Plenair Van Boxtel bij behandeling Toegelaten instellingen volkshuisvesting



Verslag van de vergadering van 10 maart 2015 (2014/2015 nr. 23)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 12.36 uur


De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Een derde van de Nederlandse bevolking woont in een huis dat beheerd wordt door een woningcorporatie. Nederland heeft daarmee, relatief gezien, een van de grootste sociale huursectoren ter wereld. Het is dan ook begrijpelijk dat hervormen in een dergelijke sector geen eenvoudige taak is, temeer omdat een hervorming op een groot aantal mensen directe invloed heeft. Dit hebben wij in deze Kamer ook gemerkt. Ik herinner me een zeer moeizaam debat in december 2013, waarin de verhuurdersheffing bijna leidde tot het sneuvelen van het woonakkoord. Gelukkig kon dit voorkomen worden, mede dankzij een brief en de omarming van de gedachte om te komen tot een wooncoöperatie; daar kom ik straks op terug.

Ondanks die obstakels is mijn fractie van mening, zeker na de parlementaire enquête, dat structurele veranderingen in deze sector hard nodig zijn. Mijn fractie is daarom blij met het feit dat dit kabinet met dit wetsvoorstel stappen zet om de woningsector terug op de rails te krijgen. Daarbij kijk ik met een schuin oog naar collega Kuiper, die hier een groot onderzoek heeft geleid om een nieuwe balans te vinden tussen volledige marktdominantie en de vraag wat weer meer naar de publieke kant moet.

De woningsector kent dankzij zijn grootte een grote diversiteit aan belangen en belangengroepen. Om tot een evenwichtig, eerlijk en rendabel beleid te komen, dienen alle partijen inspraak te hebben in de beleidsvorming. Dit was in het verleden echter veelal niet het geval. Mijn fractie is dan ook blij dat het evenwicht in dit wetsvoorstel wel gezocht wordt door vooral de huurders weer meer inspraak te geven. Ik hoop dat dit een vorm van inspraak wordt die niet alleen het romantische verlangen naar het verleden terughaalt; daarbij kijk ik met een schuin oog naar de heer Duivesteijn, omdat ik mij natuurlijk ook de besturen van de oude woningcoöperaties, waarbij in de volksmond al snel werd verteld over die ene mijnheer met die gematteerde sigaar die mee mocht praten maar ook niet wist waarover het ging, nog goed herinner. Daar hebben we het dus niet over. Ik heb het niet over een restauratie naar die tijd, maar wel over nieuwe vormen van inspraak en betrokkenheid. Het voordragen van leden van de raad van toezicht en de klachtencommissie en de mogelijkheid om overleg te plegen met de minister en de woningcorporaties, geven de huurders een betere onderhandelingspositie. Ook geeft de voorgestelde wooncoöperatie huurders de ruimte om nieuwe initiatieven te ontplooien ter verbetering van hun woning en hun woonomgeving. Zoals ik ook in mijn inbreng in het debat in 2013 vermeldde, is mijn fractie van mening dat de wooncoöperatie een interessante aanvulling kan zijn op ons woonstelsel. Ik steun dan ook het pleidooi dat collega Duivesteijn heeft gehouden om tot een verdieping en eventueel tot een actieprogramma te komen. Wellicht mondt een en ander nog uit in een motie.

De nieuwe initiatieven komen niet alleen van de huurders. De woningcorporaties komen zelf ook met ideeën om hun kerntaak efficiënter te vervullen. Een voorbeeld is de omzetting van leegstaande kantoorpanden in woningen voor doelgroepen, zoals ouderen en studenten. Collega De Vries gaf net een mooi voorbeeld uit Oost-Groningen. Er zijn ook heel goede voorbeelden te noemen, maar er zijn natuurlijk ook veel voorbeelden te geven van plaatsen waar nog te weinig gebeurt. Mijn fractie is benieuwd hoe de minister aankijkt tegen de initiatieven om lege kantoorpanden om te bouwen naar woningen voor doelgroepen als ouderen en studenten. Vindt hij dat er voldoende tot stand komt? Zijn de initiatieven rendabel? En op welke termijn zullen er grootschalige initiatieven van de grond komen? Het blijft namelijk een merkwaardig fenomeen dat er aan de ene kant sprake is van een stagnerende woningbouwmarkt, terwijl er aan de andere kant vooral in de Randstad sprake is van een dramatische leegstand in kantoorpanden. Daar vindt dus nog steeds te weinig matching plaats van het overschot in het ene domein ter leniging van het tekort in het andere domein.

Ik kom op de reserves van de woningcorporaties. Het is begrijpelijk dat woningcorporaties een financiële buffer nodig hebben om ten tijde van nood niet te hoeven terugvallen op een waarborgfonds of overheidssteun. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat de woningcorporaties een heel groot vermogen opbouwen terwijl dat geld eigenlijk geïnvesteerd zou moeten worden ten behoeve van hun kerntaak. Mijn fractie wil graag van de minister vernemen hoe het gesteld is met de financiële reserves van de corporaties. Zijn die nu toegenomen of geslonken ten gevolge van de verhuurderheffing? En wat betekent dit voor de huurders? Ik heb een maand geleden een bericht gezien — ik geloof in de ESB — dat de reserves van de corporaties enorm gestegen zijn. Het zou merkwaardig zijn als dat klopt. Misschien kan de minister dit bericht verifiëren, omdat wij hier nog geen anderhalf jaar geleden rondom de verhuurderheffing de dramatische vertoning hebben gehad alsof bijna alle corporaties in Nederland naar het rijk der verdoemden zouden worden verwezen.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Als daar antwoord op gegeven wordt, is het ook goed om meteen even mee te nemen hoeveel er nog gebouwd is in het verleden en hoeveel geld er dus daadwerkelijk geïnvesteerd is in datgene waartoe zij op aard zijn.

De heer Van Boxtel (D66):

Die aanvulling neem ik graag mee in mijn vragen aan de minister.

Nog een punt van zorg voor mijn fractie komt naar voren in het onderzoek van ING, dat afgelopen week naar buiten kwam. Hierin werd geconcludeerd dat woningen buiten de Randstad de komende tien jaar niet in waarde zullen stijgen en in de Randstad mogelijk wel. Welke impact zal dit volgens de minister hebben op de ontwikkeling van de sociale woonsector? Die zaken zijn immer niet te scheiden.

Uit de parlementaire enquête is naar voren gekomen dat het toezicht op de woningsector tekortschoot. Collega Duivesteijn heeft daar zojuist al het nodige over gevraagd. En op mijn vraag aan hem hoe het kan dat daar twintig jaar geleden al moties over zijn ingediend, maar dat er geen verscherpt toezicht van de grond gekomen is, krijg ik ook graag antwoord van de minister. Gezien het semipublieke karakter van woningcorporaties is een aanzienlijk deel van hun financiële middelen bekostigd met overheidsgeld. Een falend toezicht maakt het weglekken van deze publieke gelden mogelijk en kan ervoor zorgen dat wooncorporaties afdwalen van hun kerntaak, namelijk het verzorgen van sociale huurwoningen, inclusief de omgeving.

Omdat het toezicht, zoals het voorheen georganiseerd was, niet toereikend was, heeft onder andere D66 ook in de Tweede Kamer gepleit voor een onafhankelijke autoriteit. Mijn fractie is dan ook blij dat de autoriteit woningcorporaties deze plek zal gaan invullen en toezicht zal houden op de bescherming van het maatschappelijk vermogen. Daarbij is het een positieve ontwikkeling dat er een splitsing van DAEB- en niet-DAEB-taken en een verplichte juridische of administratieve scheiding van wooncorporaties van kracht wordt. Dit zal zorgen voor de noodzakelijke transparantie en duidelijkheid die de autoriteit woningcorporaties de mogelijkheid geeft om scherp toezicht te houden. Zo kunnen misstanden met overheidsgeld in de toekomst hopelijk worden voorkomen. Zoals mijn fractie in de schriftelijke vragen al stelde, hecht D66 grote waarde aan de onafhankelijkheid van deze autoriteit. Daarom dring ik er bij de minister op aan om de positionering van deze autoriteit dan ook met zorg uit te voeren. Ik ben benieuwd of hij daarover al nadere gedachten heeft.

Mijn fractie acht het ook een positieve ontwikkeling dat er regionale werkgebieden voor woningcorporaties worden afgesproken. De parlementaire enquête heeft duidelijk gemaakt dat binnen de enorme corporaties het "moreel besef" soms ver te zoeken was. Dit kwam niet ten goede aan het uitoefenen van de kerntaak. Dit leidde tot beleid waar vooral de huurders de dupe van waren. Het geeft corporaties ook de mogelijkheid om zich te focussen op de regionale kwesties die spelen in die specifieke regio. Vrijwel alle collega's hier weten dat de Schilderswijk en de Veenkoloniën echt om een andere focus van de betrokkenen vragen. Bovendien moeten de corporaties in overleg met de gemeente een woonvisie opstellen. Ik val de collega's bij die hierbij stil hebben gestaan. Mijn basishouding is dat gemeenten dat op een goede manier zullen doen. Dat moet ook. Vervolgens moet op regionaal niveau worden bezien of het passend is voor het specifieke gebied.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Het gaat juist om het laatste zinnetje. Dat moet ook. Ik weet nog uit mijn tijd als gedeputeerde, begin 2000, dat toen ook al werd gevraagd om woonvisies en woonplannen. Het is nu 2015 en nog steeds heeft niet iedereen woonvisies en woonplannen opgesteld. Het hele systeem staat of valt daarmee. Een corporatie hoeft zich niet aan de verplichtingen te houden als een gemeente geen woonvisie heeft. Als het daarmee staat of valt en je weet dat het al zo lang speelt, wanneer trek je dan de lessen uit het verleden?

De heer Van Boxtel (D66):

Ik val mevrouw De Vries bij dat degenen die op hun handen blijven zitten en niet het lef hebben om een goed verhaal over de toekomstige woningbouwontwikkeling te maken, een tik op de vingers verdienen. In het interruptiedebatje dat ik met de collega van GroenLinks voerde, heb ik mijn grondhouding toegelicht. Deze wet past in het afronden van het echec na de enquête en alles wat wij hebben geconstateerd. Je zult moeten beginnen met vertrouwen. Wij moeten zeggen: dit is een taak en die moet u oppakken. Daar waar men verzaakt, moeten wij bekijken wie in eerste aanleg is geroepen om dit op te lossen. Zijn dit de provincies of is het ministerie aan zet? Ik wil een liefst zo effectief mogelijk mechanisme om ervoor te zorgen dat daar waar wordt verzaakt, in het gat wordt voorzien.

De heer Ruers (SP):

Ik wil de heer Van Boxtel het volgende voorhouden. Ik sluit aan bij de opmerking van mevrouw De Vries dat er een woonvisie moet zijn. Ik weet dat in de stad Utrecht, toch geen kleine stad, al vier jaar geleden prachtige afspraken zijn gemaakt die zijn neergelegd in Bouwen aan de stad. Dit is een dik boek waar van alles in staat, maar er is geen sprake van naleving van al die mooie voornemens van de corporaties. De corporaties zeggen dat het ze financieel niet lukt en de wethouder volkshuisvesting staat erbij en zegt dat hij niets kan doen. Hoe dwingen wij dat af? Wij hebben niets aan een woonvisie op papier die niet wordt uitgevoerd.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik vind het een plezier dat de macht van de wethouder weer een beetje terugkomt. Die is echt heel lang afwezig geweest, want de gemeente was vooral een vragende partij en niet een effectuerende partij. Het hoort ook bij onze rol om over de naleving en effectuering te spreken. De leden vinden in mij niet alleen een voorstander van een mooie visie, maar ook van een instrumentarium om de effectuering daarvan mogelijk te maken. In de sector waarin ik tot voor kort werkte, zijn ook allerlei protocollen en dingen afgesproken, maar in de praktijk gaan de dingen daar soms ook anders dan is afgesproken. Dan moet je ook een sanctiemechanisme hebben.

Ik begin met de vraag in hoeverre je met bijvoorbeeld de VNG en de koepel kunt afspreken dat die woonvisies echt worden opgesteld en worden uitgevoerd. Slappe excuses als: wij hebben even geen geld, of: het is zo moeilijk, helpen dan niet. Daar komt mijn vraag naar bijvoorbeeld de reserveposities ook vandaan. Er zullen vast lokale en regionale verschillen zijn, maar het is mij opgevallen dat het geweeklaag van anderhalf jaar geleden waarschijnlijk een slag in de lucht was. Verwacht de minister van het instellen van de regionale werkgebieden en de woonvisie dat er ook echt meer binding met de regio zal ontstaan en gaat de regionale binding helpen met het bijsturen van het morele kompas, waarover in de enquête werd gesproken?

Ik rond af. In het verleden hebben er te veel misstanden in de sector plaatsgevonden om te negeren dat hervormingen in deze sector hard nodig zijn. Mijn fractie is blij dat het kabinet deze urgentie deelt en dat er stappen worden gezet, zodat de focus van woningcorporaties weer komt te liggen op haar kerntaken. Het toezicht op de activiteiten in de woningmarkt zal zorgvuldiger moeten gebeuren en afspraken binnen de sector vragen om meer duidelijkheid en inzicht. Mijn fractie is van mening dat dit wetsvoorstel een stap in de goede richting is. Ook ik dring er, in navolging van de collega's Duivesteijn, Schouwenaar en anderen, op aan om de ontwikkelingen binnen de sector niet alleen goed te monitoren, maar ook toe te zien, via welk orgaan dan ook, op een juiste uitvoering. Want wetten zijn mooi, maar de uitvoering is vaak geduldig en hier past geen geduld.