Plenair Terpstra bij voortzetting behandeling Participatiewet en Wet werk en bijstand



Verslag van de vergadering van 24 juni 2014 (2013/2014 nr. 35)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 21.46 uur


De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Namens onze hele fractie wil ik u allereerst sterkte wensen met uw gezondheid, dat de keel de goede kant mag opgaan. Verder dank ik de staatssecretaris voor de beantwoording. Alle vragen die ik heb gesteld, zijn beantwoord. Daar ben ik blij en tevreden mee. Ik heb met de voorzitter afgesproken dat ik geen nieuwe vragen ga bedenken, dus ik zal alleen nog zeggen wat wij van de antwoorden van de staatssecretaris vinden.

Wij waarderen het zeer dat de staatssecretaris streeft naar een groot draagvlak. In eerste termijn heb ik naar voren gebracht dat degenen die het stelsel in Nederland hebben opgebouwd, er samen voor moeten zorgen dat het wordt vernieuwd en aangepast aan de toekomst. De visie van de staatssecretaris op het hele complex van werkgelegenheid, de quotumwet, het volgen van van alles en nog wat, met thermometers en monitoren, kunnen wij ook volgen. Je kunt verdringing eigenlijk per definitie niet tegengaan. Als je een bepaalde groep wilt bevoordelen, met goede argumenten, worden anderen altijd relatief benadeeld. Verdringing hoort dus bij het hele participatiegebeuren. Ook daar kunnen wij mee leven.

Met de minister van Financiën hebben wij een paar keer gediscussieerd over heldere definities. Een van de grote problemen is het begrip "bezuinigen". In de Nederlandse begrotingssystematiek betekent bezuinigen altijd dat wij minder uitgeven dan wij hadden gedacht. Dat geldt ook hier. Het bedrag dat is uitgetrokken voor het hele dossier Participatiewet blijft gelijk, maar in de terminologie van de begroting bezuinigen wij 2 miljard die wij anders hadden willen uitgeven, maar die wij nu niet uitgeven.

Ik ben zeer geïnteresseerd in het standpunt van de heer Elzinga. Hij noemt de bezuinigingen als argument om er op dertien punten tegen te zijn. Het was wel goed, maar door die bezuinigingen was het dus fout. Als je de definitie van de minister van Financiën neemt, kan ik die redenering volgen, maar neem je bezuinigen zoals iedere normale Nederlander dat ziet, namelijk minder uitgeven dan gisteren, dan kan ik die redenering niet volgen. Mijn vraag aan de heer Elzinga is of zijn visie op die goede zaken ook zou veranderen bij een wijziging van de definitie, zoals de gemiddelde en normale Nederlander dat ziet.

Dan kom ik op de verschillen tussen de Wet werken naar vermogen en de Participatiewet. Ik heb er begrip voor dat de ene partij die verschillen wat kleiner maakt en de andere wat groter. Wij zien als gemeenschappelijk punt dat alle mensen moeten kunnen meedoen. Dat is de gemeenschappelijke basis van die twee wetsvoorstellen. Wij zijn zeer tevreden met het antwoord van de staatssecretaris dat het Rijk er zich niet meer mee gaat bemoeien en ook niet gaat ingrijpen bij de werkbedrijven in oprichting, die zogezegd door de gemeenten en de sociale partners worden gerund.

Ik heb vragen gesteld over het nieuwe beschut werk en de zorgplicht in de WSW. Deze gaan uit van het idee dat wij het belangrijk vinden dat bepaalde zaken gehandhaafd blijven, met name de werkgelegenheid voor de meest kwetsbare groepen, die ondersteuning nodig hebben. Ik denk dat ik nu een definitie heb waar zowel GroenLinks als de VVD mee kan leven. De staatssecretaris heeft ons ervan overtuigd dat dit moet gebeuren op decentraal niveau. We hebben er aandacht voor gevraagd op centraal niveau, maar wij vinden met de staatssecretaris dat dit decentraal moet worden ingevuld. Wij zien deze zorgplicht als een inspanningsverplichting die vroeger in de WSW stond, maar die nu moreel op alle wethouders voor Sociale Zaken moet worden gelegd.

Het antwoord over de Wajong is ons helder. Voor de duurzame Wajongers blijft alles gelijk. Voor de Wajongers met arbeidsvermogen zit je met de 16 wekentermijn. Met GroenLinks zijn wij zeer geïnteresseerd in de overgangsfase. Wat gebeurt er nu precies in de laatste vier maanden van 2014? Wij vinden voorlichting hierover zeer belangrijk, zodat iedereen weet hoe het zit.

Dan ben ik aangekomen bij de Wet werk en bijstand. De kostendelersnorm voor de bijstand als zodanig hebben wij reeds aanvaard. Wij zijn tevreden met die studie van een jaar over de relatie tussen de kostendelersnorm binnen de AOW en de mantelzorg. Dat zien wij als een gemeenschappelijk project van sociale zekerheid en zorg. De resultaten worden voorgelegd aan beide Kamers. Dat vinden wij ook prima. Wij houden zelf alle opties open. Wij zullen dus ook geen als-danvragen stellen aan de staatssecretaris, in de trant van: als de CDA-fractie iets vindt, wat zou de staatssecretaris daar dan weer van vinden? Die vraag stel ik dus niet.

In antwoord op vragen van mevrouw Sent heeft de staatssecretaris haar visie gegeven op jonge alleenstaande ouders. Die komt helemaal overeen met onze visie. Op basis van vrijwilligheid zouden de gemeenten moeten proberen de band met de arbeidsmarkt te handhaven.

De normen bij de ideeën over de tegenprestatie zijn erop gebaseerd dat wordt gevraagd om mee te doen met spelregels. Ook daarmee kunnen wij goed leven. Wij zijn zeer verheugd dat de staatssecretaris alle gemeenten in de gaten houdt, inclusief Amsterdam.