Verslag van de vergadering van 25 maart 2025 (2024/2025 nr. 23)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 11.04 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Dank u wel, voorzitter. De domheid regeert. Dat is de titel van het boek van Sander Schimmelpenninck en eerlijk gezegd: als ik kijk naar hoe dit kabinet omgaat met het hoger onderwijs en de wetenschap, dan is die titel akelig raak. In zijn boek laat Schimmelpenninck zien hoe kortetermijndenken en populisme onze samenleving uithollen en dat is precies wat we nu zien gebeuren. Volt heeft echt heel goed gezocht, maar we hebben nergens kunnen ontdekken hoe Nederland beter wordt van deze rigoureuze, desastreuze bezuinigingen. Wat is de winst hiervan en wie wordt hier nou beter van? De gevolgen op de lange termijn voor het hoger onderwijs zijn groot: minder kennis, minder innovatie en minder weerbaarheid van Nederland. We vragen het nog maar eens: wat is het doel van deze bezuinigingen? Wat is het toekomstbeeld dat dit kabinet voor zich ziet?
Het is zeker niet altijd zo geweest dat het onderwijsbeleid werd gedreven door nationalisme, kortzichtigheid en bezuinigingsdrift. Nog niet zo lang geleden was dat totaal anders. In 1999 ondertekenden 29 Europese ministers van Onderwijs het Verdrag van Bologna. Dit verdrag was een mijlpaal in de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs. Het maakte het mogelijk dat studenten zich vrij konden bewegen binnen Europa, dat diploma's erkend werden en dat internationale samenwerking werd versterkt. Dit was een strategische zet om Europa als kenniscontinent op de kaart te zetten en Nederland heeft hier volop van geprofiteerd, evenals enkele senatoren onder ons. Onze universiteiten klommen in ranglijsten, ons onderzoek werd relevanter en onze economie groeide dankzij internationaal talent dat hier bleef wonen en werken.
Internationalisering van het hoger onderwijs werd jarenlang gezien als een kans en in de Strategische agenda hoger onderwijs 2021-2025 staat zelfs nog dat internationale studenten van toegevoegde waarde zijn voor ons onderwijs en de kenniseconomie. Toch is die koers drastisch gewijzigd. In een Kamerbrief van oktober stelt de minister dat het kabinet streeft naar een terugloop van internationale instroom, maar later in de beantwoording van schriftelijke vragen schrijft de minister dat minder Europese studenten geen doel op zich is. En dan vorige week nog zijn wens om internationale topwetenschappers naar Nederland te halen. Het wordt heel chaotisch allemaal. Ik vraag toch echt hoe de minister dit allemaal rijmt met de aangekondigde bezuinigingen. Hoe kan je enerzijds willen dat internationale toptalenten naar Nederland komen, terwijl we anderzijds de basisinfrastructuur van het hoger onderwijs wegbezuinigen? Hoe past het aantrekken van internationale toptalenten in de Wet internationalisering in balans, waarin staat dat Nederlands de voertaal moet zijn? Denkt deze minister dat de internationale topwetenschappers allemaal vloeiend Nederlands spreken?
De realiteit is dat universiteiten en hogescholen inmiddels reorganisaties doorvoeren. Contracten van onderzoekers, onderwijzers en onderwijsondersteunend personeel worden niet meer verlengd en er heerst grote onzekerheid en dan komt de minister met een fonds, waarvan overigens totaal onduidelijk hoe dat dan gevuld moet worden, om internationale topwetenschappers aan te trekken. Hoe rechtvaardigt de minister dit terwijl instellingen gedwongen worden om te bezuinigen? Deze aanpak schept verwarring en ondermijnt het vertrouwen in de overheid. Het gebrek aan consistentie, namelijk bezuinigingen op de brede basis, maar investeren in een selecte top, voedt het beeld dat wetenschap wordt ingezet voor politieke profilering in plaats van dat het gewaardeerd wordt om zijn maatschappelijke waarde.
Voorzitter. Dit kabinet lijkt te handelen uit angst voor het buitenland en heeft nostalgie naar een verleden dat nooit heeft bestaan. De afkeer van internationale studenten past in een bredere trend van xenofobie en kortetermijnpolitiek. Terwijl wordt gesproken over het beschermen van de Nederlandse taal en cultuur, is de realiteit dat Nederland altijd heeft gefloreerd in internationale handel, uitwisseling en innovatie. De Wet internationalisering in balans en de toets anderstalig onderwijs, die daarmee samenhangt, zijn via het amendement-Bontenbal ongewenst onderdeel geworden van deze begrotingsbehandeling. Daardoor spreken we nu in feite ook over een wet die nog in de Tweede Kamer ligt.
Toch kunnen we dat niet negeren, want de beperking van de internationale instroom vormt de basis voor de bezuinigingen die in deze begroting worden aangekondigd. Daarom wil ik toch enkele vragen stellen over die wet. Neem dat instrument, de toets anderstalig onderwijs. Die wordt generiek ingezet, terwijl de Raad van State adviseert dit alleen als ultimum remedium te gebruiken. Is de minister zich ervan bewust wat de administratieve last hiervan is voor de onderwijsinstellingen? Wie moet zo meteen deze toets gaan uitwerken? Een groot deel van het personeel op hogescholen en universiteiten zal er niet meer zijn door deze bezuinigingen.
Daarnaast raken deze maatregelen juist opleidingen die van nature internationaal zijn. Denk aan International Business Studies, Creative Business, Hotel Management, Logistiek en Supply Chain Management. Deze studies bereiden studenten voor op sectoren die draaien op internationale mobiliteit en samenwerking.
Voorzitter. Het hoger onderwijs functioneert allang niet meer binnen de nationale grenzen. In bijna elk vakgebied werken afgestudeerden in een internationale context. De illusie dat Nederland zich hiervan kan losmaken, schaadt ons onderwijs en onze toekomst. Waarom kiest de minister ervoor om internationale samenwerking af te breken, terwijl dat juist de kracht is van ons onderwijs? Hoe kan hij beweren dat dit beleid Nederland voorbereidt op de toekomst, terwijl vrijwel alle opleidingen gericht zijn op internationale kennis en de internationale arbeidsmarkt?
Het terugdringen van het aantal internationale studenten en rigoureuze bezuinigingen op onderzoek en innovatie hebben flinke gevolgen voor de lange termijn. Want wat betekent dit voor onze economie? Mario Draghi waarschuwde, in juli '24 in zijn rapport over de concurrentiepositie van Europa, ervoor dat zonder forse investeringen in onderzoek en innovatie Europa niet langer kan concurreren. We hoorden dat collega's hiervoor ook al zeggen. Waar we zien dat Duitsland en België wel fors investeren, doet Nederland dat niet, ondanks dat in het regeerprogramma 85 keer het woord "innovatie" voorkomt. Toch stevent Nederland met deze begroting juist af op een verschraling van het innovatieve vermogen. Hoe rijmt de minister deze bezuiniging met de ambitie om Nederland als kennisland te positioneren?
Voorzitter. Dit beleid heeft ook grote regionale consequenties, met name voor grensregio's waarin internationalisering niet slechts een luxe, maar een noodzaak is. Uit een rapport van onderzoeksbureau Panteia blijkt dat de economie in Limburg met bijna 1 miljard euro zal krimpen als alle bacheloropleidingen aan de Universiteit Maastricht en Zuyd Hogeschool volledig Nederlandstalig zouden moeten worden. Dat is niet zomaar een theoretisch risico. Dit raakt direct de universiteit en de hogeschool zelf. De regionale arbeidsmarkt, maar ook het mkb en de samenwerking met onze buurlanden worden hierdoor geraakt.
De minister lijkt deze impact te erkennen, maar hij biedt geen structurele oplossing. Sterker nog, de uitzondering die hij introduceert, de 25 kilometerregel, is volstrekt willekeurig en onvoldoende. Volgens deze 25 kilometerregel kunnen instellingen die zich binnen 25 kilometer van de taalgrens bevinden een uitzondering krijgen op strengere eisen voor anderstalig onderwijs. Maar waarom 25 kilometer en waarom de taalgrens? Op welke juridische en economische onderbouwing is deze afstand gebaseerd, vraag ik de minister. In de praktijk betekent deze regel dat de instellingen zoals de Universiteit Maastricht en Zuyd Hogeschool net wel in aanmerking komen, maar bijvoorbeeld HZ University of Applied Sciences en University College Roosevelt in Zeeland, die economisch sterk afhankelijk zijn van internationale studenten, worden uitgesloten. Wat Volt betreft is dit een arbitraire grens die geen rekening houdt met de economische verwevenheid van grensregio's en de realiteit van de arbeidsmarkt. Hoe gaat de minister voorkomen dat dit beleid leidt tot verdere economische stagnatie en demografische krimp in regio's die nu al onder druk staan?
Dan de bezuinigingen op de starters- en stimuleringsbeurzen. Hoe moeten deze onderzoekers hun onderzoek nu voortzetten? En hoe kunnen universiteiten nog vertrouwen hebben in langjarige afspraken met de overheid, nu die na amper drie jaar na het bestuursakkoord van 2022 zonder overleg worden ingetrokken? Hoe rechtmatig is het eigenlijk om als overheid eenzijdig dit bestuursakkoord open te breken, vraag ik de minister. Is de voorliggende begrotingsstaat wel rechtmatig? Daarnaast wordt ook de NWO-lerarenbeurs wegbezuinigd, een regeling die leraren de mogelijkheid gaf om promotieonderzoek te doen om zo hun didactische en inhoudelijke expertise te verdiepen. Juist in een tijd waarin de kwaliteit van het onderwijs onder druk staat en Nederland kampt met een lerarentekort, kiest deze minister ervoor om een van de weinige regelingen te schrappen die doorstroom en professionalisering van het onderwijs stimuleert. Hoe rijmt de minister deze bezuiniging met de ambitie om het onderwijs te versterken en te investeren in goedopgeleide leraren?
Voorzitter. Het is tijd om ons te realiseren dat bezuinigingen op onderzoek, wetenschap en innovatie gelijkstaan aan bezuinigingen op onze toekomst. Volt is niet de enige die zich zorgen maakt. Door het hele land vinden estafettestakingen plaats, waarbij docenten, onderzoekers, ondersteunend personeel en studenten samen optrekken tegen dit kabinetsbeleid. Deze acties zijn historisch. Niet eerder was het verzet tegen bezuinigingen zo breed gedragen als in het hoger onderwijs. Hogescholen en universiteiten steunen de protesten en medewerkers spreken openlijk hun zorgen uit. Als de mensen die dagelijks bouwen aan kennis en innovatie zich gedwongen voelen te staken, dan kan de minister dat signaal niet negeren. Hoe kan hij vasthouden aan bezuinigingen als de hele sector waarschuwt voor rampzalige gevolgen?
Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):
Ik wil graag even terugkomen op waar we het net over hadden, op die krimpregio's en de willekeur die de uitleg van het amendement-Bontenbal veroorzaakt. Ik neem aan dat u net als ik allerlei berichten krijgt over "hogeschool hier en hogeschool daar" en "waarom ik wel en ik niet". Ik deel de opvatting over het creëren van willekeur en chaos en mogelijk procedurele ongelijkheid. Mijn vraag is eigenlijk of u voorstelt om die krimpregio's wat te verruimen zodat er meer scholen onder vallen of dat u ook bezwaar heeft tegen de regeling van de krimpregio's überhaupt, omdat datgene wat zij niet hoeven te realiseren er natuurlijk bij andere instellingen bij wordt opgeteld. Ik benieuwd hoe de fractie van Volt daarnaar kijkt.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ik ben helemaal niet blij met hoe dat is opgenomen in het amendement-Bontenbal. Volt is ook helemaal niet blij met de Wet internationalisering in balans. Hoger onderwijs floreert juist op internationale samenwerking, in krimpregio's, maar ook daarbuiten, dus wat Volt betreft zou daar helemaal niet zo'n onderscheid in gemaakt moeten worden en moeten we helemaal niet zo angstig zijn over die internationalisering in het hoger onderwijs. Onderzoek en wetenschap en ook investeringen in onderwijs kunnen alleen als je internationaal samenwerkt.
Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):
Begrijp ik het dus goed dat u liever dat amendement helemaal niet had gehad of die inperking van die gelden, die weer ten koste gaat van andere onderwijsinstellingen? Heb ik dat zo goed begrepen?
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja. Ik ben het met collega Roovers eens dat er überhaupt niet bezuinigd had moeten worden op het hoger onderwijs. Want als wij onze samenleving verder willen ontwikkelen en de kwaliteit van onderwijs willen verbeteren, moeten we zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor onderzoek en innovatie zodat we op innovatief gebied verder kunnen komen, maar ook dat de kwaliteit van onderwijs gegarandeerd blijft.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Roovers.
Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):
Sorry, ik bedoelde het net iets anders. Ik was niet scherp genoeg. Ik bedoel dat de vrijstelling van de ene instelling opgeteld wordt bij de taakstelling van de andere. Vindt u dat een goed systeem of zegt u: daar ben ik eigenlijk op tegen?
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Perin-Gopie.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja, sorry. Ik ben daar helemaal op tegen. Het kan niet zo zijn dat bijvoorbeeld de Universiteit van Amsterdam nog meer moet gaan bezuinigen omdat we een andere instellingen een uitzondering geven met deze regeling.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Voorzitter. Er is iets fundamentelers aan de hand: het verdwijnen van specifieke studies. Door de bezuinigingen worden instellingen gedwongen om halsoverkop keuzes te maken in hun studieaanbod. Vooral opleidingen met internationale en kritische oriëntatie staan onder druk, mede door de politieke toon en de Wet internationalisering in balans. Instellingen en studenten vragen zich af of deze studies nog wel toekomst hebben. Neem bijvoorbeeld mediastudies. In een samenleving die wordt gevormd door digitale platformen, algoritmes en massacommunicatie is kritisch inzicht in de werking van media en macht essentieel. Bij mediastudies leren studenten niet alleen om technologische ontwikkelingen te begrijpen, maar ook de ethische, culturele en politieke gevolgen te analyseren. Toch verliezen deze opleidingen terrein onder druk van een economisch rendementsdenken waarin toepasbaarheid centraal staat. Daarmee dreigt het onderwijs zijn democratische functie te verliezen: het vormen van kritische burgers die bijdragen aan een rechtvaardige samenleving. Wat doet de minister om deze studies te behouden?
Ook genderstudies staan onder druk. Terwijl dit vakgebied wereldwijd groeit en Nederland hierin lange tijd voorloper was, wordt het nu gemarginaliseerd. Juist nu discussies over ongelijkheid en rechtvaardigheid steeds urgenter zijn, is de maatschappelijke waarde van deze studies groot. In landen als de Verenigde Staten en Hongarije zien we dat deze studies worden weggezet als woke en zelfs worden verboden. Dreigt hier hetzelfde te gebeuren, vraag ik de minister. Kan de minister garanderen dat mediastudies en genderstudies bestaansrecht houden? Of zien we een sluipende politieke inmenging in de academische vrijheid? Realiseert de minister zich dat het verdwijnen van deze studies een verarming betekent voor onze democratische rechtsstaat?
Voorzitter. Als we in Europa om ons heen kijken, zien we dat verschillende landen juist bewust investeren in internationalisering in het hoger onderwijs — niet als luxe maar als noodzaak voor economische groei, om vergrijzing tegen te gaan en met het oog op toekomstbestendigheid. Denemarken, bijvoorbeeld, een land dat een groot voorbeeld is voor minister Faber, heeft eerder ingevoerde beperkingen op internationale studenten teruggedraaid omdat de economische schade van de maatregel simpelweg te groot was. In Denemarken kwamen ze erachter dat internationale studenten erg waardevolle krachten op de arbeidsmarkt zijn. Iedereen die werkt, draagt daar namelijk bij aan de staatskas, zowel direct als indirect via het bevorderen van wetenschap, innovatie en bedrijvigheid. In Nederland is dat precies hetzelfde: deze mensen dragen bij aan de staatskas.
Italië, met een regering waar deze regering zich ook graag aan spiegelt, gaat nog een stap verder dan Denemarken en zet actief in op het aantrekken van internationale studenten als strategie om de gevolgen van demografische krimp en vergrijzing op te vangen. De redenering daar is helder: wie nu jonge mensen aantrekt, bouwt aan de veerkrachtige samenleving van de toekomst. Ook Oostenrijk kiest voor die koers. Het land ziet een bewuste toename van internationale studenten, met name in masteropleidingen, als een manier om talent aan te trekken en de kenniseconomie te versterken. Daar wordt internationalisering gezien als investering in de toekomst.
En Nederland? Hier zien we een precies omgekeerde trend. De instroom van Nederlandse studenten in bacheloropleidingen daalt en tegelijkertijd stagneert de instroom van internationale studenten, en dat terwijl de bezuinigingen op het hoger onderwijs en de Wet internationalisering in balans nog niet eens volledig zijn ingevoerd. De trend is duidelijk: minder studenten, minder talent en minder investering in kennis. Daarmee zetten we onszelf buitenspel in een wereldwijde concurrentiestrijd om kennis, innovatie en jong talent.
Dit roept veel vragen op bij mijn fractie. Wat doet de minister om deze ontwikkeling te keren? Hoe is dit beleid te rijmen met de Europese realiteit waarin andere landen zich juist voorbereiden op de toekomst door te investeren in internationalisering? Belangrijker nog: wat is de langetermijnvisie van dit kabinet op het hoger onderwijs in een wereld die steeds meer afhankelijk is van Europese samenwerking, mobiliteit en kennisdeling? Daarom vraag ik nogmaals hoe de minister dit beleid rechtvaardigt in een Europa dat juist inzet op het versterken van Europese banden. Kan de minister beweren dat het goed is voor Nederland als onze regio's, onze economie en ons onderwijs hierdoor achteruitgaan?
Voorzitter. We kunnen ons deze koers niet veroorloven. Kennis is de enige echte motor van vooruitgang. Bezuinigen op kennis en innovatie is niet alleen kortzichtig, het is een vorm van economische zelfdestructie. Volt zal zich hiertegen blijven verzetten. Als laatste wil ik nog opmerken dat er onduidelijkheid is ontstaan over de vraag wat de consequenties zijn als een begrotingsstaat wordt weggestemd door de Eerste Kamer. Volt heeft de regering hierover bevraagd in de eerste schriftelijke vragenronde over deze begrotingsstaten. Wat gebeurt er als niet wordt ingestemd met deze wet? Daarop kwam een reactie van de regering. Ik citeer: "Doordat de uitgaven en verplichtingen niet meer met een begrotingswet geautoriseerd zijn door het parlement, leidt dit tot forse begrotingsonrechtmatigheden, gelet op de eisen die de Comptabiliteitswet stelt."
Voorzitter. Maar het kan toch niet waar zijn dat wij als Eerste Kamer niet de democratische ruimte hebben om een wet weg te stemmen? Volt is dan ook erg benieuwd wat de Raad van State hierover te zeggen heeft. Vanmiddag zullen we stemmen over het verzenden van een verzoek tot inlichting aan de Raad van State. Volt gaat ervan uit dat een meerderheid van deze Kamer voor het verzenden van dat inlichtingsverzoek zal stemmen, zodat we duidelijkheid krijgen over wat de consequenties zijn als de begrotingsstaten door de Eerste Kamer worden weggestemd. Het lijkt ons niet meer dan logisch dat we de reactie van de Raad van State afwachten, voordat we zullen stemmen over de begrotingsstaten van OCW, zodat alle fracties op basis van volledige informatie en kennis een weloverwogen stem kunnen uitbrengen. Ik overweeg hiervoor een motie of een ordeverzoek in te dienen.
De voorzitter:
Ik zie dat u bijna klaar bent.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja.
De voorzitter:
Maakt u het af.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja? Dan komt er een mooie, spannende slotzin: tot zover; ik ben erg benieuwd naar de beantwoording van de bewindspersonen.
(Hilariteit)
De voorzitter:
Dat was even een cliffhanger, maar we hebben het overleefd. De heer Van Meenen namens D66.
De heer Van Meenen i (D66):
Helemaal eens met dat voorlichtingsverzoek, maar dat gaat dus over de gevolgen van het verwerpen van een begroting. Ik neem aan dat de fractie van Volt het met mij eens is dat de gevolgen van het aannemen van een begroting soms nog veel ernstiger kunnen zijn dan de gevolgen van het verwerpen ervan.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
Ja, we weten hoe destraseus, destra … Nou ja.
De voorzitter:
Desastreus.
Mevrouw Perin-Gopie (Volt):
… hoe verschrikkelijk het is als we deze wet aannemen. Ik ben heel erg benieuwd naar wat de Raad van State zegt over wat er gebeurt door het verwerpen. Vooral eigenlijk om de fracties die nu de verantwoordelijkheid voelen om voor te stemmen, het comfort te geven dat zij misschien nodig hebben om tegen te stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Perin-Gopie. Dan is het woord aan de heer Van Apeldoorn namens de SP.