Plenair Van Boxtel bij behandeling Belastingplan 2015



Verslag van de vergadering van 15 december 2014 (2014/2015 nr. 13)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 18.37 uur


De heer Van Boxtel i (D66):

Voorzitter. Niet alleen in dit huis, maar ook daarbuiten is de discussie over de belastingen in volle gang. Het onderwerp roept in de hele samenleving emoties op over rechtvaardigheid en solidariteit. De brief over de herziening van het belastingstelsel vormde de aanleiding voor het debat. Door de komst van Piketty, de omstreden belastingconstructie van Starbucks en de gang van zaken rondom de autobelastingen, verspreidde de discussie over het belastingstelsel zich over het hele land. Inmiddels liggen vrijwel alle belastingen onder een vergrootglas, ook in de media. Daarnaast houdt de aangekondigde naheffing van de Belastingdienst de gemoederen bezig. Kan de staatssecretaris garanderen dat alle aanpassingen voor 2015 op tijd verwerkt zijn?

Ondanks de omvangrijke maatschappelijke discussie bespreken wij vandaag het dunste belastingplan sinds jaren. De coalitiepartijen werden het afgelopen zomer niet eens over grote hervormingen, waardoor er nu een beperkt aantal maatregelen ligt. Daarom zal mijn bijdrage zich niet alleen richten op wat er in het wetsvoorstel staat, maar ook op zaken die er niet in staan. Recent heb ik met collega Essers van het CDA in Londen deelgenomen aan een internationale conferentie over belastingen. Daar stond de impact van globalisering op nationale belastingwetgeving centraal. In dit kader ga ik eerst in op het Nederlandse vestigingsklimaat in een internationale context. Daarna leg ik de staatssecretaris een aantal vragen voor over de aangekondigde belastingherziening. Tot slot zal ik dieper ingaan op een belangrijke, hopelijk gedeelde, ambitie van mijn fractie om te streven naar een duurzamer economie.

Nederland kent een gunstig belastingregime voor grote bedrijven en multinationals. De bronbelastingen, zoals dividend, royalty's en rentes, zijn hier relatief laag. Bovendien kunnen bedrijven via rulings vooraf zekerheid krijgen over de door hen te betalen belasting. Daarnaast heeft Nederland een enorm aantal belastingverdragen met andere landen, 94 om precies te zijn, zodat bedrijven de belasting op winst uit deelnemingen zo laag mogelijk kunnen houden. Al met al zorgen die regelingen ervoor dat bedrijven zich graag in Nederland vestigen. Uit het onderzoek Ranking the Stars van het CPB blijkt zelfs dat Nederland op nummer één staat van de wereld, als het gaat om het aantrekken van buitenlandse investeringen. Boven China en de Verenigde Staten dus, maar ook boven landen als Groot-Brittannië, Ierland en Luxemburg. Diezelfde internationale geldstromen verlaten het land ook weer snel. Hieruit blijkt dat Nederland ook op financieel gebied een distributieland is. Er is natuurlijk wel een verschil: de haven van Rotterdam en luchthaven Schiphol leveren Nederland aantoonbaar heel veel werkgelegenheid en economische groei op, terwijl de economische effecten van financiële doorvoer lastiger te meten zijn. Dit komt onder andere door de enorme variëteit aan regelingen en bedrijven, maar heeft ook te maken met een gebrek aan transparantie. Zowel het onderzoeksbureau SEO als de Algemene Rekenkamer pleiten daarom voor meer openheid over belastingdeals. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om die transparantie op nationaal niveau te bevorderen? Mijn fractie mist in dit debat overigens de vraag wat de Nederlandse belastingpraktijk voor ontwikkelingslanden betekent, waar de productie van veel multinationals plaatsvindt. Klopt het dat ontwikkelingslanden opbrengsten mislopen door belastingontwijking via Nederland?

Mijn fractie heeft, net zoals de heer Essers en Bröcker, een paar concrete vragen met betrekking tot de voorwaarden voor een taxruling, de zogenoemde substance-eisen.

De heer Reuten i (SP):

Als je kijkt naar de bijdrage aan het bbp, staan qua export niet de landbouw of het transport op nummer een, maar de financiële dienstverlening.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik wil graag met de heer Reuten het debat aangaan over het feit dat Nederland spijtig genoeg veel maakindustrie is kwijtgeraakt en dat ons land helemaal aan elkaar hangt van dienstverlening. Dat is nog eens een heel ander debat als het gaat over economische zaken en over wel of geen industriebeleid. Op zich is er ook niks mis met heel goede financiële dienstverlening. De vragen die ik stel, hebben zo veel mogelijk transparantie tot doel. Dat zal straks ook duidelijk worden. Tegelijkertijd, in gewoon Nederlands gezegd, moeten wij ook niet gekke Henkie worden die transparanter is dan wie dan ook, terwijl allerlei anderen er met de buit vandoor gaan.

Ik kom op de substance-eisen. Deze eisen zijn vorig jaar naar aanleiding van het SEO-rapport aangescherpt. Toch concludeert de Algemene Rekenkamer dat "doorgaans eenvoudig aan de substance-eisen kan worden voldaan met behulp van de inzet van een trustkantoor." Mijn fractie vraagt zich af waarom dit nog steeds zo eenvoudig is. Wat hebben de maatregelen van vorig jaar opgeleverd? Zou een verdere verzwaring van deze eisen schadelijk zijn voor het vestigingsklimaat in Nederland? Eenzijdige maatregelen heffen de verschillen tussen nationale belastingregels niet op. Om die reden wordt er in OESO-verband al enige tijd gesproken over het tegengaan van belastingontwijking. Hieraan doet Nederland niet alleen actief mee, maar loopt Nederland zelfs voorop, aldus de staatssecretaris. Hoe reageert de staatssecretaris op berichten, in onder andere de NRC, dat Nederland de OESO "zou tegenwerken" als het gaat om het harmoniseren van het internationaal belastingbeleid? En hoe reageert de staatssecretaris op de stelling dat dit "verzet" een mooie marketing is voor het vestigingsbeleid van buitenlandse bedrijven in Nederland? Verder is mijn fractie benieuwd naar het verschil tussen de belangen van grote en kleine landen binnen de OESO. Ik vraag om hierop toch echt een keer uitgebreid in te gaan, ook in het verlengde van de vragen van de heer Essers en de opmerking van de heer Bröcker. Uit mijn interventie kan al opgemaakt worden dat ik er geen voorstander van ben om, bij wijze van spreken, mee te gaan in een politiek debat vooraf aan een ruling. Ik zou echter wel graag meer transparantie willen hebben over het speelveld waarbinnen Financiën opereert, zodat je daarop je toets kunt loslaten als je dingen in de krant leest.

Ik kom bij de belastingherziening. Ik blik terug op de laatste keer dat het belastingstelsel ingrijpend is herzien. Dat was in 2001. Op dat moment betaalden we nog met de gulden, stond het internet in de kinderschoenen en waren vaste banen de norm. Bovendien hadden we een lange periode van economische groei achter de rug. In die context hebben we het belastingstelsel vormgegeven. In de afgelopen dertien jaar is Nederland een van de koplopers in digitaal betalen geworden, is de pensioenleeftijd na een lang debat uiteindelijk verhoogd en hebben we 800.000 zzp'ers in ons midden gekregen. We kampen nog steeds met de gevolgen van de eurocrisis en het is niet zeker op welke wijze de Nederlandse economie zich in de toekomst zal ontwikkelen, ondanks de eerste optimistische berichten.

De belastingherziening van dertien jaar geleden heeft lange tijd voldaan, maar de vraag is of het stelsel nog langer bestendig is tegen de ontwikkelingen van deze tijd, in deze samenleving. Daarnaast is het belastingstelsel door de introductie van talloze inkomensafhankelijke regelingen uitermate complex geworden. De staatssecretaris schrijft in zijn brief dat de Belastingdienst beschikt "over de meest geavanceerde toeslagenfabriek ter wereld". Naast de toeslagen bestaan er nog talloze belastingkortingen, waarbij de Belastingdienst telkens moet bepalen of mensen er wel of niet voor in aanmerking komen. Een vereenvoudiging van dit systeem zou op zijn plaats zijn. Het komt de uitvoerbaarheid ten goede en er is een breed draagvlak voor.

Velen zijn het er ook over eens dat de lasten op arbeid, zowel aan werkgevers- als aan werknemerszijde, omlaag moeten als we de internationale concurrentiepositie aan willen blijven kunnen. Als gevolg van de crisis zijn voor beide zijden noodzakelijke, maar belastende maatregelen genomen. Nu de economie voorzichtig uit het dal klimt, moeten werkgevers en werknemers dat terugzien in een daling van de belastingdruk. Dat leidt niet alleen tot banengroei op de korte termijn, maar dat is ook essentieel voor de concurrentiepositie van de Nederlandse arbeidsmarkt op langere termijn. Nederland heeft tot dusver een stevige positie in de top tien van meest concurrerende economieën, maar moet deze positie ook zien te behouden. Door hoge arbeidskosten zou die positie in gevaar kunnen komen.

In de Belastingbrief staan vereenvoudiging en lastenverlaging ook vermeld als uitgangspunten bij de stelselherziening. Daarbij merkt de staatssecretaris op dat de herziening urgent is, want "ons belastingstelsel werkt sterk verstorend en dat kost banen en economische groei". In dat licht kan mijn fractie de afwachtende houding van het kabinet moeilijk plaatsen. Het leek net een een-tweetje van collega Ester en mij, maar dat was niet de bedoeling toen ik vroeg naar de ambities van de fractie van de heer Bröcker. Vervolgens vroeg de heer Ester: verwacht u ook dat het al in deze kabinetsperiode gaat gebeuren? Het antwoord daarop was nee. Ik wil die vraag ook aan de staatssecretaris stellen. Gaan we echt nog ruim twee jaar nemen en pas over drie jaar hervormen? Of is de ambitie van dit kabinet om het naar voren te halen?

De heer Bröcker i (VVD):

Met een-tweetjes krijg je …

De heer Van Boxtel (D66):

Nee, ik zei dat het daarop leek.

De heer Bröcker (VVD):

Dat is ook prima, maar met een-tweetjes krijg je ook politiek draagvlak en draagkracht. Daar is dus helemaal niks mis mee. Maar even ter correctie: mij werd gevraagd of de hele stelselherziening binnen twee jaar rond zou zijn. Daarover heb ik mij wat voorzichtig uitgelaten, omdat het een nogal majeur project is. Ik hoop dat het kabinet, met steun van andere partijen, zo snel mogelijk zijn eerste stappen kan gaan maken. Ik zeg dit even "for the record".

De heer Van Boxtel (D66):

Ik ben blij dat de heer Bröcker dat iets aanscherpt en ik stel die vraag meteen aan het kabinet en de staatssecretaris. Wat is zijn verwachting? Ik heb net de zin voorgelezen dat ons belastingstelsel sterk verstorend werkt, wat banen en economische groei kost. Ik kan in dat licht niet goed begrijpen dat, als de potentiële effecten zo positief zijn en de urgentie zo hoog is, je heel erg lang de tijd neemt. Waarom wil het kabinet eerst wachten op meevallers? Je kunt zeggen: er komen wat meevallers aan, misschien aan de kant van sociale zaken, maar of die structureel zijn, weten we nu niet. Het kabinet moet toch echt doordenken, ook over bijvoorbeeld het beperken van overheidsuitgaven om de inkomenseffecten te compenseren. De stijging van de collectieve uitgaven, hoewel afgevlakt door het kabinetsbeleid, zet zich namelijk nog steeds door. Ook in het kader van gezonde overheidsfinanciën zou het dus goed zijn om te blijven zoeken naar manieren om de uitgaven te verkleinen voor het geval meevallers in de komende jaren uitblijven. Het is wat mijn fractie betreft dus nog maar de vraag in hoeverre de financiering van de belastingherziening een probleem vormt. Dit neemt niet weg dat er een degelijke voorbereiding aan de herziening vooraf moet gaan. Als eerste stap heeft het kabinet in de Belastingbrief een aantal denkrichtingen geformuleerd. Zoals de staatssecretaris van ons gewend is, denken we graag mee, maar op een aantal punten verwachten we meer duidelijkheid van het kabinet.

Allereerst spreekt het kabinet over een verschuiving van lasten op arbeid naar een hogere belasting op consumptie. Hiermee volgt het kabinet verschillende aanbevelingen op, waaronder die van de commissie-Van Dijkhuizen. Mijn fractie is benieuwd op welke manier de staatssecretaris deze transitie wil inrichten. Wil het kabinet bijvoorbeeld het laagste btw-tarief verhogen? Of wil het kabinet producten uit de laagste categorie naar de hoogste categorie verplaatsen, met andere woorden: het btw-tarief voor konijnenvoer naar het niveau van dat voor caviavoer? Is het introduceren van een uniform btw-tarief, wat volgens het CPB welvaartswinst oplevert, ook een optie? Wat zou de opbrengst van een hogere omzetbelasting moeten zijn? Mijn fractie ziet graag dat het kabinet het voortouw neemt bij het maken van deze keuzes.

Ten tweede heeft het kabinet de ambitie om complexe inkomensafhankelijke regelingen te vereenvoudigen. Ik maak uit een rapport van Actal op dat we 27 inkomensafhankelijke regelingen hebben in Nederland. Niet alleen de Belastingdienst heeft moeite met het verwerken van dit grote aantal regelingen. Door de ingewikkelde puzzel weten veel Nederlanders ook niet precies waar ze aan toe zijn. De Belastingdienst heeft daardoor ook allerlei ICT-problemen gekend. Ik zou in dit debat ook wel iets van de staatssecretaris willen horen over de stand van zaken op dit moment rond de ICT-problematiek, ook binnen de Belastingdienst.

Het kabinet neemt op korte termijn maatregelen ten aanzien van de kinderopvangtoeslag en de zorgtoeslag. Welke andere inkomensafhankelijke regelingen zijn volgens de staatssecretaris dringend toe aan vereenvoudiging of eventueel afschaffing? Overweegt de staatssecretaris om een aantal regelingen samen te voegen?

Ten derde wil de staatssecretaris alternatieven laten onderzoeken voor de bestaande vermogensrendementsheffing. Het doel van dit onderzoek is om te komen tot een heffing die door belastingbetalers als rechtvaardiger wordt ervaren. Waarom wordt een hogere opbrengst uit vermogensbelasting niet tot de doelen van dit onderzoek gerekend? Vindt de staatssecretaris dat nodig of niet, vraag ik neutraal.

In de Belastingbrief staat verder: "Uit de OESO Tax Policy Study komen sommige (maar niet alle) belastingen op vermogen en op inkomsten uit vermogen naar voren als relatief weinig verstorend". Om welke belastingen gaat dit? Geldt deze observatie ook voor Nederland? Wordt de "mate van verstoring" ook meegenomen in het onderzoek?

Een andere uitdaging van deze tijd is het goed definiëren van de digitale economie en digitale economische activiteiten. Dit kwam ook sterk naar voren tijdens de conferentie die collega Essers en ik in Londen hebben bijgewoond. De staatssecretaris besteedt in de brief weinig aandacht aan die digitalisering. Mijn fractie denkt dat het belangrijk is om die ontwikkelingen ook mee te nemen in de herziening van het belastingstelsel. Is de staatssecretaris dat met ons eens? Zo nee, waarom niet?

Mijn volgende punt is de duurzaamheid. Ik heb met genoegen geluisterd naar collega Van Strien, want hij mag terecht de vinger leggen op de zin en onzin van allerlei superverfijnde regelingen. Ook mag hij de vraag stellen of die iets met CO2-uitstoot doen. In zijn eigen betoog kwam gelukkig later nog de zin dat het om meer doelen gaat dan alleen CO2-uitstoot, en dat het er ook om gaat hoelang we doorgaan met het gebruikmaken van natuurlijke hulpstoffen. Wij vinden de verduurzaming echt een belangrijk punt in de belastingherziening. De transformatie richting een duurzamere economie gaat in Nederland veel te langzaam. Vorige week berichtte Trouw dat Nederland ten opzichte van alle EU-landen naar de een-na-laatste plaats is gekelderd op de jaarlijkse klimaatranglijst. Wereldwijd staat Nederland op de 42ste plek, onder landen als Wit-Rusland, Algerije en Polen. Je gelooft je ogen niet, en je oren al helemaal niet. Uit het rapport Energiebeleid van EIA-landen, van het Internationaal Energie-Agentschap van begin 2014 blijkt dat Nederland, vergeleken met de 27 andere rijke landen, een van de meest op fossiele brandstoffen gebaseerde economieën heeft. Met andere woorden: we lopen in Nederland erg ver achter op het gebied van duurzaamheid. Tegelijkertijd staat Nederland in de Europese top drie qua milieubelastingen. Mijn fractie kan deze cijfers moeilijk verenigen.

De heer Van Strien i (PVV):

Zou dat ook iets te maken kunnen hebben met onze natuurlijke gesteldheid? Als je in Noorwegen woont, is de elektriciteit uit witte waterkracht overal te behalen, waar je ook maar zit. Je zit daar maar met een paar miljoen mensen. Bovendien hebben ze daar ook nog olie. Wij hebben dat soort mogelijkheden niet. Als je in Midden-Frankrijk woont, heb je 15 meter getijdeverschil. In Nederland is dat 2,5 meter.

De heer Van Boxtel (D66):

Ja, maar wij hebben in Nederland op al die innovatieve ontwikkelingen heel traag gereageerd, of we hebben ze te laat gezien als een kans om ze door te ontwikkelen. Weet u hoe lang onze kustlijn is? Die is een paar honderd kilometer lang. Wij zouden van die 2,5 meter ook heel veel energie kunnen maken. Er wordt nu heel veel nagedacht over energie uit water. Rondom Eindhoven zijn nu de meest innovatieve zonne-energieprojecten gaande, bijvoorbeeld met zonnecellen in het asfalt. Daar komt de hele wereld naar kijken en de vraag is: wanneer gaan wij het in Nederland eigenlijk zelf implementeren? Het zijn voor mij echt vragen die niet voortkomen uit een soort linkse of rechtse geborneerdheid of een geloof in allerlei milieumaatregelen. Het is bij mij een gevoelde noodzaak. Ons buurland Duitsland loopt ons gewoon drie keer voorbij in de Energiewende. Het is echt een feit, en wij krijgen kleine financiële stimuleringsregeltjes voor een paar zonnepanelen. Als heel Nederland wil meedoen, is de regeling alweer vol en moet zij weer drie keer aangepast worden. Mijn zorg zit dus vooral in de Echternachse processie die wij doormaken op dit dossier.

De heer Van Strien (PVV):

Het gaat er niet om dat wij op technologisch gebied niet vooraan moeten blijven staan. Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat we die nieuwe technologieën pas moeten gaan toepassen op het moment dat dit economisch rendabel is. Voordat dit het geval is, moeten we daar uitsluitend nog in de onderzoeksfase mee bezig zijn en niet de Nederlandse belastingbetalers voor honderden miljoenen in de problemen brengen. Is de heer Van Boxtel dat met mij eens?

De heer Van Boxtel (D66):

Ik ben wel een beetje van de school die verder kijkt dan alleen naar morgen. Iedereen, vriend en vijand en zelfs de grootste milieusceptici zijn het erover eens dat we echt te maken hebben met uitputting van natuurlijke hulpstoffen en met grote klimaatveranderingen. Ons land is in zijn geschiedenis zelf groot geworden met waterbeheersing en waterwerken, overigens ook na een ramp. Op dit soort dossiers gaan we aan alle kanten de gevolgen ervaren. Ik noem eroderende bergen in Midden-Europa waardoor we wateroverlast krijgen door rivieren, en een zeespiegel waarvan niemand meer betwist dat die centimeters per decennium gaat stijgen. Dat geldt ook op het gebied van energie. Onze eigen gasvoorraad raakt op. We moeten het gaan importeren. Wat maken wij voor slagen en in welk tempo? En ik ben echt niet de enige. Misschien heeft de heer Van Strien laatst De Achterkant van het Gelijk gezien, een discussieprogramma op televisie onder leiding van Marcel van Dam. Iedereen die daar aan tafel zat, of hij nu rechts of links was, zei: we zijn in Nederland te langzaam.

De voorzitter:

Tot slot nog op dit punt, mijnheer Van Strien.

De heer Van Strien (PVV):

Ik weet dat dit mijn laatste kans is, voorzitter, maar ik wil even aanhaken op die laatste opmerking van de heer Van Boxtel. Als we nieuwe technologieën inzetten en weten dat die heel veel geld kosten, namelijk tientallen miljoenen, is de heer Van Boxtel dan bereid om zo'n vraag — moeten we dit doen? — bijvoorbeeld door middel van een referendum aan de bevolking voor te leggen? Wilt u 50 miljoen betalen om van windenergie te kunnen leven?

De heer Van Boxtel (D66):

U weet, mijn fractie is erg voor een correctief wetgevingsreferendum en niet voor zomaar referenda. Dat kun je mensen namelijk niet aandoen. Dan hebben ze vaak de feiten en de cijfers en alles wat er verder achterligt niet op het netvlies. Ik ben er wel voor dat dit een veel breder en urgenter maatschappelijk debat wordt. Ik constateer dat we de noodzakelijke veranderingen die dit land moet gaan doormaken, te langzaam in gang zetten. Kan dat wat kosten? Ja. U zult in mijn betoog over het Belastingplan eigenlijk twee topprioriteiten horen bij de herziening van het belastingstelsel. Dat zijn verlichting van de lasten op arbeid en intensief doorzetten op innovatie na een verduurzaming van onze economie. Dat is geen believers-verhaal; dat is echt gevoelde urgentie vanuit de veranderingen die in de samenleving plaatsvinden. Ik denk ook weleens aan mijn kinderen, en u hopelijk aan die van Henk en Ingrid. Deze vragen krijgen we straks met terugwerkende kracht gesteld.

Mijn vraag aan de staatssecretaris was dus ook de volgende. We staan in de top drie qua milieubelastingen, maar we staan op de 42ste plek op de klimaatranglijst, dus ver achteraan. Hoe is dat te rijmen? Klopt de stelling dat het gebruik van fossiele brandstoffen ten gevolge van het belastingbeleid nog steeds voordelen biedt ten opzichte van alternatieve energiedragers als zon, wind, biomassa en water? Als dat zo is, deelt de staatssecretaris dan de urgentie om hier snel verandering in te gaan aanbrengen, gelet op de achterstand die we hebben?

Gelukkig is het kabinet bereid om "groene groeiambities verdergaand fiscaal te ondersteunen". Zou de staatssecretaris kunnen aangeven welke maatregelen dat zijn? Op welke manier wil de regering bijvoorbeeld het gebruik van fossiele brandstoffen beperken? In de schriftelijke voorbereiding is ook bij dit thema stilgestaan. Wij danken de staatssecretaris en zijn ambtenaren voor de snelle beantwoording. Mijn fractie heeft echter nog steeds vragen over de energie- en afvalstoffenbelasting binnen dit wetsvoorstel. Het kabinet wil de energiebelastingplicht verplaatsen van de aansluiting naar de levering. Mijn fractie heeft signalen uit de sector opgevangen dat er onduidelijk heerst over de definitie van het begrip "levering". De afbakening van dat begrip is in de Nederlandse wet niet duidelijk beschreven, dit in tegenstelling tot in de Europese richtlijnen. In reactie op onze vraag waarom het kabinet niet bij de Europese definitie aansluit, stelt de staatssecretaris dat onzekerheid zou kunnen ontstaan over de precieze afbakening van de belastingplicht. Dit is wat mijn fractie betreft een omgekeerde redenering. Kan de staatssecretaris op dit punt voor meer verheldering zorgen in dit debat?

Nieuw in dit Belastingplan is dat de huursector nu ook in aanmerking komt voor een vrijstelling van energiebelasting bij zelfopwekking van duurzame energie. Op het eerste gezicht een gunstige regeling waar vele verhuurders gebruik van kunnen gaan maken, maar in de tabel met budgettaire effecten van het Belastingplan zelf staat dat in de komende jaren respectievelijk 3 miljoen, 4 miljoen, 7 miljoen en 14 miljoen voor deze vrijstelling zijn gereserveerd. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom deze maatregel zo'n kleine investering vereist? Wie zullen in de praktijk van deze vrijstelling profiteren? Zijn dat vooral de woningbouwcorporaties of juist particuliere verhuurders?

De introductie van de afvalstoffenbelasting is een andere maatregel ten gunste van een verdere vergroening. In principe steunen wij die lijn van het kabinet. Alleen is het gekozen belastingtarief in de ogen van mijn fractie aan de lage kant. Is de staatssecretaris het met ons eens dat de verschuiving van verbranden en storten van afval naar recycling sneller plaatsvindt bij een hoger tarief? Zo ja, waarom kiest het kabinet daar dan niet voor?

Ik rond af. Mijn fractie wacht met spanning op de kabinetsplannen omtrent de belastingherziening. Gezien de grote urgentie hopen we van harte dat het kabinet op korte termijn met concrete voorstellen komt. Immers, "wie het dak wil repareren als de zon schijnt, moet de verbouwingsplannen gereed maken voordat de zon schijnt". Afgelopen week voorspelde het CPB dat de zon, geholpen door de olieprijs en de koers van de euro, misschien volgend jaar al een beetje gaat doorbreken. Laten we hopen, niet alleen voor de belastinghervorming, dat dit inderdaad het geval zal zijn.

Ook het Europees voorzitterschap van Nederland komt eraan. Het kabinet wil duurzaamheid in Europa hoog op de agenda plaatsen. Voor die tijd moet Nederland op nationaal niveau het goede voorbeeld geven. Het kabinet dient de "Energiewende", zoals die in Duitsland heet, nu echt in gang te zetten. Niet alleen met plannen voor de lange termijn, maar ook met maatregelen op de korte termijn. D66 is altijd nieuwsgierig naar de toekomst, maar dan wel een toekomst die binnen handbereik komt.

De heer Nagel i (50PLUS):

De heer Van Boxtel spreekt over "belastingherziening urgent", "een afwachtende houding van het kabinet moeilijk te plaatsen", "we wachten met spanning op kabinetsplannen op dit punt" en "gezien de grote urgentie op korte termijn concrete voorstellen". Dat horen we al een tijdje in de Tweede en de Eerste Kamer. Daarom heb ik een vraag aan de heer Van Boxtel. Ik vind het namelijk nogal vrijblijvend. Wat is gelet op de grote urgentie een korte termijn? Is dat 1 april? Is dat een halfjaar? Laat D66 nou eens concreet zeggen wat de korte termijn is.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik zal dat heel concreet zeggen. Dat dit kabinet eerst die algemene brief heeft geschreven, begrijp ik nog. Overigens was er ook een wisseling van staatssecretarissen. Dus dat alles neem ik graag in acht. Echter, dan wil ik ook eigenlijk een traject en een implementatieplan die de ambitie van dit kabinet laten zien. Voordat we aan het eind van onze termijn zijn, willen we dat plan rond hebben en ingediend hebben. En dat mis ik nog. Ik wil die ambitie gewoon echt binnen deze kabinetsperiode tot een plan laten komen. Op de vraag of ik verwacht of dat al in 2017 gaat gebeuren, is mijn antwoord: nou ja, dat moeten we nog horen van de staatssecretaris maar mijn vermoeden is "nee". En ik vind dat niet goed.

De heer Nagel (50PLUS):

Maar wat betekent "niet goed"? U kent de parlementaire procedure als geen ander. Als u het binnen deze termijn afgehandeld wilt hebben, dan is mijn vraag wanneer die plannen er dan zouden moeten zijn, wanneer ze naar de Raad van State gaan en wanneer de procedure in werking kan treden.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik zou menen dat op weg naar de Algemene Beschouwingen voor het komend jaar er een nieuwe Belastingbrief moet komen met een plan, met een outline van hoe het kabinet het gaat doen. Dat zou ik dan ook graag van de staatssecretaris horen. Komt hij in september dan ook echt met een uitwerking? We wachten nu al anderhalf jaar op de reactie op het rapport van de commissie-Van Dijkhuizen.

De heer Nagel (50PLUS):

Dus voor Prinsjesdag moeten de plannen er liggen?

De heer Van Boxtel (D66):

Ja, dat was mijn slotopmerking. Dat zou ik zeer ambitieus vinden maar ook goed.