Plenair Terpstra bij behandeling Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten



Verslag van de vergadering van 24 maart 2015 (2014/2015 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.20 uur


De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Op 24 juni vorig jaar hebben wij de wijziging van de Wet werk en bijstand en de invoering van de Participatiewet behandeld. Bij deze behandeling hebben wij ons positief uitgesproken over de afspraak in het sociaal akkoord uit 2013 om 125.000 banen extra te scheppen voor de doelgroep waar we het vandaag over hebben. In dat debat hebben wij ook de stelling verdedigd dat de partijen die een grote rol hebben gespeeld bij de opbouw van onze verzorgingsstaat, ook een grote verantwoordelijkheid hebben om de noodzakelijke maatregelen te nemen indien het systeem moet worden aangepast. Een belangrijke wijziging in het beleid is dat wij nu uitgaan van wat mensen wel kunnen in plaats van wat mensen niet kunnen. Na een interruptiedebatje met de voorzitter van de fractie van GroenLinks hebben we toen afgesproken om niet meer te spreken over de zogenaamde onderkant van de arbeidsmarkt, maar over de meest kwetsbare groepen in de maatschappij en specifiek op de arbeidsmarkt. Deze term wil ik vandaag ook gebruiken.

Vanmorgen behandelen wij een wetsvoorstel dat tot doel heeft om de positie van mensen met een arbeidsbeperking, een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt, te versterken. Om dit te bereiken zijn al veel mogelijkheden geschapen en/of voorgesteld. Tijdens het kabinet-Rutte I werd voorgesteld om onder bepaalde voorwaarden het minimumloon te verlagen. In de Participatiewet is overgegaan op een systeem van loonkostensubsidie. In het regeerakkoord van Rutte II wordt voorgesteld om deze groep te helpen door werkgevers te verplichten, een bepaald aantal leden van de doelgroep in dienst te nemen. Lukt dat niet dan moet men een heffing betalen. In het sociaal akkoord uit 2013 hebben werkgevers en werknemers afgesproken om 125.000 extra banen voor de doelgroep te scheppen. Als dat niet lukt, dan komt de quotumheffing weer om de hoek kijken.

Het voorliggende wetsvoorstel probeert deze beide laatstgenoemde gedachten in één wet te regelen. Heeft de regering overwogen om beide onderdelen in aparte wetsvoorstellen op te nemen, mede gelet op het feit dat het idee van een heffing pas gaat spelen in 2017? Het CDA ziet dit wetsvoorstel als een aanvulling op de Participatiewet en een invulling van de afspraken in het sociaal akkoord. Wij zijn zeer ingenomen met de afspraak in het sociaal akkoord om 100.000 banen te scheppen in de marktsector en 25.000 in de collectieve sector.

Uiteraard is het voor het volgen van deze afspraak noodzakelijk na te gaan hoe de stand van zaken op dit moment is. Ik meen dat de nulmeting is gebaseerd op de situatie in 2013. Daaruit blijkt dat er nu ongeveer 33.000 leden van de doelgroep een vaste baan hebben in de marktsector en iets meer dan 4.000 in de collectieve sector. De cijfers voor ingeleende werknemers zijn respectievelijk bijna 27.000 voor de marktsector en 8.500 voor de collectieve sector. Mijn ruwe interpretatie is dat de marktsector het relatief iets beter doet dan de collectieve sector, zowel qua aantallen als qua relatie vast dienstverband versus ingeleend. Ziet de staatssecretaris hierin nog een extra taak weggelegd voor de minister voor de Rijksdienst?

Cruciaal in het volgen van de vorderingen is de databank bij het UWV. Op grond van de tot nu toe verkregen informatie gaan wij ervan uit dat deze databank op tijd klaar is en niet zal leiden tot extra lasten voor het bedrijfsleven. Kan de staatssecretaris bevestigen dat onze indruk juist is?

In de Tweede Kamer is de doelgroep uitgebreid met een groep jongeren die voor hun achttiende jaar medische problemen heeft gekregen waardoor deze jongeren niet zonder voorzieningen het minimumloon kunnen verdienen. Deze uitbreiding geldt niet voor de banenafspraak, maar wel voor de quotumregeling. Kan de staatssecretaris nog eens uitleggen waarom dit geen probleem is? De quotumregeling gaat in als de banenafspraak niet wordt gerealiseerd. Deze groep valt niet onder de banenafspraak, maar wel onder de quotumregeling. De staatssecretaris heeft deze vraag van mij al eens beantwoord, maar na lezing van het antwoord was ik nog niet overtuigd. Kan zij nog eens helder uiteenzetten waarom het geen enkel probleem is als je een groep niet in de banenafspraak opneemt maar wel in de quotumregeling?

Het CDA is het ermee eens dat de doelgroep niet automatisch wordt uitgebreid met alle leerlingen op het speciaal onderwijs, zoals door de ChristenUnie in de Tweede Kamer is bepleit. Wij hebben in ons land al stempels genoeg. Een automatische verlenging van een eenmaal ontvangen stempel lijkt ons niet gewenst. Ook hier bepleiten wij maatwerk.

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II wordt voorgesteld om de werkgevers te verplichten, een bepaald deel van de doelgroep in dienst te nemen. Soortgelijke voorstellen zijn in het verleden ook gedaan voor allochtonen in de Wet bevordering evenredige deelname allochtonen op de arbeidsmarkt. Ook nu weer is er een discussie gaande om iets dergelijks te doen voor vrouwen in het bedrijfsleven, vooral aan de top. Tot nu toe zijn wij als CDA geen voorstander geweest van dergelijke quotumregelingen. De overheid moet discriminatie op de arbeidsmarkt streng aanpakken en de desbetreffende groepen moeten alle mogelijkheden aangrijpen om hun positie te verbeteren. Naar aanleiding van recente cijfers over het verschil in arbeidsparticipatie tussen allochtonen en autochtonen zijn wij het met minister Asscher eens dat er op dit gebied veel meer moet gebeuren. Na Zweden scoren wij in Europa het slechtst. Overleg met de Stichting van de Arbeid lijkt ons op dit punt zeer gewenst.

Nu weer naar het voorliggende wetsvoorstel. Het is ons opgevallen dat bij de uitvoerige debatten in de Tweede Kamer relatief weinig aandacht is besteed aan de afspraken in het sociaal akkoord en relatief veel aan de quotumregeling en quotumheffing; onderdelen van de wet waarvan wij hopen, dat die niet toegepast hoeven te worden. Tijdens het debat in de Tweede Kamer heeft het CDA voorgesteld om de voorziene heffing in het geval dat de afspraak in het sociaal akkoord niet wordt gehaald, te vervangen door een beloning van die ondernemers, die de afspraak wel hebben gehaald; een soort bonusregeling in plaats van de in de wet opgenomen malusregeling. In het debat vond de staatssecretaris dit een sympathieke gedachte maar geen alternatief voor de heffing op dit moment. Zijn de bezwaren van de staatssecretaris van financiële of ook van technische aard?

Uit de beantwoording van onze vragen in het verslag blijkt dat zes landen in de Europese Unie met een soort quotumregeling werken: Ierland en België alleen voor de collectieve sector, en Duitsland, Oostenrijk, Italië en Spanje voor alle werkgevers. Van deze landen controleren alleen Duitsland en Oostenrijk of de afspraken worden nageleefd. Voor Duitsland geldt voor 2010 dat bijna 23% van alle werkgevers met meer dan twintig werknemers aan de regels voldoet. Bijna 27% heeft geen enkele gehandicapte in dienst, terwijl de anderen gedeeltelijk aan de norm voldoen.

Ondanks onze bezwaren tegen quotumregelingen in het algemeen en de ook niet al te positieve ervaringen in het buitenland, hebben wij besloten om voor de onderhavige doelgroep een uitzondering te maken. Wij hechten er namelijk zeer aan dat de doelstellingen uit het sociaal akkoord worden gehaald, zodat steeds meer mensen met een handicap op verjaardagen trots kunnen vertellen dat ze bij Albert Heijn werken of bij een andere bekende onderneming in hun dorp. En misschien helpt een stok achter de deur dan wel een beetje. Tevens hebben de werkgevers er zelf mee ingestemd als onderdeel van het sociaal akkoord, misschien wel als gevolg van een soort Seelenmassage door de regering. Tot slot gaat het hier om een doelgroep die wel een steuntje in de rug kan gebruiken.

Wij zijn ingenomen met de mogelijkheid dat banen die ondernemers scheppen bij anderen door directe financiering, ook mee kunnen tellen bij het vaststellen van de vraag of men voldoende heeft gedaan, zodat die ondernemers geen heffing hoeven te betalen. Dit achten wij van groot belang voor het mkb en voor gespecialiseerde bedrijven.

Het onderzoek naar de vraag in de motie-Heerma of het afnemen van diensten bij bedrijven ook mee mag tellen, wachten wij gelovig en met belangstelling af. Deze belangstelling geldt ook voor de antwoorden van de staatssecretaris.