo veel verschillende opvattingen over mogelijke oplossingsrichtingen zijn dat het heel gevaarlijk is om al bij voorbaat te zeggen dat het allemaal één bepaalde kant uit moet? Ik denk dat het goed is om in overleg met die fractievoorzitters en het kabinet te komen tot een onafhankelijke club die dat verder zou kunnen gaan uitzoeken. Dat was de bedoeling van mijn interventie.

De heer Van Boxtel (D66):

Dat begrijp ik, maar het is toch niet gek als ik iedereen die zo'n belangwekkend vraagstuk agendeert ook vraag waar precies voor hem het knelpunt zit. Op dat punt bleven de woorden van de heer Hermans vaag. Ik zie een paar knelpunten die ik wel wil inbrengen. Het is echter geen wet van Meden en Perzen, want uiteraard gaat dat in samenspraak en dialoog met elkaar. De heer Hermans kan ons op het gebied van staatsrechtelijke vernieuwingen niet verwijten dat wij een lege agenda hebben.

De voorzitter:

Mijnheer Hermans, ik geef nu het woord aan de heer Kox. Hij staat al een hele tijd te wachten.

De heer Kox (SP):

Ik ben blij met de benadering van de fractievoorzitter van D66, namelijk dat hij zonder cynisme ingaat op de uitnodiging van collega Hermans. Ik ben het ook eens met de fractievoorzitter van D66 dat de weg van "grote halen, snel thuis" op dit moment niet de beste is en dat we het ene kunnen doen zonder het andere te laten. Het "andere" zou dan een inventarisatie zijn van waar het parlement zelf aan denkt. Daar hebben we al eerder over van gedachten gewisseld. Dat is dus nog geen besluitvorming, maar wel een inventarisatie waarmee je een staatscommissie aan de slag kunt zetten. We hebben straks een lange pauze en misschien kunnen we met zoveel mogelijk fracties een voorstel in elkaar zetten dat we vervolgens zo breed mogelijk kunnen aannemen.

De heer Van Boxtel (D66):

Dat lijkt mij buitengewoon goed. Als wij ons allemaal kunnen vinden in de gedachte dat het niet gestoeld is op politiek opportunisme vanwege de aanstaande verkiezingen voor Provinciale Staten, maar het echt gaat om een fundamentele herijking in de kwaliteit van ons democratisch bestel, vindt de heer Kox ons onmiddellijk aan zijn zijde.

De voorzitter:

Tot slot nog de heer Hermans.

De heer Hermans (VVD):

Dat is heel goed en ik zal dat straks ongetwijfeld doen. Ik wil er nog een punt ter overweging aan toevoegen. Ik ben in 1977 in de Kamer gekomen, toen we 19 zetels wisselden. De afgelopen keer hadden wij bijna een derde van de zetels in de Tweede Kamer. Wij hebben tot 2002 vijf kabinetten in twaalf jaar gehad. Er is dus ontzettend veel aan het veranderen. Als we dat nu weten, laten we het dan eens hebben over de vraag of we dat stelsel niet moeten inspecteren nu het nog "droog" is. Dat is wat ik wil voorstellen.

De heer Van Boxtel (D66):

Dit is een welkome aanvulling op uw inbreng in eerste termijn. Dit gaat dus niet ten koste van mijn spreektijd. Dit wordt straks ingebracht in het debat tussen de fractievoorzitters, begrijp ik.

De heer Brinkman (CDA):

Voorzitter, ik weet niet hoe laat u vanavond de vergadering wilt sluiten, maar kennelijk worden allerlei dingen achter de schermen besproken die vervolgens in een motie worden neergelegd. Ik ga er rustig voor zitten en erover nadenken. Daarom heb ik nu al een concrete vraag. Er klinkt namelijk in door dat de stabiliteit van de politiek in Den Haag — de Kamers — en misschien zelfs wel in het land in het geding is. Ik heb in de enorme opsomming van mogelijke onderwerpen een kiesdrempel gemist. Is dat bewust, omdat de heer Van Boxtel zich realiseert dat het land gelukkig in elkaar zit zoals het in elkaar zit en men het wel gaat zien zonder kiesdrempel? Ik zou er ook niet zo voor zijn om een kiesdrempel in te voeren — laat daarover geen misverstand bestaan — maar ik vind het wel opvallend. Ik ben eraan gewend om in het debat voor de schermen scherp te luisteren. Ik vraag het dus aan de heer Van Boxtel en aan al degenen die straks achter de gordijnen kennelijk geen thee gaan drinken.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik heb zelf in de media gezegd dat dit onderwerp er ook bij kan worden betrokken, gelet op de soms doorschietende pluriformiteit in de representatie. Dat is echter niet per definitie een partijstandpunt. Het is bovendien altijd afhankelijk van de vraag hoe een partij er in de peilingen voor staat. Als je klein bent en je groot denkt te worden, ben je tegen een verhoging van de kiesdrempel en als je groot bent, ben je er weer voor. Dat zien we altijd terugkomen. Er zitten dus heel wat onderwerpen in het dossier waar we voorbij de gelegenheidsargumentatie moeten zien te komen.

De voorzitter:

Mijnheer Kox, heel kort en graag in de vorm van een vraag!

De heer Kox (SP):

Voor de Handelingen merk ik op dat volgens collega Brinkman iemand gesuggereerd zou hebben om achter de gordijnen iets te gaan doen. Ik heb juist de openheid van het debat geprezen en gezegd dat zo veel mogelijk partijen straks gebruikmaken van de pauze om gezamenlijk een motie te formuleren. De heer Brinkman is daar van harte voor uitgenodigd. Zijn suggestie dat er iets achter de gordijnen gaat gebeuren, is echter zeker niet de mijne. Misschien heeft hij daar ooit enige ervaringen mee gehad, maar ik nog nooit.

De heer Van Boxtel (D66):

Mijnheer Kox, misschien was die opmerking wel gestoeld op een romantisch verlangen naar het verleden!

Velen van ons hier groeiden op in de jaren zestig en zeventig. Terugkijkend is dat een mooie periode in onze recente geschiedenis. Ik hoop dat de Kamer mij de staccato en niet complete flashback vergeeft. De Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw lagen achter onze jeugd. Welvaart en groei was het devies en democratisering "verving" de verzuilde samenleving. We hadden nog maar één vijand, het Oostblok. Aan werk was geen gebrek. We schaalden zelf op en lieten het handwerk over aan migranten. Er was volop energie via olie en het eigen gas en het water werd via de Deltawerken beheerst. Europa was een algemeen onderschreven ideaal: nooit meer oorlog op dit continent en samen werken aan groei. China was toen nog ver weg en Afrika was een onbekend en onbestemd continent.

Anno 2014 ziet de wereld er totaal anders uit: minder welvaart, minder of geen groei van de economie en meer onbestemd vijandig gevaar. Door globalisering, massamigratie, digitalisering en gebrek aan dialoog is het klassieke buitenlands beleid vermengd met een binnenlands wijkgericht veiligheidsbeleid. En dat terwijl we in Nederland volgens een recente internationale peiling van Unicef op dit moment nog de gelukkigste kinderen ter wereld hebben en ook onze ouderen er in de internationale rankings er heel goed van af komen, namelijk op de zesde plaats in de landenranglijst.

Echter, ledigheid is des duivels oorkussen en het zijn sterke benen die deze weelde kunnen blijven dragen. Cynici zeggen dat het kabinet door zijn hervormingsagenda heen is en dat er geen nieuwe uitdagingen liggen. D66 denkt daar wezenlijk anders over. Een hervorming van het belastingstelsel is geboden en op meerdere terreinen wordt om proactiviteit gevraagd. Wij komen hier bij de Financiële Beschouwingen en de behandeling van het Belastingplan uitgebreid op terug.

Veel aandacht gaat uit, ook van dit kabinet, naar het beheersen van het heden en in het beantwoorden van de vragen van — letterlijk — morgen. Toch wil ik in deze Algemene Beschouwingen iets verder vooruit kijken, iets waar we in Nederland traditioneel meer moeite mee hebben, getuige de grote noodzakelijke aanpassingen die we doorgaans pas weten door te voeren als het water ons letterlijk of figuurlijk aan de lippen staat. Ik noem ter illustratie de herziening van pensioenen, de woningmarkt, de zorg en de arbeidsmarkt. Hoe staat Nederland ervoor in 2020 en verder in de tijd?

Ik wil hierbij drie domeinen aanstippen. In de eerste plaats is dat duurzame energie. Vorige week werden we gealarmeerd door een rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving en het Energieonderzoek Centrum Nederland, waaruit blijkt dat we hopeloos achterlopen in de omslag naar duurzame energie en energiebesparing, waar we momenteel op 4,5% zitten. Daarmee staan we onderaan de lijst van Europese landen staan. In 2020 moeten we 14% van onze energie duurzaam opwekken. Het lijkt schier onmogelijk om dat in de resterende periode te halen. De minister van Economische Zaken schreef vorige week aan de Tweede Kamer dat we het wel kunnen halen, maar graag hoort de fractie van D66 van de minister-president of hier sprake is van wensdenken dan wel van een daadwerkelijk commitment aan deze doelstelling. Wat gaat het kabinet extra doen om de beloofde doelstelling weer binnen bereik te brengen? Hoe ziet onze langetermijnenergievoorziening en -besparing eruit in 2020, respectievelijk 2050? Waar mogen de jongeren van nu straks op rekenen? Welke lijnen zet dit kabinet uit naar de toekomst die energiezekerheid blijvend garanderen op het gebied van wind, zon, water en andere energiebronnen? Om weg te blijven van schoksgewijze maatregelen is het nodig een voldragen visie hierop te ontwikkelen met een kosteneffectief pad naar de toekomst. Afhankelijk van het antwoord overweeg ik hierover een uitspraak aan de Kamer te vragen.

D66'ers zijn door de bank genomen niet bang voor, maar juist nieuwsgierig naar de toekomst. Het wiel bracht de buurgemeente dichterbij, de telefoon verre verwanten en het internet hele samenlevingen. Innovaties leiden tot creatieve destructie en creatieve "nieuwbouw". Ik noem in dit verband ook de robotisering, zo zeg ik tegen de minister van Sociale Zaken. Wie had in 1970 gehoord van de programmeur en de app-ontwikkelaar? De vraag waar het echt om gaat, is welke competenties arbeid in 2020 en verder vraagt en of ons onderwijs daar klaar voor is. Is onze arbeidsmoraal hierop voorbereid? Hebben de honderdduizenden zzp'ers van nu in 2050 wel een afdoende pensioen? Gisteren werd bekend dat we van de eerste naar de derde plaats gezakt zijn op de ranglijst van landen met het beste pensioenstelsel. Hoe keren we deze trendbreuk? Of mogen we ons gelukkig prijzen, zoals in de column van Arnon Grunberg vanochtend in de Volkskrant: "Wie in het paradijs leeft, herkent het niet meer als zodanig; dat is één van de eigenaardigheden van het paradijs en de paradijsvogels." Hoe wil dit kabinet het besef van een leven lang leren en het voortdurend scholen in brede competenties vormgeven, voorbij de horizon van de volgende verkiezingen? Is ons onderwijs wel voldoende toegesneden op de nieuwe competenties die van mensen worden gevraagd in een snel veranderende samenleving? Goed onderwijs op alle niveaus is de zuurstof voor toekomstige generaties om een kwalitatief goed leven te krijgen.

In dit licht wil ik vanaf deze plek andermaal een lans breken voor de waarde van cultuur. Niet alleen vanwege de voortdurende noodzaak om tot talentontwikkeling te komen, maar ook vanwege de economische betekenis. Vorig jaar heeft heel Nederland met verve meegevierd dat het Rijksmuseum weer open ging en het Stedelijk Museum. Dit jaar is het Mauritshuis, hier net om de hoek, weer open gegaan. Het Concertgebouw viert bovendien zijn 125-jarig bestaan. Talloze toeristen vinden hun weg naar deze tempels van het kunstzinnig verleden en vele arbeidsplaatsen worden hierdoor gecreëerd. Kunst en cultuur van toen als belangrijke economische factor, als broedplaats van werkgelegenheid. Is het kabinet bereid om voor de resterende kabinetsperiode echt af te zien van verdere bezuinigingen op de hele kunst- en cultuursector?

Ook wil ik nog een woord spreken over de internationale rechtsorde. Toen ik opgroeide, waren er heel veel zekerheden. Daarin zullen velen mij kunnen bijvallen. Op dit moment worden al die zekerheden echt ondermijnd. Het begint soms al in eigen huis. Het Europees Hof heeft net uitspraak gedaan in de zaak-Jeunesse, waarbij een illegaal in ons land aanwezige moeder niet mag worden uitgezet vanwege de in Nederland gewortelde kinderen. Hiermee wordt het ministerie van Justitie teruggefloten.

Zo menen wij dat het kabinet de waarborging van grondrechten minimalistisch weegt. We hebben de indruk dat de rechtsstatelijke waarborgen vooral met de mond worden beleden. Zo wordt bijvoorbeeld de vrijheid van de persoonlijke levenssfeer in onze ogen te gemakkelijk opgeofferd aan in repressieve en bevoogdende wetgeving neergelegde belangen. Ik verwijs ook in dit verband naar de brief die deze Kamer afgelopen week ontving van de deken van de Nederlandse Orde van Advocaten, de heer Hendriksen.

Het zijn echter niet de grondrechten die afbreuk doen aan de democratie. Omgekeerd doet de democratie soms afbreuk aan de grondrechten als politieke meerderheden hun partijprogramma tot hoogste goed bestempelen. We hebben niet alleen om die reden grote zorgen over de houdbaarheid van de rechtsstaat. We voelen ons ook zeer ongemakkelijk vanwege het sinds het kabinet-Rutte I systematisch inzetten op aanscherpingen in de strafvordering, zoals de Wet herziening ten nadele of het voorlopig gestrande voorstel om te komen tot de invoering van hogere minimumstraffen.

Het kabinet laat de strafrechtelijke agenda vooral bepalen door de publieke opinie, althans het verongelijkte deel van de samenleving, en daarmee door simpele doelstellingen als strengere straffen, meer delicten en meer repressie. De D66-fractie blijft van mening dat het accentueren van het ongenoegen en de angst in een specifiek deel van de samenleving de klassieke rechtsbeginselen op voorhand relativeren. Daarmee ontstaat een spanning tussen het omgaan met de eigen nationale rechtsorde en het opereren in de internationale rechtsorde. Wie in het kabinet is de hoeder van de nationale en internationale rechtsorde, zo vraag ik de minister-president.

We zijn recent akkoord gegaan met het deelnemen aan het bombarderen van IS-doelen in Irak. Er is geen geen VN-resolutie en geen NAVO-besluit. We besluiten mee te doen met een gelegenheidscoalitie op verzoek van de Iraakse regering op humanitaire gronden. Voor Syrië is geen eenduidig volkenrechtelijk mandaat, maar de vraag komt naar voren of het onderscheid tussen bombarderen in Irak en in Syrië wel werkbaar is aangezien de IS-terreur zich niet aan landsgrenzen houdt.

Met Rusland zijn we, na een gezellige borrel bij de Olympische Winterspelen met Poetin, in strijd om de vraag wie MH17 uit de lucht schoot, waarbij deze Kamer de gewaardeerde collega Willem Witteveen, en zijn gezin, verloor. Ik spreek hier overigens vanaf deze plek graag grote waardering uit voor de wijze waarop het kabinet in de eerste fase na de ramp zorg heeft gedragen voor aandacht voor de nabestaanden, de repatriëring van lichamen en bezittingen, en in het verlengde hiervan ook waardering voor de talloze militairen, artsen, onderzoekers en vrijwilligers die hieraan hebben bijgedragen.

De institutionele zekerheden die we creëerden na de Tweede Wereldoorlog, namelijk de EU, de NAVO, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Veiligheidsraad, staan allemaal onder druk en hun legitimiteit dan wel hun posities geven niet meer de vanzelfsprekende zekerheden die we er lang aan dachten te ontlenen. Hoe ziet het kabinet deze situatie in 2020 en verdere decennia? Welke initiatieven ontplooit het kabinet op internationaal, Europees en nationaal niveau om hierover een fundamentele gedachtegang te starten, anders dan incrementeel en situationeel ad hoc tot oplossingen te komen? Is het niet de hoogste tijd om daadwerkelijk verdergaande stappen te zetten om bijvoorbeeld tot één Europese defensie te komen? Graag een reactie van de minister-president op deze fundamentele vragen. Is het kabinet bereid een bredere discussienota aan deze Kamer te doen toekomen waarin de ontwikkeling van de internationale rechtsorde en de inzet van dit kabinet daarbij wordt gepresenteerd, opdat wij daar in open dialoog verder mee vorm en inhoud aan kunnen geven? Graag zie ik een toezegging van de minister-president op dit punt tegemoet.

Voorzitter, ik rond af. De samenleving, zowel nationaal als internationaal, bevindt zich in een interessant maar moeilijk tijdsgewricht. De economie staat onder druk en de veiligheid staat onder druk. Naar de mening van D66 zijn creativiteit en inzet hard nodig om mensen, burgers in dit land en ook daarbuiten, blijvend vertrouwen te kunnen bieden. Open dialoog en humanitaire waarden moeten hoog in het vaandel staan en kansen moeten worden gestimuleerd naast het verdedigen van onze normen en onze veiligheid. Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat wens ik het kabinet en ook de collega's in mijn laatste APB in dit voorname huis van de democratie allemaal toe.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Van Boxtel. Ik geef het woord aan de heer Thissen.