Verslag van de vergadering van 1 april 2025 (2024/2025 nr. 24)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.33 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Gurp i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Collega De Vries suggereerde net dat dat waarschijnlijk een uitspraak van Luther is. Met die bronvermelding wil ik dat graag hier herhalen. Ik dacht daaraan toen ik ter voorbereiding van dit debat nog eens op een rijtje zette wat zich de afgelopen maanden heeft afgespeeld. Daar valt heel veel over te zeggen, maar kort en goed hebben we een vrij surrealistisch schouwspel gezien waarin een aantal partijen in de Tweede Kamer met de beste bedoelingen van de wereld hebben geprobeerd om de voorgenomen rampzalige bezuinigingen op onderwijs te verzachten.
Het verzachten van de bezuinigingen op onderwijs is, het debat van de afgelopen dagen in ogenschouw genomen, slechts zeer ten dele gelukt. Vervolgens belandde een deel van de bezuinigingen die overbleven via een hele reeks salto's in de VWS-begroting. Niemand wist eigenlijk wat die ermee aan moest. Het was allemaal niet de bedoeling. De bezuiniging viel op de verkeerde plaats. Noem het allemaal maar op. De minister — ik vond dat prijzenswaardig van haar — zei meteen: dat kan niet zomaar.
Het heeft een maand of drie, vier geduurd voordat daar duidelijkheid over kwam. In die maanden hebben wij ons vaak vertwijfeld afgevraagd hoe we vanuit deze Kamer onze controlerende taak nog goed konden vervullen. Je kunt natuurlijk zeggen dat het slechts om een open eind van 165 miljoen ging. Een boekhouder zou zeggen: 165 miljoen is niet materieel op een begroting van 100 miljard. Maar ja, als Kamerlid wil je over een bezuiniging, korting of hoe je het ook noemen wilt van 165 miljoen, die ergens in de zorg gaat landen, ook niet zomaar zeggen: weet u, doe daar maar een beetje.
Gelukkig kregen we kort voor de plenaire bespreking van de begroting in deze Kamer — dat was geloof ik vorige week vrijdag — een brief van de minister. Daarin gaf ze aan dat ze een definitieve invulling voor de openstaande bezuiniging gevonden had, namelijk een korting op het budget voor wijkverpleging. Dat was al een paar jaar niet opgemaakt, dus daar kon het wel vanaf gehaald worden. Inhoudelijk kunnen we daar heel veel over zeggen. Ik zal dat straks doen. Ik zeg niet heel veel, maar wel iets. Voor het proces kunnen we in ieder geval zeggen dat er nu een volwaardige begroting VWS voor ons ligt en dat we die wat ons betreft op de normale manier kunnen behandelen.
Dan ga ik over naar de inhoud. Het terrein van het ministerie van VWS is breed. Ik focus mij in deze bijdrage vooral op de grote bulk van de uitgaven, die voor de zorg. Wat er ook allemaal op de zorg aan te merken valt en wat er ook allemaal te verbeteren valt aan de zorg: we kennen in Nederland een goed zorgstelsel waarin op hoog niveau zorg wordt verleend door heel veel toegewijde professionals. In het ziekenhuis, van verpleegkundigen tot chirurgen, in het verpleeghuis, in de wijk, aan de balie, in de huiskamer, aan het bed thuis, in het laboratorium en in de huisartsenpost werken mensen hard, goed en met toewijding. Maar we weten ook dat het op veel plaatsen niet toekomstbestendig is. Het kraakt en het piept. Personeelstekorten zijn een serieuze bedreiging. Ook het doorontwikkelen van het vlotter en drempellozer samenwerken is dringend geboden. We moeten meer werk maken van preventie. We moeten beter op eventualiteiten voorbereid zijn. Dat zeg ik vooraf over hoe wij naar dit veld en naar deze begroting kijken.
De begroting van 100 miljard is ongeveer een kwart van de rijksbegroting. Dat is een enorm bedrag. Laat ik vooropstellen dat een groot deel van dat bedrag goed wordt besteed. Over de bedoelingen van het beleid op hoofdlijnen bestaat ook overeenstemming. Dat hebben we de afgelopen weken hier in deze Kamer bij de begroting van andere departementen wel anders meegemaakt. Maar ook hier geldt: het hebben van goede bedoelingen alleen is echt niet voldoende. Het gaat erom dat die bedoelingen worden omgezet in politieke keuzes en in de toedeling van middelen. De manier waarop dat gebeurt, bepaalt of de organisaties en de medeoverheden die het beleid moeten uitvoeren, daartoe ook werkelijk in staat gesteld worden. De ziekenhuizen, de zorginstellingen, de wijkverpleging, de jeugdzorgaanbieders, de GGD en de gemeenten zijn in dezen de uitvoerders. Dan moet ik helaas zeggen dat er voor ons alle reden is om ons op een aantal terreinen grote zorgen te maken over de uitvoerbaarheid. Daarmee zitten we bij de kern van de vraag waar deze Kamer speciaal naar kijkt. Ik beperk me kortheidshalve tot vijf punten. Het eerste is pandemische paraatheid, het tweede preventie, het derde jeugdzorg, het vierde wijkverpleging, en tot slot zeg ik iets over de arbeidsmarkt. Ik probeer mijn eigen tekst wat in te korten; dat valt al sprekende nog niet mee.
Laat ik beginnen met de pandemische paraatheid. De Landelijke Agenda Crisisbeheersing van de NCTV noemt infectieziektes een belangrijk dreigingsthema. De Onderzoeksraad voor Veiligheid moet vaststellen dat de pandemische paraatheid van Nederland onvoldoende is. Experts zeggen dat we er niet beter voorstaan dan voor de COVID-19-pandemie. In die context heeft het kabinet, cynisch genoeg, besloten om oplopend tot 300 miljoen te gaan bezuinigen op de pandemische paraatheid. Dit heeft een eerste effect in 2025 als coördinatoren pandemische paraatheid bij de GGD's niet aangesteld kunnen worden en als zij die er al op tijdelijke basis werken, het contract niet verlengd krijgen. In de volgende jaren loopt dit effect nog op. De minister heeft een- en andermaal aangegeven haar best te doen om de pandemische paraatheid op peil te brengen. Ik herhaal het nog een keer: de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Ik vraag de minister hoe zij er concreet voor gaat zorgen dat de pandemische paraatheid op zo kort mogelijke termijn op het gewenste niveau wordt gebracht en, om te beginnen, hoe organisaties voor publieke gezondheidszorg ook dit jaar hun werk al kunnen doen.
Het tweede kopje: preventie. Voorkomen is beter dan genezen. Daarmee zal eenieder het eens zijn. Dat geldt voor ieders individuele gezondheid, maar uiteindelijk ook voor de schatkist: een euro die je in preventie steekt, verdient zich terug in besparing op zorgkosten. Des te onbegrijpelijker is het dat de preventieprogramma's flink worden geraakt. Nou heeft de staatssecretaris — en we spraken daar net ook nog een paar woorden met haar over — ons eerder blij gemaakt met de toezegging dat ze het op deze manier met bezuinigen ook niet zo ziet zitten en wil werken aan een investeringsmodel waarin investeren in preventie ook als investering wordt gezien, en niet als consumptieve uitgave, om het economisch te zeggen. Dat is interessant. Onze fractie is benieuwd hoe het hiermee staat. Want ook hiervoor geldt: goede bedoelingen alleen zijn niet genoeg. Daar hebben we allemaal geen twijfel over. Het gaat erom wat er gebeurt. In onze ogen mag het in de tussentijd niet zo zijn dat goedlopende programma's door bezuinigingen de nek om worden gedraaid. Ook mag het niet zo zijn dat de hardnekkige sociaaleconomische gezondheidsverschillen eerder groter dan kleiner worden. Het signaal achter de bezuinigingen op de provincies kan toch niet zijn dat de sociaaleconomische gezondheidsverschillen ons niet veel uitmaken? Dat kan ik me niet voorstellen. Dat kan de staatssecretaris niet voorstellen en ik weet zeker dat dat bij niemand in deze Kamer de bedoeling kan zijn. Maar wat doen we er dan aan?
Het derde punt is jeugdzorg. De rijksmiddelen voor de gemeenten voor de jeugdzorg staan op de begroting van het Gemeentefonds. Daar praten we volgende week over. De staatssecretaris voor jeugdzorg zit hier, dus u zult mij vergeven dat ik er toch een paar woorden aan wijd, ook hier doe ik dat niet in detail. In 2015 ging de jeugdzorg over naar de gemeenten. Dat ging gepaard met grote bezuinigingen, de zogenaamde decentralisatiekorting. Die heeft gemeenten en uitvoerders in grote problemen gebracht. Daarmee komen ook jongeren en gezinnen in de problemen door wachttijden, door onvoldoende adequaat aanbod et cetera. Enkele jaren geleden heeft de Eerste Kamer hierover indringend met het kabinet gesproken en met breed draagvlak uitspraken gedaan. Ik denk onder andere aan de aangenomen motie-Rosenmöller.
Inmiddels zijn we een paar jaar verder en dreigt de situatie zich te herhalen. Weer is aan een commissie van deskundigen gevraagd om advies uit te brengen, de commissie-Van Ark. Het advies zou zeer zwaar wegen, maar weer dreigt het Rijk geen boter bij de vis te willen leveren. Dat zwaarwegende advies van de commissie-Van Ark behelst vier onderdelen. Een: gemeenten compenseren voor de helft van het tekort uit de afgelopen twee jaren. Twee: het meerjarig kader en het budget voor 2025 moet naar boven worden bijgesteld. Drie: er moeten geen bezuinigingen worden ingeboekt voor de jaren na 2026. En vier: de periode van 2025 tot 2028 moet worden gebruikt om tot reële besparingsdoelstellingen te komen. Waar staat deze staatssecretaris als het gaat om het overnemen van deze zwaarwegende adviezen? Ik vraag het omdat ik weet dat de discussie volop loopt. We hoeven hier niet te gaan onderhandelen, maar we mogen wel aan de bewindspersonen vragen wat hun intentie is en hoe zij die intentie kracht bij willen zetten.
Onderwerp vier: de wijkverpleging. Zoals gezegd, wordt het budget voor de wijkverpleging met 165 miljoen gekort. Nee, zegt de minister, dat is geen bezuiniging, want dat geld bleef gewoon over. En dat klopt. Inderdaad bleven er jarenlang op de post wijkverpleging honderden miljoenen over. Toch is dat gek. Ik sta er eerlijk gezegd van te kijken. Jaar op jaar op jaar is de begroting op peil gehouden. Voor de komende jaren wordt die neerwaarts bijgesteld. Jaar op jaar blijft er meer dan 165 miljoen over, soms veel meer. En dan zegt de minister: dat komt doordat de zorgaanbieders zo doelmatig werken en doordat er een groot tekort is aan personeel. Dat klopt waarschijnlijk vanuit de systeemlogica.
Als ik in de wereld om mij heen kijk, zie ik dat het voor mensen met een indicatie voor deze vorm van thuiszorg vaak betekent dat ze moeilijk aan hulp kunnen komen. Dat zal het personeelstekort wel zijn. Ook is wat er in de gebudgetteerde minuten wel en niet gedaan mag worden, in een heel strak schema gevat. Dat zou wel ondoelmatig werken zijn, denk ik. Het aantal alleenwonende of niet-alleenwonende thuiswonende ouderen stijgt. Het domein overstijgend werken komt moeizaam tot stand. De sociale basis en het werken in de wijk staan zwaar onder druk als gevolg van de bezuinigingen op de gemeenten. Kortom: aan alle kanten is het verschrikkelijk moeizaam.
De burger merkt dat de zorg die hij nodig heeft op een aantal momenten vaak niet, onvoldoende of op bureaucratische wijze gegeven wordt, alle goede praktijken die er ook zijn daargelaten, want die zijn er gelukkig. Hoe verhoudt die werkelijkheid zich met het jaarlijks overhouden van honderden miljoenen? Waarom zijn die honderden miljoenen dan niet besteed om het hele systeem werkend te maken, ook vanuit burgerperspectief? Waarom wordt er niet gekeken of wat in het ene kolommetje van ons systeem overblijft, in het andere kolommetje van ons systeem dienstbaar kan zijn, bijvoorbeeld om de sociale basis te versterken?
Voorzitter. De zorg die iemand nodig heeft, is één en ongedeeld. Het werken in de wijk en in de zorg, thuis aan bed, zou dat ook moeten zijn. Wat er nu gebeurt, is dat we honderden miljoenen overhouden en dus in technische zin zonder zorgen 165 miljoen, opgebracht uit zorgpremies, ergens anders laten belanden. Dat is vanuit burgerperspectief onbegrijpelijk. Ik zou graag een reflectie van de minister krijgen op onze zorgen.
Ik rond af, met toestemming om iets over mijn spreektijd heen te gaan, met een aantal opmerkingen over de arbeidsmarkt. Ik heb het al eerder benoemd: er is een groot personeelstekort, en dit neemt snel toe. De laatste raming voorspelt voor 2033 een tekort van ruim 240.000 zorgmedewerkers, 20% meer dan eerder werd verwacht. De minister zegt dat het afwenden van het arbeidsmarkttekort centraal staat in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Dit was ook het antwoord op vraag 25 van de SP in de eerste termijn van de inbreng, als ik het mij goed herinner. Dat aanvullend zorg- en welzijnsakkoord zou prachtig zijn, maar ik heb er twee vragen over. Ik heb begrepen dat er gisteren een finalebespreking zou plaatsvinden, maar dat deze niet is doorgegaan. Dat roept bij mij vragen op: een finalebespreking die niet doorgaat; wat is daar aan de hand? Ik begrijp dat u nog in onderhandeling bent, maar ik zou graag van de minister willen horen hoe groot haar vertrouwen is dat ze er op afzienbare tijd met de onderhandelende partijen uitkomt.
De voorzitter:
Wat is uw tweede vraag?
De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):
Ik ben bijna klaar. Ik denk ook aan de gemeenten, die met allerlei andere akkoorden met het Rijk te maken hebben. Kunnen zij er straks ook mee instemmen en gaan tekenen?
Mijn slotvraag gaat ook over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. De minister zegt dat de financiële gevolgen pas in 2027 en 2028 merkbaar worden. Maar als het akkoord vooral over het arbeidstekort gaat, wat doen we dan in 2025 en 2026 om dat tekort aan te pakken? We mogen hopen dat we niet vanwege een akkoord twee jaar hoeven te wachten om dit probleem adequaat op te lossen. Ik hoor hier graag een reactie op van de minister.
Dank voor uw souplesse, voorzitter. En dank aan alle Kamerleden dat zij dit hebben uitgezeten.
De voorzitter:
Ik dank u wel, meneer Van Gurp. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Rooijen van 50PLUS.