E210013
Laatste revisie: 24-09-2021

E210013 - Voorstel voor een verordening betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten



Voortbouwend op de kernbeginselen van de richtlijn inzake elektronische handel, die nog steeds geldig zijn, wordt met dit voorstelPDF-document beoogd de beste voorwaarden te scheppen voor de verlening van innovatieve digitale diensten op de interne markt, bij te dragen tot de onlineveiligheid en de bescherming van de grondrechten, en een robuuste en duurzame governancestructuur op te zetten voor een doeltreffend toezicht op aanbieders van tussenhandelsdiensten.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in commissie Eerste Kamer.

nationaal

Op 17 september 2021 stuurde de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat een antwoord op de brief met vragen van 9 juni 2021. Op 23 september 2021 werd het verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld (EK, C). De commissies bespreken dit op 28 september 2021.

Europees

Tijdens de JBZ-Raad van 7-8 juni 2021 vond een beleidsdebat plaats over de bestrijding van illegale content in het kader van de wet digitale diensten. Nederland riep op tot het actiever stimuleren van hostingproviders en online platformen om illegale content tegen te gaan, bijvoorbeeld door het opnemen van een zorgplicht (32.317, MF).


Kerngegevens

volledige titel

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (wet inzake digitale diensten) en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG

document Europese Commissie

COM(2020)825PDF-document, d.d. 15 december 2020

rechtsgrondslag

Artikel 114 VWEU

commissies Eerste Kamer

beleidsterreinen


Behandeling Eerste Kamer

Op 17 september 2021 stuurde de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat een antwoord op de brief met vragen van 9 juni 2021. Op 23 september 2021 werd het verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld (EK, C). De commissies bespreken dit op 28 september 2021.

Op 14 september 2021 namen de commissies het antwoord van de Europese Commissie voor kennisgeving aan.

Op 10 augustus 2021 stuurde de Europese Commissie een antwoord (EK, B) op de brief met vragen van 15 juni 2021.

Op 9 juli 2021 stuurde de staatssecretaris van EZK een brief aan de Kamer waarin zij aangeeft de vragen van 9 juni 2021 niet binnen de gestelde termijn te kunnen beantwoorden. De staatssecretaris streeft ernaar de antwoorden uiterlijk kort na afloop van het zomerreces aan de Kamer te verzenden.

Op 15 juni 2021 is de brief met vragen (EK, A) verstuurd aan de Europese Commissie in het kader van de politieke dialoog.

Op 9 juni 2021 is de brief met vragen verstuurd aan de minister van Economische Zaken en Klimaat.

Op 1 juni 2021 leverde de fractie van GroenLinks inbreng voor schriftelijk overleg.

Op 20 april 2021 besloten de commissies het voorstel in behandeling te nemen en om op 1 juni 2021 gelegenheid te geven voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg.

Op 30 maart 2021 verzocht de fractie van GroenLinks het BNC-fiche voor de volgende commissievergadering te agenderen.


Behandeling Tweede Kamer

Op 7 oktober 2021 voert de commissie DiZa een gesprek met Eurocommissaris Vestager over de wet digitale diensten, de wet digitale markten en het voorstel voor een Verordening over kunstmatige intelligentie.

Op 7 juli 2021 besprak de commissie DiZa de invulling van het mandaat van de rapporteurs voor de voorstellen inzake digitale diensten en digitale markten. De Leden Rajkowski (VVD) en Van Ginneken (D66) zijn aangesteld als rapporteurs.

Op 16 juni 2021 stuurde de staatssecretaris van EZK de beantwoording van het tweede gedeelte van de vragen gesteld in het schriftelijk overleg van 18 mei 2021. De commissie besloot op 23 juni 2021 het verslag schriftelijk overleg (22.112, 3141) desgewenst te betrekken bij het gesprek met Eurocommissaris Vestager op 7 oktober 2021.

Op 9 juni 2021 besloot de commissie DiZa het verslag schriftelijk overleg van 28 mei 2021 aan te houden tot de beantwoording van de resterende vragen ontvangen is.

Op 3 juni stuurde de commissie J&V een brief met vragen aan de ministers van J&V en voor Rechtsbescherming naar aanleiding van de JBZ-raad van 7-8 juni 2021. Op 8 juni 2021 werd het verslag schriftelijk overleg vastgesteld (32.317, 687). De commissie vroeg onder meer hoe de bestrijding van illegale content online in de context van de wet digitale diensten zich verhoudt tot de aanpak van terroristische en kinderpornografische content. De minister antwoordt dat een autoriteit wordt opgericht om de verspreiding van deze content tegen te gaan.

Op 25 mei 2021 voerden de commissies EZK, EUZA, OCW en DiZa een commissiedebat met de minister van OCW en de staatssecretaris van EZK. Het verslag werd op 10 juni 2021 vastgesteld (21.501-30, 534). Tijdens het debat vroeg een van de Leden naar het krachtenveld in de Raad. De staatssecretaris gaf aan hier nog geen antwoord op te hebben. Verder gaf zij aan op hoofdlijnen positief te zijn over het voorstel. Wel kan volgens de staatssecretaris nog bekeken worden of het voorstel ondernemingen voldoende stimuleert om hun verantwoordelijkheid te nemen.

Op 21 mei 2021 stuurde de staatssecretaris van EZK een brief (22.112, 3118) aan de Tweede Kamer waarin zij aangeeft de vragen niet binnen de gestelde termijn te kunnen beantwoorden. De staatssecretaris streeft ernaar de beantwoording voor de Raad Concurrentievermogen aan de Kamer te sturen. Op 26 mei 2021 stuurde de staatssecretaris een antwoord. Op 28 mei 2021 werd het verslag schriftelijk overleg vastgesteld (22.112, 3116).

Op 19 mei 2021 stuurde de commissie digitale zaken een brief met vragen en opmerkingen naar aanleiding van het BNC-fiche aan de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat.

Op 17 mei 2021 wees de commissie DiZa de leden Rajkowski (VVD) en Van Ginneken (D66) aan als rapporteur.

Op 12 mei 2021 nam de commissie DiZa het voortouw over van de commissie EZK. De commissie besloot om op 18 mei 2021 inbreng te leveren voor schriftelijk overleg en het kabinet te verzoeken de vragen uiterlijk 25 mei 2021 te beantwoorden. Daarnaast besloot de commissie Eurocommissaris Vestager uit te nodigen voor een gesprek over de voorstellen betreffende de wet digitale diensten en de wet digitale markten.


Standpunt Nederlandse regering

Op 12 februari 2021 ontving de Kamer een BNC-fiche horende bij het voorstel.

De verwachting van het kabinet is dat de meeste lidstaten op hoofdlijnen positief zijn over het voorstel. Wel geeft het kabinet aan dat er nog veel vragen zijn over bijvoorbeeld de reikwijdte en rol van nationale toezichthouders. Ook het Europees parlement lijkt positief over het voorstel.

Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. De voorgestelde rechtsgrondslag is artikel 114 VWEU. Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen inzake de harmonisatie van nationale wetgeving die de instelling en de goede werking van de interne markt betreffen. Het kabinet acht dit de juiste rechtsgrondslag. Het voorstel draagt volgens het kabinet bij aan het goed functioneren van de digitale interne markt, omdat het naar inziens van het kabinet fragmentatie in regelgeving tussen lidstaten tegengaat en voorkomt en grensoverschrijdend handelen bevordert. Hierbij geeft het kabinet aan dat op grond van artikel 4, tweede lid, onder a, VWEU de EU en de lidstaten en gedeelde bevoegdheid hebben op het gebied van de interne markt.

Het kabinet beoordeelt de subsidiariteit ook als positief. Hierbij geeft het kabinet aan dat veel van de grote poortwachtersplatforms actief zijn in de hele EU. Dit maakt naar mening van het kabinet dat alleen effectief kan worden opgetreden op EU-niveau met Europees toezicht en dat is ook één van de uitgangspunten in de kabinetsinzet. Nationale regelgeving om de problemen door de marktpositie van een aantal grote platforms die in de hele EU actief zijn aan te pakken is naar mening van het kabinet onvoldoende effectief en leidt bovendien tot fragmentatie als andere lidstaten ook met regelgeving komen.

Het kabinet is ook positief over de proportionaliteit. Met de beoogde reikwijdte van het voorstel wil de Commissie naar inziens van het kabinet de regelgeving enkel van toepassing laten zijn op de grootste platforms met een poortwachterspositie die actief zijn in meerdere lidstaten in de EU en niet op platforms die alleen in één of twee lidstaten actief zijn. Daarmee gaat het voorstel volgens het kabinet niet verder dan noodzakelijk en beperkt het zich tot de platforms die relevant zijn voor de hele Europese interne markt en waar de meeste problemen worden geconstateerd.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Sinds de vaststelling van Richtlijn 2000/31/EG (de “richtlijn inzake elektronische handel”) zijn er nieuwe en innovatieve (digitale) diensten van de informatiemaatschappij ontstaan, die het dagelijks leven van de Unieburgers veranderen en de manier waarop zij communiceren, verbinding maken, consumeren en zakendoen vormgeven en transformeren. Deze diensten leveren een grote bijdrage aan de maatschappelijke en economische veranderingen in de Unie en de rest van de wereld. Tegelijkertijd is het gebruik van die diensten ook de bron van nieuwe risico’s en uitdagingen geworden, zowel voor de samenleving als geheel als voor de afzonderlijke personen die van deze diensten gebruikmaken. Digitale diensten kunnen helpen om doelstellingen van duurzame ontwikkeling te bereiken door bij te dragen aan economische, sociale en milieuduurzaamheid. De COVID-19-crisis heeft aangetoond hoe belangrijk digitale technologieën zijn in alle aspecten van het moderne leven.

In haar mededeling “De digitale toekomst van Europa vormgeven” heeft de Commissie zich ertoe verbonden de horizontale regels die de verantwoordelijkheden en verplichtingen van de aanbieders van digitale diensten vastleggen, en met name die van onlineplatforms, te actualiseren.

Voortbouwend op de kernbeginselen van de richtlijn inzake elektronische handel, die nog steeds geldig zijn, wordt met dit voorstelPDF-document beoogd de beste voorwaarden te scheppen voor de verlening van innovatieve digitale diensten op de interne markt, bij te dragen tot de onlineveiligheid en de bescherming van de grondrechten, en een robuuste en duurzame governancestructuur op te zetten voor een doeltreffend toezicht op aanbieders van tussenhandelsdiensten. Tegelijk met het voorstel voor een Verordening inzake digitale diensten is het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad over betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector (wet inzake digitale markten) (COM(2020)842) gepubliceerd. Dat voorstel moet zorgen voor een goed functionerende Europese interne markt door concurrentie te stimuleren in digitale markten.


Behandeling Raad

Tijdens de JBZ-Raad van 7-8 juni 2021 vond een beleidsdebat plaats over de bestrijding van illegale content in het kader van de wet digitale diensten. Nederland riep op tot het actiever stimuleren van hostingproviders en online platformen om illegale content tegen te gaan, bijvoorbeeld door het opnemen van een zorgplicht (32.317, MF).

Op 27 mei 2021 vond tijdens de Raad Concurrentievermogen (21.501-30, 535) een beleidsdebat en een bespreking van de voortgangsrapportages plaats over de voorstellen voor een wet digitale diensten en een wet digitale markten. Hierbij waren de Eurocommissarissen voor mededinging en digitale economie en voor interne markt en industrie aanwezig. De EU-lidstaten verwelkomden de voorstellen, en een aantal landen pleitten voor snelle implementatie. Wat betreft de wet digitale diensten waren lidstaten met name positief over de doelstellingen voor een veilige digitale omgeving en consumentenbescherming. Ook Nederland is positief over de voorstellen en benadrukt dat beide van groot belang zijn voor de versterking van de (digitale) interne markt en van het concurrentievermogen van de EU. Nederland gaf aan dat de inwerkingtredingstermijn van de wet digitale diensten met drie maanden verlengd moet worden zodat lidstaten voldoende tijd hebben voor de nationale implementatie van de wetgeving.

Tijdens de JBZ-Raad van 11-12 maart 2021 (32.317, MA) vroegen meerdere lidstaten, met steun van Nederland, om bespreking van de justitiële en veiligheidsaspecten van de wet digitale diensten in JBZ-verband. Het voorzitterschap meldde het onderwerp te agenderen voor de JBZ-Raad in juni.

Op 10 februari 2021 bracht de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming een adviesPDF-document uit over het voorstel. Hiervan is een samenvattingPDF-document beschikbaar.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 28 mei 2021 bracht de commissie IMCO het ontwerpverslagPDF-document uit over het voorstel.

De commissie voor interne markt en consumentenbescherming (IMCO) behandelt het voorstel. De commissies voor economische en monetaire zaken (ECON), transport (TRAN), cultuur en onderwijs (CULT), industrie, onderzoek en energie (ITRE), cultuur en onderwijs (CULT) justitie en binnenlandse zaken (LIBE) de commissie voor rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM) en Juridische Zaken (JURI) zijn ingesteld als adviescommissies.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

Op 15 april 2021 nam de commissie voor Buitenlandse en EU-zaken van de Poolse Senaat een standpuntPDF-document in over het voorstel.

Op 23 maart 2021 nam het Deense Parlement een standpunt in over het voorstel. Volgens het parlement is het voorstel niet in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Wel waarschuwt een meerderheid van het parlement dat landen verschillende culturele opvattingen kunnen hebben over wat 'beledigend' is.

Op 17 maart 2021 stuurde de Tsjechische Senaat een resolutiePDF-document over het voorstel aan de Europese Commissie in het kader van de politieke dialoog.


Alle bronnen