Plenair Van Rooijen bij behandeling Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025



Verslag van de vergadering van 25 maart 2025 (2024/2025 nr. 23)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 10.47 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Voorzitter. Ik heet de minister en de staatssecretaris welkom in de Eerste Kamer. Minister Bruins en ik kennen elkaar nog uit de Tweede Kamer, in woelige tijden, waarover straks misschien nog meer.

Ondanks dat het niet direct onze achterban betreft, heeft 50PLUS absoluut oog voor de belangen van de jeugd. Onze fractie heeft destijds samen met andere fracties in dit huis gestreden voor de pechgeneratie van studenten die zijn opgezadeld met torenhoge studieschulden. Alleen daaruit blijkt al dat ook de visie van mijn fractie is dat de jeugd de toekomst heeft en dat wij moeten zorgen voor onze kinderen en kleinkinderen, zo zei ik tegen minister Kamp in 2012.

Voorzitter. Onderdeel van toekomst en groei betreft onder andere onderwijs. Vandaag hebben we het over de begroting OCW en de aangekondigde bezuinigingen daarop van ruim een half miljard. Eerste Kamerleden ontvingen een brief de dato 18 maart jongstleden van Universiteiten van Nederland die begint met: "Het kabinet-Schoof bezuinigt fors op universiteiten en wetenschap, juist in een tijd dat Nederland en Europa weer op eigen benen moeten gaan staan, nu de geopolitieke spanningen razendsnel oplopen. Hoe blijven we veilig en weerbaar?"

Hoe waar zijn die laatste zinnen? Er moet structureel veel meer geld naar Defensie in verband met onze nationale en Europese veiligheid, juist vanwege bovenstaand citaat. Helaas, "magisch geld" bestaat niet, dus moet noodgedwongen ook op andere terreinen bezuinigd worden. Dit raakt de begroting van OCW, net als andere begrotingen zoals de afgelopen weken is gebleken bij Landbouw, bij Ontwikkelingssamenwerking en bij Asiel. Mijn fractie vraagt zich af wat precies onder een bezuiniging wordt verstaan, want vaak betekent dat niet dat de geldkraan wordt dichtgedraaid, maar dat er in verhouding met voorgaande jaren niet meer geld bij komt voor een bepaalde portefeuille of bepaald project. Iedereen is er zo gewend aan geraakt dat steeds meer geld voor hetzelfde doel moet worden vrijgemaakt dat wanneer de subsidie nominaal gelijk blijft in vergelijking met een voorgaande periode, dat ook bestempeld wordt als een bezuiniging.

Twee kabinetten-Rutte, III en IV, hebben tezamen 20 miljard euro aan de begroting van Onderwijs toegevoegd. Dat is een stijging met maar liefst 60% over zeven begrotingsjaren. Dan zouden we toch nu, na zeven jaar investeren, met genoegen uitkijken naar de laatste cijfers over de verbeterde leesvaardigheid, schrijfvaardigheid en rekenvaardigheid van Nederlandse schoolkinderen. Maar zo is het niet gegaan. De prestaties zijn op belangrijke punten juist ernstig verslechterd. Als je 20 miljard per jaar extra nodig hebt om de prestaties te laten dalen, hoeveel heb je dan nodig om verbeteringen aan te brengen? 40 miljard? 60 miljard? Dit kan echt niet.

Het is onontkoombaar dat er binnen de begroting van OCW heel precies wordt gekeken naar wat werkt en wat niet werkt. 50PLUS wil de begroting niet verlagen. Integendeel, maar beleidsinitiatieven die geen kwalitatieve verbetering brengen, moeten worden geschrapt. Dus een kritische evaluatie van het gevoerde beleid van de afgelopen jaren is nodig en niet een vage omarming van geld als het panacee voor goed onderwijs. Ik wil de minister concreet vragen met hoeveel de onderwijsbegroting gestegen zou zijn als sinds 2017 de inflatie was gevolgd, want dat deel van de stijging was niet beschikbaar voor kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs. Het deel daarboven was wel beschikbaar voor kwaliteitsverbeteringen en dat is, zo vermoed ik, nog steeds een miljardenbedrag. Deelt de minister de opvatting van mijn fractie dat er te weinig rendement uit deze investeringen is gehaald? In dat verband is het ook noemenswaardig dat veel onderwijsinitiatieven en -projecten menskracht wegtrekken van het primaire onderwijsproces. 50PLUS vindt het verdacht als het aandeel niet-onderwijzend personeel en externen zowel op de scholen als bij gemeenten en het Rijk blijft toenemen — daar komt-ie — ten opzichte van het aantal leraren dat daadwerkelijk voor de klas staat. Kan de minister toezeggen dat deze verhouding onder zijn bewind eindelijk weer de goede kant opgaat: meer leraren in de klas en niet mensen daarbuiten?

Mijn fractie zoomt in op een paar onderdelen uit de begroting die veel stof hebben doen opwaaien, zo veel stof dat de term "bezuiniging" thans in verband wordt gebracht met inbreuk op rechtmatigheid en strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het inbreuk maken op het vertrouwensbeginsel. Het gaat over de zogenaamde "bestuursakkoorden" die mede relevant zijn voor de bekostiging van het hoger onderwijs. Professor Schlössels beschouwt deze bestuursakkoorden als overeenkomsten tussen partijen waarbij over en weer verplichtingen worden aangegaan, onder andere over de bekostiging en over het aanwenden van diverse intensiveringsgelden in het hoger onderwijs. Daaraan koppelt hij dat door de gesloten bestuursakkoorden vertrouwen is gewekt over de beschikbaarheid van gelden voor het wetenschappelijk en hoger onderwijs en dat één partij, in casu het kabinet, daar niet eenzijdig op terug kan komen zonder dat het vertrouwensbeginsel wordt geschaad. Tevens stelt hij bezuinigingen en/of andere prioritering van middelen zeker legitiem kunnen zijn, maar dat de gevolgen ervan niet onevenredig nadelig mogen zijn.

50PLUS kan zich met dit gedachtegoed in grote lijnen verenigen. De intentie is dat reeds aangegane verplichtingen in de vorm van vaste dienstverbanden ten aanzien van docenten en onderzoekers onverkort moeten worden nagekomen. Dat is voor mijn fractie een absoluut uitgangspunt. Anders is dat in de optiek van 50PLUS een onevenredige benadeling van deze groep werknemers. De minister geeft in de nota naar aanleiding van het verslag aan dat juist vanwege deze verplichtingen aan docenten en onderzoekers ervoor gekozen is om de sectorplannen te behouden, zodat vaste banen voor wetenschappers niet in gevaar komen. Kan de minister toezeggen dat vaste dienstverbanden inderdaad gecontinueerd worden en er geen ontslaggolf ontstaat vanwege aangekondigde bezuinigingen?

In dezelfde nota erkent de minister dat de bezuinigingen ten koste gaan van de zogenaamde startersbeurzen waarvan in de loop van 2022 toekenning begon voor 105 onderzoekers. In 2023 waren dat er al 734. Dat is in slechts één jaar zeven maal zoveel. Dat bedoelde ik met hetgeen ik eerder naar voren bracht: als je in één jaar tijd een zevenvoud ten opzichte van het voorgaande jaar aan startersbeurzen verstrekt en die trend zich voortzet, dan heeft dat enorme gevolgen voor de toekomst.

De heer Van Meenen i (D66):

Over de gevolgen en de resultaten van de investeringen in het basis- en het voortgezet onderwijs spreek ik graag een keer met u. Dat kan ook nu. Het is wel wrang dat precies op de punten die u noemt — het verbeteren van schrijven, rekenen, het terugdringen van het lerarentekort — de eerste resultaten juist zichtbaar worden. Precies op dat moment gaan we het niet meer doen. Gelukkig heeft een deel van de oppositie een aantal van deze bezuinigingen gemitigeerd, om het zo te zeggen, maar dat is een verhaal apart. Het hoofddebat van dit moment gaat over het hoger onderwijs en wat daar gebeurt; inderdaad, wat professor Schlössels zegt. Natuurlijk, u kunt de minister om de toezegging vragen dat er geen ontslagen plaatsvinden, maar die vinden al plaats. Het gebeurt al, overal: in Tilburg, in Twente, waar belangrijk onderzoek naar parkinson is stilgezet. Het gebeurt in Nijmegen. Het gebeurt op hogescholen. Het is dus al gaande. Dat is de ene kant. Het niet meer verstrekken van startersbeurzen … Die investering van 2021 had een heel belangrijk argument, namelijk dat al jaren duidelijk was dat er op de universiteiten sprake was van een enorme werkdruk en dat er gewoon meer wetenschappers nodig waren om al dat werk te doen dat we in Nederland gedaan willen hebben.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Van Meenen (D66):

Dat stopt nu. De gevolgen van dit beleid, ook voor zittende mensen, zijn enorm groot. Mijn vraag aan de heer Van Meenen is of hij zich dat realiseert. Hij geeft hij hier aantal … Ik zou haast zeggen, hij zoekt sluipweggetjes, muizengaatjes om uiteindelijk toch voor deze begroting te kunnen stemmen. Maar toen ik hem bij de Algemene Beschouwingen vroeg naar, en hem een motie voorhield over de onrechtmatigheid …

De voorzitter:

Meneer Van Meenen, dit wordt een te lange interruptie. Wilt u afronden?

De heer Van Meenen (D66):

Sorry. Ik spreek ook namens OPNL, dat scheelt misschien.

(Hilariteit)

De voorzitter:

Nee, dat scheelt helemaal niks. Er wordt hier niet onderhandeld over interrupties.

(Hilariteit)

De heer Van Meenen (D66):

Nu komt de vraag. De heer Van Rooijen was heel duidelijk. Hij wilde dat niet. Hij heeft de motie niet ondertekend, maar hij steunde 'm van harte als die in stemming zou komen. Hoe kan het dat hij zo is gedraaid? Wat is er met hem gebeurd?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Nou eigenlijk niks. In een eerder debat — de voorzitter weet dat nog wel — kreeg ik ook in één vraag eigenlijk drie heel verschillende vragen. Vervolgens vroeg ik voor de kijker of ieder van deze vragen herhaald kon worden. Ik wil dat nu weer doen. Overigens ken ik ze allemaal uit mijn hoofd, net als de vorige keer, trouwens. Het wordt een beetje veel. In de eerste plaats het lager onderwijs. Mijn vader was leraar. Mijn grootvader was leraar wiskunde in Haarlem. Broers en zussen van mijn vader en moeder: allemaal in het onderwijs. Ik kom uit een onderwijsfamilie. Mij gaat het lager onderwijs aan het hart, net als u overigens. Ik heb erop willen wijzen dat in de begrotingen van de afgelopen tijd heel veel geld naar het onderwijs is gegaan; 20 miljard, 60%. Dat is natuurlijk hard nodig geweest. Ik heb willen aangeven over de kwaliteit … Ik heb drie vaardigheden genoemd die onder grote druk staan. Mijn vraag is eigenlijk: moet niet veel meer prioriteit worden gegeven aan het laten geven van beter onderwijs in de klassen; meer onderwijzers, meer uren? Moeten we er niet voor zorgen dat dit in de begrotingen en in de besteding van de begrotingen — daar gaan de scholen natuurlijk over — ook daadwerkelijk gebeurt? Mijn vrees is dat te veel geld naar externen, ondersteunende diensten en gebouwen gaat, en niet naar de leerlingen in de klas en de onderwijzers. Dat was mijn boodschap van zojuist. Daar zijn we het toch over eens, denk ik. Dat was uw eerste vraag.

De voorzitter:

Kort nog, meneer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Daar zijn we het volledig over eens. Maar het is de verkeerde weg om alvast te gaan bezuinigen, met dat voor ogen. Want dan gaat het over de manier waarop we het onderwijs bekostigen. Dan gaat het over het hele besturingsmodel. Daarbij staan we volledig aan dezelfde kant. Maar dan moet je dat wel eerst veranderen, want anders blijf je de verkeerde kant op gaan. Dus we zijn het eens. Als wij samen het initiatief kunnen nemen om hier eens een keer te gaan onderzoeken hoe je dat model kunt veranderen en alle perverse prikkels eruit kunt halen, dan bent u mijn man en gaan we dat doen. Maar dat ligt nu niet voor. Wat voorligt, is: zullen we alvast beginnen met bezuinigen omdat er hier en daar echt wel een euro efficiënter is uit te geven en misschien nog wel veel meer? Dat vind ik. Dat vindt u.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik ga graag op de uitnodiging van collega Van Meenen in over het lager onderwijs. Uw tweede vraag ging over het wetenschappelijk onderwijs. Ik kom nog terug op de startersregeling in het vervolg van mijn betoog. Daar was ik net mee begonnen. Als u het goedvindt, wil ik dat eerst eventjes afronden en dan bekijken of u nog een vraag heeft. Is dat goed?

De voorzitter:

Dat vind ik goed.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ik kijk even waar ik gebleven was.

De voorzitter:

Ik ga eerst mevrouw Roovers nog de kans geven om namens GroenLinks-PvdA een korte vraag aan u te stellen.

Mevrouw Roovers i (GroenLinks-PvdA):

Ik wil even terugkomen op wat u zei. U wilt van de minister de toezegging of de garantie dat er geen ontslagen vallen. Nu heeft de heer Van Meenen terecht aangegeven dat die al gevallen zijn. U vergat het Roosevelt College in Middelburg nog even in de opsomming, maar er worden overal al mensen ontslagen. Ik ken de heer Van Rooijen als een ervaren politicus. U zit al lang in het vak, dus u weet wat u vraagt aan de minister. Stel nou dat hij die vraag met nee beantwoordt en niet garandeert dat er geen ontslagen vallen. Wat betekent dat voor uw afweging?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Dat is een eminente vraag. Ik wacht het antwoord van de minister in eerste termijn af. Maar afhankelijk van het antwoord van de minister in tweede termijn zal ik een definitief oordeel bepalen. Ik heb hem gevraagd om een toezegging. Dat is denk ik, afgezien van moties, het zwaarste wat je hier in deze Kamer kan vragen. Mijn fractie vindt echt dat er geen ontslagen mogen vallen.

Mevrouw Roovers (GroenLinks-PvdA):

Dan ga ik met belangstelling naar het antwoord van de minister luisteren, want ik ondersteun die vraag van harte.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Ik wees even op het zevenvoud: de stijging in één jaar van 105 onderzoekers naar 734. Dat is zeven maal zoveel. Bij het stopzetten van de starters- en stimuleringsbeurzen is een termijn van drie maanden in acht genomen, zodat volgens de minister de universiteiten voldoende gelegenheid hadden om zich op deze stopzetting voor te bereiden. Deze termijn wordt door meerdere fracties, waaronder die van 50PLUS, wel als erg kort beschouwd om adequaat te kunnen inspelen op mogelijk reeds aangegane verplichtingen. Waarom niet een redelijkere termijn van zes maanden, zo vraag ik de minister. Graag een duidelijk antwoord.

In het derde verslag meent de minister dat de universiteiten het jaarlijks budget van 78 miljoen tot en met '31 ten behoeve van verlaging van de werkdruk, ook kunnen aanwenden voor de reeds bestaande verplichtingen voortkomend uit de starters- en stimuleringsbeurzen. Maar, zo vraagt mijn fractie aan de minister, dan neemt de werkdruk bij universitair docenten toch toe? Als je iets uit het ene potje haalt ten behoeve van het andere potje, dan verplaats je toch het probleem? Dat is het waterbedeffect. Kan de minister hierop reageren?

In de schriftelijke rondes zijn al vragen gesteld over het rapport van de heer Draghi, waarin een doelstelling van 3% wordt bepleit als investering in kennis en wetenschap, hetgeen volgens hem noodzakelijk is om het concurrentievermogen van Europa op peil te houden. Het antwoord van de minister in het derde verslag roept bij mijn fractie de volgende vragen op. Mogelijk zal er in de toekomst "ook weer meer ruimte zijn voor investeringen", maar hoe weet de minister dit? Is dat een aanname of een verwachting en, zo ja, waarop is die dan gebaseerd? Vervolgens stelt de minister dat met de huidige beschikbare middelen de gestelde ambities op de OCW-terreinen realiseerbaar zijn. Op welke ambities doelt de minister? Kan hij deze toelichten met voorbeelden?

Voorzitter. 50PLUS heeft nog een vraag over de extra inzet voor het aantrekken van buitenlandse wetenschappers. Waarom wordt daar een speciaal fonds voor opgericht? Hoe wordt dat fonds gevuld? Waar wordt dat aan besteed? Waarmee denkt de minister deze internationale topwetenschappers over te halen om in Nederland werkzaam te zijn? Hoe is dat te rijmen met de afbouw van in te zetten Nederlandse wetenschappers bij de universiteiten? Als het ministerie van OCW wel financiële middelen heeft om wetenschappers van elders aan te trekken, is het toch onverkoopbaar en wrang dat die middelen niet worden aangewend voor onze eigen wetenschappers? Kan de minister hiervoor een verklaring geven?

Voorzitter. Ik ken de minister uit 2018 van het debat over de afschaffing van de dividendbelasting. Hij sprak toen de legendarische woorden: dat wordt een hele meloen om door te slikken. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze nu al legendarische uitspraak was uitgevonden door de heer Grinwis, nu Tweede Kamerlid.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Rooijen. Dan is het woord aan mevrouw Perin-Gopie namens Volt.