Verslag van de vergadering van 4 maart 2025 (2024/2025 nr. 20)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.22 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. In de zomer van 2022 werden we geconfronteerd met schokkende beelden van asielzoekers, die buiten op de grasvelden rondom het aanmeldcentrum in Ter Apel moesten slapen. Mensonterende taferelen in een van de rijkste landen ter wereld. Maar laten we niet doen alsof dit een onvermijdelijke crisis was. Dit was een huisgemaakt probleem. Het jojobeleid in de financiering van de asielketen, de bezuinigingen op de IND, het sluiten van opvanglocaties tegen de waarschuwingen van uitvoeringsorganisaties aan gemeenten in, hebben geleid tot die situatie. In een gezamenlijke inspanning probeerden de toenmalige staatssecretaris en de gemeenten een antwoord te vinden op deze zelfgecreëerde crisis. In augustus 2022 werd de zogenaamde "asieldeal" gesloten met een pakket tijdelijke maatregelen en beloofde nieuwe wetgeving die het probleem structureel zou moeten aanpakken. Een van de uitkomsten daarvan was de Spreidingswet. Het wetsvoorstel dat vandaag voorligt, is een ander resultaat van die asieldeal. Dit wetsvoorstel werd vervolgens in april 2023 ingediend bij de Tweede Kamer. Dit voorstel bevat drie maatregelen, waar ik zo op zal ingaan. Maar laten we eerst de enige rechtvaardiging, die de regering voor nut en noodzaak van het voorstel aandraagt, goed bekijken: de capaciteitsproblemen bij de IND.
De capaciteitsproblemen bij de IND zijn niet nieuw. Voorgangers van de huidige minister zijn al gekomen met plannen, tijdelijke projectgroepen, extra menskracht en tijdelijke wetten. Maar blijkbaar zijn de problemen hardnekkig, omdat ze niet alleen te maken hebben met het aantal asielaanvragen. Al jarenlang laten onderzoeken, uitgevoerd door onder andere Significant Public en Ernst & Young, zien dat de problemen bij de IND voortkomen uit structurele onderfinanciering, personeelstekort, falend bestuur en gebrekkige aansturing. Desondanks weigert de politiek deze oorzaken aan te pakken en kiest men er telkens opnieuw voor om de rechten van asielzoekers verder in te perken, in plaats van het systeem te verbeteren. Politiek mag dan een kort geheugen hebben en simplistisch en populistisch beleid kan aantrekkelijk lijken, maar een rechtsstaat heeft een wetgever nodig die niet met de waan van de dag regeert, maar zorgvuldig en doordacht te werk gaat. Wetgeving moet gebaseerd zijn op mensenrechten, rechten van burgers en niet op bestuurlijk falen dat wordt afgewenteld op de zwaksten in de samenleving.
Mijn tweede inleidende punt gaat over de gewijzigde politieke context in Nederland sinds de indiening van dit wetsvoorstel. We hebben een minister die nog geen goedgekeurde begroting heeft voor 2025. Ondanks herhaalde vragen van diverse fracties in de voorbereiding blijft de minister het antwoord over financiering van de IND schuldig. Steeds opnieuw verwijst zij naar de Voorjaarsnota, waarin dit stilstaande kabinet lastige dossiers heeft geparkeerd. Een minister die in woord en daad haar afkeer laat blijken van vluchtelingen trekt niet bepaald nieuw personeel aan, zou ik zeggen. Onzekerheid over de stabiliteit van banen bij de IND helpt daar ook niet bij. Wie wil er onder deze omstandigheden nog bij de IND werken, vraag ik de minister.
Daarnaast moeten we dit wetsvoorstel zien in samenhang met andere asielmaatregelen. De minister wil meerdere nieuwe wetsvoorstellen indienen, waarover de Raad van State al een vernietigend advies heeft uitgebracht. Mochten die voorstellen ooit deze Kamer bereiken, dan moet dit wetsvoorstel in samenhang met die voorstellen worden bekeken. Wat is bijvoorbeeld de impact van het tweestatusvoorstel op dit wetsvoorstel, met het afschaffen van de permanente vluchtelingenstatus? Ook hierover kregen wij in het schriftelijke overleg geen duidelijk antwoord. Kan de minister hier alsnog duidelijkheid over geven?
Dan de drie elementen van het voorliggende wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel wijzigt de Vreemdelingenwet op drie punten:
-
-Verlenging beslistermijn nareisverzoeken. De beslistermijn voor een machtiging tot verblijfsvergunning voor gezinsleden van statushouders wordt verlengd van 90 dagen naar 9 maanden, met onbeperkte verlengingsmogelijkheden in complexe gevallen. Dankzij een amendement van SP-Kamerlid Van Nispen is deze verlenging tijdelijk. Deze vervalt na drie jaar.
-
-Verschoonbare termijnoverschrijdingen. Dit wetsvoorstel codificeert bestaande EU-jurisprudentie. Een mvv kan niet worden geweigerd als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit is al bestaande praktijk en voegt dus niets nieuws toe.
-
-Verlenging asielbeslistermijn. De beslistermijn voor asielaanvragen wordt verlengd tot maximaal 21 maanden: zes maanden, plus drie, plus negen, plus drie. Dit is tijdelijk, want vanaf 12 juni 2026 geldt de procedureverordening uit het Europees Asiel- en Migratiepact, waarin de beslistermijn maximaal achttien maanden is.
Voorzitter. Waarom zouden we een wet aannemen die gedeeltelijk binnen een jaar al achterhaald is? De Raad van State wijst erop dat de Gezinsherenigingsrichtlijn weliswaar een verlenging tot negen maanden toestaat en de mogelijkheid biedt tot verdere verlenging in specifieke complexe gevallen, maar adviseert de regering om duidelijke wettelijke normen vast te leggen voor dergelijke verlengingen. Dit is des te belangrijker omdat het hier gaat om het recht op familie- en gezinsleven, artikel 8 van het EVRM, en de belangen van het kind, die door dit voorstel ernstig in het geding komen. De Kinderombudsman schreef aan de Tweede Kamer "dat de voorgestelde maatregelen over gezinshereniging in strijd zijn met het Kinderrechtenverdrag. Als ik met kinderen praat, vertellen zij dat zij zich boven alles zorgen maken over het lot van hun ouders en broers en zussen, nog meer dan over hun huisvestingssituatie. Deze zorgen en de eenzaamheid die het gescheiden zijn van hen met zich meebrengt, staat hun welzijn ernstig in de weg. Het leidt tot gevoelens van angst, onmacht, moedeloosheid en depressie en blokkeert hen in hun dagelijks functioneren en ontwikkelen."
De Raad van State adviseert de regering om in het wetsvoorstel vast te leggen onder welke omstandigheden verlenging mogelijk is en wat de absolute maximumtermijn is. Dat is echter niet gebeurd en de regering wil geen enkele duidelijkheid geven over wat de criteria zijn voor complexe situaties die een onbeperkte verlenging mogelijk zouden maken. Hierdoor kan de wet in de praktijk leiden tot onbegrensde verlenging, wat een schending van het recht op gezinshereniging en een ernstige aantasting van de belangen van het kind tot gevolg kan hebben.
Daarnaast constateert de Raad van State dat dit wetsvoorstel leidt tot stapeling van termijnen, wat betekent dat asielstatushouders onnodig lang gescheiden blijven van hun gezin. Dit heeft vérgaande humanitaire gevolgen, met name voor kinderen. Vaak zijn families van vluchtelingen al langer van elkaar gescheiden op het moment dat een asielzoeker een asielverzoek indient. De reis betekent naast ontberingen en gevaren ook een lange periode van onzekerheid.
De Raad van State wijst de regering er bovendien op dat het respecteren van artikel 8 EVRM en het Kinderrechtenverdrag niet alleen in de implementatie, maar ook in de wetgeving zelf moet worden meegenomen. Uit de wetsgeschiedenis tot nu toe en de inzet van het kabinet is overduidelijk dat men een vertraging van gezinshereniging beoogt vanwege capaciteitsproblemen bij een uitvoeringsdienst. Dit betekent simpel gezegd dat de regering willens en wetens accepteert dat de rechten van vluchtelingen op een herenigd en veilig gezinsleven worden geschonden. Sinds het advies van de Raad van State is er bovendien een belangrijke ontwikkeling bij gekomen, te weten de aanvaarding van het Asiel- en Migratiepact van de EU. Dit wetsvoorstel is in strijd met de EU-Asielprocedureverordening die op 12 juni 2026 in werking treedt en waarin kortere maximale beslistermijnen voor asielprocedures zijn vastgelegd. Dit betekent dat de voorgestelde verlenging van de beslistermijn voor asielaanvragen na die datum automatisch vervalt. Daardoor zou het wetsvoorstel feitelijk slechts iets meer dan een jaar van toepassing zijn.
Voorzitter. De regering beweert dat het verlengen van de beslistermijn de druk op de IND zal verlichten. Maar zoals VluchtelingenWerk Nederland in zijn brief aan ons duidelijk gemaakt heeft, is het tegenovergestelde waar. In 2016 werd een vergelijkbaar wetsvoorstel ingediend, dat in 2019 weer werd ingetrokken, omdat het destijds niet effectief werd geacht. Dit was in een periode van hoge instroom van Syrische vluchtelingen. Nu is de situatie totaal anders. Het aantal asielaanvragen in 2024, namelijk 32.180, ligt zelfs onder de ondergrens van de MPP-prognose, namelijk tussen 37.600 tot 66.700 aanvragen. De vraag aan de minister is waarom het nu dan wel effectief zou zijn.
De huidige crisis is niet veroorzaakt door een hoge asielinstroom, maar door de enorme achterstanden bij de IND. Het aantal asielzaken dat langer dan vijftien maanden openstaat, is in één jaar verdubbeld tot 13.800. Dit wetsvoorstel lost die achterstanden niet op en zorgt er alleen voor dat mensen langer in onzekerheid blijven.
De administratieve lasten nemen juist toe. Voor iedere nareisprocedure waarvan de beslistermijn de negen maanden overschrijdt, moet de IND een individuele toets uitvoeren om te motiveren waarom verlenging noodzakelijk is. Dit is een extra werklast die de achterstanden alleen maar verergert. Dit werd zelfs erkend door de minister zelf in de beantwoording van de vragen. Dus nogmaals: waarom zou het dan nu effectief zijn?
Bovendien is het argument niet onderbouwd dat verlenging van de beslistermijn de IND zou helpen bij procedures tegen niet tijdig beslissen.
De voorzitter:
Mevrouw Karimi, u krijgt een interruptie van mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga i (JA21):
Is mevrouw Karimi het met mij eens dat de problemen die zij schetst rond de capaciteit en de opvang door de IND ook zouden kunnen worden opgelost met een scherpe daling van de instroom?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb net al die cijfers gegeven. De relatie van die cijfers met de instroom is niet te zien, omdat de instroom nu beduidend lager is dan gepland was, terwijl de problemen nu groter zijn.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Zou het dan kunnen zijn dat de instroom nog steeds te hoog is? Er is natuurlijk ergens een kritisch punt waarop er zo weinig instroom is dat we ook geen capaciteitsprobleem meer hebben. Klopt dat?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Als het standpunt van JA21 is dat met een instroom van nul alle problemen zouden zijn opgelost, dan is dat natuurlijk waar. Als er niemand binnenkomt, heeft u ook geen probleem. Maar daar gaat het niet om. Wij zeggen — en ik denk dat ook het kabinet dat iedere keer zegt — dat degenen die recht hebben op asiel, welkom zijn in Nederland. Dit wetsvoorstel gaat eigenlijk over degenen die al een status hebben, dus de mensen, vooral een gedeelte reizigers, die na een langdurige procedure te horen hebben gekregen: u bent inderdaad een vluchteling, dus bent u welkom hier.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik heb het niet over nul gehad, maar over een kritisch punt. Het precieze aantal weet ik nu niet uit mijn hoofd. Maar het is natuurlijk wel zo dat op een gegeven moment, als het aantal dat een status krijgt, of hier binnenkomt en een status aanvraagt, laag genoeg is, de capaciteitsproblemen natuurlijk ook grotendeels zijn opgelost. Mijn vraag is of GroenLinks-PvdA zich ook daar eens voor zou willen inzetten.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij heb ik het antwoord gegeven. Wij hebben Oekraïne gezien, en Syrië natuurlijk. Als er ergens oorlog is of als er een regime is dat de eigen mensen onder druk heeft gezet, dan zeggen wij in Nederland tot nu toe — ik hoop dat dat zo blijft — dat die mensen recht hebben op asiel.
Voorzitter. Bovendien is het argument niet onderbouwd dat het verlengen van de beslistermijn de IND zou helpen bij procedures tegen niet tijdig beslissen. De juridische procedures tegen niet tijdig beslissen vergen nauwelijks inzet van IND-beslismedewerkers. Het betreft grotendeels geautomatiseerde digitale procedures waarbij standaard verweerschriften worden ingediend. Het zijn juristen van de afdeling juridische zaken die deze zaken behandelen, en niet de IND-beslismedewerkers. De minister kon niet aangeven hoeveel capaciteit er daadwerkelijk wordt vrijgespeeld. Dit wetsvoorstel lost het fundamentele probleem, het structurele capaciteitsprobleem bij de IND, niet op. In plaats daarvan creëert het extra werkdruk, meer juridische procedures en nog langere wachttijden voor asielzoekers en hun gezinnen. We verwachten een gedegen reactie van de minister op deze punten.
Voorzitter. Dit wetsvoorstel heeft in de praktijk de volgende gevolgen. Gezinshereniging voor vluchtelingen wordt bemoeilijkt, terwijl de procedures voor andere vreemdelingen ongewijzigd blijven. Dit is een schending van het gelijkheidsbeginsel. Door de tijdelijke aard van dit wetsvoorstel, met een geldigheidsduur van drie jaar of één jaar, geldt deze wijziging alleen voor mensen die na de inwerkingtreding van de wet gezinshereniging aanvragen. Kan de minister bevestigen dat lopende aanvragen voor een machtiging tot een voorlopige verblijfsvergunning onder de huidige wettelijke termijnen blijven vallen?
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem i (PVV):
Mevrouw Karimi van GroenLinks-PvdA is hier een hele litanie aan bezwaren tegen deze wet aan het uiten. Tegelijkertijd vraagt zij toch ook of de problemen bij de IND niet moeten worden opgelost. We zien inderdaad dat de instroom al daalt, maar er ligt nog een heel pakket aan lopende aanvragen. Is mevrouw Karimi het ermee eens dat het gezien alle mogelijkheden om door te procederen, gesteund door de gesubsidieerde asieladvocatuur en door allerlei asielbelangenorganisaties en activistenclubjes, heel aantrekkelijk wordt gemaakt om door te procederen en de druk bij de IND neer te leggen? Zou daar ook niet iets aan moeten worden gedaan?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geprobeerd al bij de geschiedenis van de problemen bij de IND duidelijk te maken dat dit probleem al jaren speelt. Onderzoeken hebben aangetoond dat het gaat om de financiering van de IND, die niet structureel en niet voorspelbaar is. Het gaat ook om bestuurlijk falen. Het gaat om niet voldoende aansturen. Het gaat zelfs om systemen die niet met elkaar spreken. Het gaat om planningsproblemen. Je kunt dus zeggen dat heel veel problemen te maken hebben met het management van de organisatie, het aansturen van de organisatie en de financiering van de organisatie. Dat heeft weinig te maken met de rechtsbescherming van vluchtelingen. Dat punt wil ik heel centraal stellen in mijn betoog.
Dan het tweede punt. U zegt dat de instroom het probleem is, of het feit dat mensen kunnen procederen. Wij leven gelukkig nog steeds in een rechtsstaat. Als er in een rechtsstaat een besluit is, dan kun je daartegen in beroep gaan. Gelukkig is dat zo. Ik hoop dat dat ook zo blijft.
De heer Van Hattem (PVV):
In beroep gaan is wat anders dan eindeloos doorprocederen of allerlei andere haken aangrijpen, zoals die dwangsomprocedures en het extra inzetten van asieladvocatuur. De asieladvocatuur is ook gesubsidieerd en heeft er zelf ook belang bij om maar door te kunnen procederen. Zou daar niet gewoon paal en perk aan gesteld moeten worden? Kan dat juist niet zorgen voor een lagere druk bij de IND, zodat die ook gewoon zijn werk kan doen? Heeft iedereen er niet gewoon baat bij dat er daarin een slag wordt gemaakt? Dat heeft niks te maken met de rechtsstaat; dat heeft gewoon te maken met het op orde brengen van dit systeem.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat we wat dat betreft, als het gaat om de rechtsstaat, inderdaad verschillende begrippen hanteren. Het begrip "rechtsstaat" staat ook voor de rechten van burgers op het moment dat de overheid zelf een beslissing neemt die tekortschiet of niet volgens de regels is. Daar kan je tegen in beroep gaan. Dan kan er misschien ook een gerechtelijke dwangsom opgelegd worden. Een van die maatregelen was het afschaffen van de bestuurlijke en gerechtelijke dwangsom. U weet ook wat er gebeurd is met die gerechtelijke dwangsommen. Daarover is ook een uitspraak geweest: dat mag niet.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Maar als we het toch over de rechtsstaat hebben: er is natuurlijk wel zoiets als misbruik van het recht. Als we nu zien dat er tientallen miljoenen aan dwangsommen worden uitgekeerd, en dat er eigenlijk gewoon een soort van sport van wordt gemaakt om dit soort dwangsommen te kunnen innen, is het dan niet meer dan logisch dat men daar, in plaats van dit te laten voortduren, een keer paal en perk aan stelt? Want daar is toch niemand mee gediend? Dat geeft alleen maar onnodige druk voor de IND. Wie is ermee geholpen dat er zo veel extra druk op de IND wordt gelegd door zulk soort procedures in stand te houden, wat vanuit de gesubsidieerde asieladvocatuur en al die activistenclubjes wordt ingestoken?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geprobeerd om gewoon argumenten te geven. Ik had gehoopt dat het dan mogelijk zou zijn om met de heer Van Hattem het gesprek te voeren. Ik moet zeggen dat dit na zes jaar mijn eerste poging is geweest; dat geef ik ook toe. Ik moet ook zeggen dat ik echt teleurgesteld ben. Misschien was het ook gewoon ijdele hoop van mij om te denken dat zo'n gesprek mogelijk zou zijn. U blijft gewoon de riedel herhalen die u al jaren aan het vertellen bent. Maar nu zit de PVV aan de knoppen. En wat is er tot nu toe gebeurd? Niks. Niks! Ik zou dus zeggen: het zou echt goed zijn als u een toontje lager zou zingen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Oké. Zoals ik al zei, kan er eigenlijk maar één conclusie worden getrokken: dit wetsvoorstel lost de capaciteitsproblemen bij de IND niet op. Het vermindert het aantal beroepsprocedures niet, en het verlengt de wachttijden ook alleen maar, doordat er nog meer druk komt op de opvangcapaciteiten. De samenhang met andere aankomende wetsvoorstellen is niet goed te voorzien. Het voorstel pakt de oorzaken van de problemen bij de IND niet aan. Ook wordt de rechtsbescherming van vluchtelingen en hun gezinnen ernstig aangetast. Met het excuus van "spoedwetgeving", is er geen consultatie geweest en geen uitvoeringstoets uitgevoerd. Dat er tweeënhalf jaar tussen de aankondiging van dit wetsvoorstel en de behandeling van vandaag zit, toont aan dat de politieke wens van spoedwetgeving slechte wetgeving produceert. Kortom, haastige spoed is zelden goed.
Het moge duidelijk zijn dat mijn fractie niet voor deze wet zal stemmen. Mijn fractie hoopt dat een meerderheid van deze Kamer dit voorstel zal verwerpen en het belang van vluchtelingengezinnen en -kinderen zal laten prevaleren.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Schalk van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Ik heb een vraag aan mevrouw Karimi. Ze heeft uitvoerig betoogd waar de IND aan moet voldoen. Ze heeft ook betoogd dat het wel logisch is als er dwangsommen worden opgelegd als dit niet goed gaat enzovoorts. Ziet zij ook een taak voor degenen die als vluchteling in dit systeem terechtkomen? Ik heb bijvoorbeeld begrepen dat een op de vijf vluchtelingen of asielzoekers niet komt opdagen als die gehoord zou moeten worden. Dat gaat gewoon ten koste van 20% van de effectiviteit. Zou je ook iets moeten doen aan die kant van het spectrum?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is daar ook een motie over aangenomen in de Tweede Kamer.
De heer Schalk (SGP):
Zeker. Ik heb ook begrepen dat die motie daar niet ondersteund werd door de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Maar ik was benieuwd of dat hier misschien …
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ben u van plan om een motie in te dienen? Sorry.
De heer Schalk (SGP):
Ik ben niet van plan om een motie in te dienen. Ik ben gewoon heel benieuwd of mevrouw Karimi ook mee wil denken over de andere kant van het spectrum. We zitten met een enorm probleem. We kunnen zeggen: deze wetgeving willen we niet, omdat het daardoor allemaal nog drie maanden langer kan duren. Ik heb begrepen dat het dan om 18 maanden in plaats van om 21 maanden gaat. Maar kun je ook iets doen aan die andere kant?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb begrepen dat de reden waarom sommigen niet komen opdagen, te maken heeft met niet kúnnen komen opdagen, bijvoorbeeld omdat de uitnodiging niet bezorgd kan worden, omdat we mensen heel vaak van de ene naar de andere opvanglocatie laten verhuizen. Ik denk dus dat het belangrijk is om beter zicht te krijgen op de reden waarom mensen niet komen. Wat ik weet van de vluchtelingen — en geloof mij, ik spreek heel veel asielzoekers — is dat ze niks liever willen dan zo snel mogelijk gehoord worden, zodat ze hun verhaal kunnen vertellen en duidelijkheid krijgen over hun situatie. Dat is wat zij willen. Het is natuurlijk iets anders als iemand opzettelijk niet komt opdagen. Dan kan je daar iets tegen bedenken. Maar de overgrote meerderheid van de mensen wil graag zo snel mogelijk gehoord worden.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Ik denk dat ik vandaag niet met mevrouw Karimi moet gaan strijden over of deze mensen dat al dan niet opzettelijk doen. Ik weet wel dat het in de situatie waar we vandaag over spreken vooral gaat over mensen die al toestemming hebben om hier te verblijven. Dan ga ik ervan uit dat hun adres bekend is of dat ze die ergens achterlaten, zodat de oproep aan zou moeten komen. Als dat daar nu ook gebeurt, mag je toch ook een bepaalde plicht aan die kant leggen?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij zit het probleem van niet komen opdagen in de asielprocedure, en niet bij nareisverhalen. Bij een nareisverzoek geldt een andere procedure. Het probleem dat mensen soms niet komen opdagen, speelt bij de asielprocedure. Dat heeft grotendeels te maken met het grote aantal verhuizingen en verplaatsingen van de ene naar de andere opvanglocatie. Ik sluit ook niet uit dat derdelanders of sommige mensen die het gevoel hebben dat ze weinig kans hebben, misschien opzettelijk niet komen opdagen. Dat kan ik niet uitsluiten. Maar ik weet wel dat het grotendeels mensen zijn die niet komen opdagen als gevolg van de opvangproblemen die wij hebben.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik had begrepen dat u aan het eind van uw betoog bent. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Huizinga van de ChristenUnie.