Plenair Koning bij behandeling Kinderopvang en peuterspeelzalen



Verslag van de vergadering van 28 april 2015 (2014/2015 nr. 30)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 18.56 uur


Mevrouw Koning i (PvdA):

Voorzitter. Over de voorliggende wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen maak ik namens de Partij van de Arbeid-fractie graag enkele opmerkingen. Die opmerkingen richten zich op de inspanningsverplichting voor kindcentra met minder dan 50 kinderen en op de alternatieve ouderraadpleging bij deze centra indien het niet lukt een oudercommissie in te stellen.

Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zijn kindcentra waar minder dan 50 kinderen worden opgevangen, en overigens ook gastouderbureaus met minder dan 50 gastouders, niet langer verplicht om een oudercommissie te hebben. Wel hebben zij daartoe een inspanningsverplichting. Als ouders aangeven zo'n commissie te willen, dan komt die er dus gewoon, ongeacht het aantal kinderen dat opgevangen wordt.

Mijn fractie is het eens met het uitgangspunt dat het hebben van een oudercommissie de gewenste situatie is. Tegelijkertijd wil mijn fractie haar ogen niet sluiten voor de huidige situatie dat het enkele centra, ondanks vele pogingen, niet lukt om zo'n oudercommissie in te stellen. Die centra voldoen daarmee op dit moment niet aan de wet. Nu het voorliggende wetsvoorstel de grens legt bij centra die minder dan 50 kinderen opvangen, hebben wij in het voorbereidend onderzoek gevraagd hoeveel kindcentra dat dan zouden zijn.

Uit de beantwoording blijkt dat dit ongeveer een derde van alle kindcentra betreft. Dat is eigenlijk best veel. Uit de factsheet van de Brancheorganisatie Kinderopvang blijkt dat er in de eerste helft van 2014 ongeveer 12.000 locaties waren. Als je daarvan een derde neemt die dus geen verplichte oudercommissie meer hebben, dan zou je dus komen op zo'n 4.000 kindcentra.

Wij gaan er overigens van uit dat dit betekent dat dat kindcentra zijn die ongeveer 20 tot 25 kinderen per dag kunnen opvangen. Dat berekenen wij als volgt. De Nederlandse praktijk is dat er amper kinderen zijn die vijf dagen per week opvang genieten. Een kindcentrum dat aan 50 kinderen opvang biedt, zal dus geen 50 kinderen per dag hebben. Graag vragen wij de minister of wij dit ongeveer goed berekenen. Zijn dit kindcentra met ongeveer 20 tot 25 kindplekken per dag?

De gewenste situatie blijft dat deze kleinere kindcentra, kleinere gastouderbureaus en overigens ook kleine peuterspeelzalen wel een oudercommissie hebben. De houder of ondernemer moet daar ook naar streven. Die inspanningsverplichting is neergelegd in artikel 1.58. Uit de beantwoording van onze vragen blijkt dat de toezichthouder, in dit geval de GGD, beoordeelt of aan die inspanningsverplichting wordt voldaan.

Een deel van onze vragen ging vervolgens verder en was gericht op de criteria die gehanteerd worden door de GGD bij de beoordeling van die inspanningsverplichting, die wij graag wilden verhelderen. Het waren vragen, gericht op de uitvoerbaarheid' van het wetsvoorstel. Hoe gaat dat in de praktijk werken? De toezichthouder gaat namelijk na of de wet- en regelgeving wordt nageleefd. Daarvoor is het erg belangrijk dat de wetgever helder is over haar bedoeling. Bovendien is verheldering op dit punt belangrijk voor de kinderopvangsector en voor ouders.

In de memorie van antwoord, maar overigens ook in de memorie van toelichting, is aangegeven dat toezicht door de GGD aan een tweetal criteria wordt getoetst. Enerzijds moet de inspanningsverplichting gericht zijn op nieuwe en op bestaande ouders en anderzijds moet het een continue inspanning zijn. Dus niet één keer en dan tien jaar niet meer.

Dat zijn beide elementen die de PvdA-fractie belangrijk vindt. Naar onze mening kan dat bijvoorbeeld vorm krijgen door twee keer per jaar, in januari en in september, maar het kunnen ook andere momenten zijn, in een nieuwsbrief alle ouders te wijzen op de wens om te komen tot zo'n oudercommissie.

Indien de alternatieve ouderparticipatie vormgegeven wordt met algemene avonden, om met elkaar in gesprek te zijn, lijkt het ons ook belangrijk om op die avonden telkens dit onderwerp weer op de agenda te zetten.

Maar wij zien nog een derde en een vierde criterium, die wij graag aan de minister voorleggen in de hoop dat hij daarop reageert. Het derde element is dat wij een inspanning die zowel op papier als mondeling wordt geuit belangrijk vinden. Dus niet alleen een nieuwsbrief, maar ook een ouderavond; niet alleen een briefje bij de deur, maar ook een gesprek met de pedagogisch medewerker. Zowel op papier dus als mondeling.

Als vierde element vinden wij het heel belangrijk om met elkaar vast te stellen dat een houder die meerdere kleine kindcentra heeft een gemeenschappelijke oudercommissie zou kunnen instellen. Dat is ook genoemd in de memorie van toelichting, maar dan als een alternatieve ouderparticipatie, niet als een manier om aan de inspanningsverplichting te voldoen.

Want indien een houder meerdere kindcentra heeft, die ieder op zichzelf minder dan 50 kinderen opvang bieden, zou een gemeenschappelijke oudercommissie echt een uitkomst zijn, zeker als deze kleinere locaties in dezelfde gemeente zijn gehuisvest. Is de minister dat met ons eens? Voldoet een houder met een gezamenlijke oudercommissie voor meerdere kindcentra aan die inspanningsverplichting? Of is er dan nog steeds een continue en op alle ouders gerichte vraag naar zo'n oudercommissie noodzakelijk?

Een laatste punt. De PvdA-fractie vroeg in het voorbereidend onderzoek of het afnemen van een enquête ook kan worden gezien als een alternatieve vorm van ouderraadpleging. Het antwoord lees ik graag voor: "De toezichthouder beoordeelt of de instelling voldoende inspanning levert en of met de gekozen vorm van een interne enquête de ouderbetrokkenheid en het adviesrecht voldoende worden geborgd." Dat is helemaal geen antwoord. Heeft het dan zin om het nog een keer te vragen? Wij denken: laten wij maar zeggen wat wij ervan vinden. Ik spreek namens de PvdA-fractie graag uit dat het gesprek voor ons van evident belang is. Zo'n gesprek kan natuurlijk goed gevoerd worden aan de hand van enquêteresultaten, maar alleen een enquête als inspanningsverplichting lijkt ons onvoldoende. Het gezamenlijk gesprek is wat ons betreft een belangrijk criterium om te laten meewegen door de toezichthouder. Want met een gezamenlijk gesprek benader je de ideale situatie van een oudercommissie het meest. Graag vraag ik de minister of hij dat met ons eens is.

Dit waren enkele vragen van de PvdA-fractie over een overigens mooi voorstel.