Plenair Beuving bij behandeling Wet op de inlichtingen-en veiligheidsdiensten 20..



Verslag van de vergadering van 11 juli 2017 (2016/2017 nr. 35)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.25 uur


Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij hier vandaag bespreken is bedoeld om de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, de Wiv 2002, te vervangen met het oog op de modernisering van de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de herinrichting van het stelsel van toezicht. Een belangrijke kerntaak van de overheid is het garanderen van een veilig land waarin in vrijheid kan worden geleefd en de democratische rechtsorde is gewaarborgd. Inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn noodzakelijk in het kader van deze kerntaak van de overheid. De diensten verrichten onderzoek naar organisaties en personen die mogelijk een gevaar vormen voor de nationale en/of internationale veiligheid. Op die manier beschermen de diensten de democratische rechtsstaat en dragen zij bij aan het waarborgen van de grondrechten van de burgers.

Om effectief te kunnen zijn in het identificeren van gevaarlijke organisaties en personen dient het onderzoek van de diensten in het algemeen — althans in veel gevallen — heimelijk plaats te vinden, zonder dat betrokkenen daarvan afweten. De omvang van deze heimelijk uitgeoefende bevoegdheden moet corresponderen met de reële risico's waarmee de Nederlandse samenleving en de daarmee verbonden internationale rechtsorde tegenwoordig worden geconfronteerd. Die risico's zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen. Denk daarbij aan terroristische dreigingen, aan cybercrimegevaren en aan veiligheidsrisico's die samenhangen met de vele brandhaarden in de wereld en destabilisatie aan de grenzen van Europa. Technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de snelle opkomst en mondiale verspreiding van digitale technologie en het internet, hebben vergaande gevolgen. Deze ontwikkelingen en het geschetste dreigingsbeeld maken volgens de regering modernisering en uitbreiding van de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten noodzakelijk.

Voorzitter: Flierman

Mevrouw Beuving (PvdA):

Tegelijkertijd vergroot de uitbreiding van ingrijpende bevoegdheden van de diensten de inherente spanning tussen enerzijds de democratische rechtsstaat en de daarin beschermde grondrechten en anderzijds het bestaan en functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen namelijk door gebruik te maken van hun ingrijpende bevoegdheden vergaande inbreuken maken op de grondrechten van burgers. Er moet dus een balans gevonden worden tussen enerzijds de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds het waarborgen van grondrechten, inclusief daarop gericht toezicht. Uitbreiding van bevoegdheden van AIVD en MIVD moet gepaard gaan met een versterking van het waarborgen van grondrechten.

Het meest in het oog springende onderdeel van dit wetsvoorstel is het mogelijk maken van ongerichte interceptie van kabelgebonden telecommunicatie. Dit betekent dat AIVD en MIVD telecommunicatie kunnen verwerven, verwerken en analyseren als zij op zoek zijn naar personen, organisaties en dreigingen, maar door onvoldoende kennis niet of nog niet gericht te werk kunnen gaan. Dat kan alleen met vooraf geaccordeerde onderzoeksopdrachten. Ongerichte interceptie wordt in het kader van dit wetsvoorstel aangeduid als onderzoeksopdrachtgerichte interceptie. Daartegenover staat dat ook de controle op de diensten wordt versterkt. Er komt een Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden. Dat is een onafhankelijke commissie die bestaat uit drie leden. De TIB zal de door de minister verleende toestemming voor de uitoefening van bepaalde bijzondere bevoegdheden op rechtmatigheid toetsen voorafgaand aan de daadwerkelijke uitoefening van die bevoegdheid. Als de TIB tot het oordeel komt dat de toestemming niet rechtmatig is verleend, vervalt de toestemming van rechtswege. Het gaat hier dus om een bindende rechtmatigheidstoets.

Daarnaast hebben burgers de mogelijkheid een klacht in te dienen over het handelen van de AIVD en/of van de MIVD. Burgers die dat doen krijgen in het voorgestelde systeem een bindende uitspraak van de CTIVD. De minister is dus verplicht het oordeel van de CTIVD op te volgen.

In de huidige wet, de Wiv 2002, zijn de interceptiebevoegdheden techniekafhankelijk geformuleerd. Er is namelijk onderscheid gemaakt tussen communicatie via de ether, waarbij ongerichte interceptie is toegestaan, en communicatie via de kabel, waarbij ongerichte interceptie niet is toegestaan. De commissie-Dessens heeft er in het kader van de evaluatie van de Wiv 2002 in 2013 op gewezen dat dit onderscheid niet meer rijmt met de snel voortschrijdende technologische ontwikkelingen op het gebied van dataverkeer en communicatie. De thans voorgestelde opheffing van dit onderscheid vindt de PvdA-fractie op zichzelf begrijpelijk en legitiem.

Verstrekkende bevoegdheden, zoals ongerichte interceptie, vergen echter wel dat er ook adequate waarborgen en effectief toezicht zijn. In het kader van het voorbereidende onderzoek heeft de PvdA-fractie aan de regering een aantal vragen gesteld betreffende de voorgestelde waarborgen en het voorgestelde toezicht. De van de regering ontvangen antwoorden zijn op diverse onderdelen verhelderend en toereikend, maar dat geldt helaas niet voor alle antwoorden. Een enkele keer kreeg ik toch echt de indruk met een kluitje in het riet gestuurd te worden. Dat is jammer, maar de minister heeft vandaag een herkansing!

Eerst heb ik echter nog een vraag van meer technische aard, die ik nog niet eerder aan de orde heb gesteld. De PvdA-fractie vraagt zich af of er bij het aftappen van de kabel mogelijk zodanige fysieke inbreuk op de kabel wordt gemaakt, dat er kwetsbaarheden door kunnen ontstaan waarvan dan weer misbruik gemaakt zou kunnen worden door kwaadwillende derden.

Een onderwerp waar we wel al schriftelijke vragen over hebben gesteld, is de verantwoorde databeperking en de daarmee samenhangende toets op relevantie. In antwoord daarop heeft de regering uiteengezet dat de toets op relevantie bij onderzoeksopdrachtgerichte interceptie op andere wijze plaatsvindt dan bij gerichte interceptie. Bij gerichte interceptie is sprake van reeds onderkende targets, terwijl onderzoeksopdrachtgerichte interceptie zich ook richt op het onderkennen van netwerken en ongekende dreigingen en daarmee op nog niet geïdentificeerde targets. Gerichte interceptie dient gegevens over en van de specifieke target op te leveren, waarna de relevantie per verkregen gegeven kan worden bepaald. Onderzoeksopdrachtgerichte interceptie daarentegen levert een bredere dataset op. De relevantie van gegevens in die dataset wordt bepaald door de combinatie van het bepalen van de specifieke datastroom, de negatieve en positieve filtering alsmede tot slot de selectie van gegevens. Indien de selectie desalniettemin evident niet relevante gegevens oplevert, moeten deze conform artikel 48, lid 5 van het wetsvoorstel terstond worden vernietigd. Gegevens die niet op hun relevantie zijn onderzocht, moeten na afloop van een periode van drie jaar worden vernietigd.

De CTIVD heeft erop gewezen dat het voorgaande betekent dat bij onderzoeksopdrachtgerichte interceptie alle geselecteerde gegevens bewaard en gebruikt kunnen worden, zonder dat hieraan een inhoudelijke beoordeling op daadwerkelijke relevantie ten grondslag ligt. De CTIVD vindt dit om twee redenen problematisch. De eerste reden is dat dit vergeleken met de regeling voor de inzet van een gerichte bevoegdheid leidt tot een verschil in waarborgen op het punt van gegevensvernietiging en daarmee in de mate van rechtsbescherming voor de burger. De tweede reden is volgens de CTIVD dat het effectief toezicht in de weg staat. Namens mijn fractie vraag ik de minister om inhoudelijk in te gaan op deze door de CTIVD gesignaleerde bezwaren.

In het voorbereidend onderzoek hebben wij ook gevraagd of het klopt dat de diensten metadata mogen bewaren als deze niet op basis van negatieve filtering zijn uitgesloten, zonder dat hierop positieve filtering en selectie wordt toegepast. Het antwoord van de regering luidde dat dit inderdaad het geval is en dat de met de uitoefening van onderzoeksopdrachtgerichte interceptie verkregen metadata die resteren na negatieve filtering, ten hoogste drie jaar mogen worden bewaard. Maar even verderop in de beantwoording staat te lezen, ik citeer: "Door de combinatie van het bepalen van de specifieke datastroom, de negatieve en positieve filtering alsmede tot slot de selectie van gegevens wordt gewaarborgd dat geen sprake is van het op grote schaal inbreuk maken op de privacy van personen die zelf geen onderwerp van onderzoek zijn. Voor metadata en inhoudsgegevens gelden dezelfde normen en is er dus geen sprake van een lagere selectiestandaard voor metadata."

Zonder nadere toelichting kan ik het laatste deel van het antwoord niet rijmen met het eerste deel van het antwoord. Aan de minister dus het verzoek om uiteen te zetten hoe dit nu precies zit. En voor het geval zijn antwoord er toch op neerkomt dat metadata mogen worden bewaard als deze niet op basis van negatieve filtering zijn uitgesloten, dus zonder dat hierop positieve filtering en selectie wordt toegepast, vraag ik nu de minister alvast waarom dit verschil tussen metadata en gegevens betreffende de inhoud van de communicatie wordt gemaakt. Voorts verneem ik in dat geval graag van de minister hoe wordt voorkomen dat metadata van grote groepen onschuldige burgers zullen worden bewaard, als enkel negatief wordt gefilterd, alvorens de metadata bewaard mogen worden.

De PvdA-fractie heeft ook nog een vervolgvraag over het voorgestelde artikel 39, waarin de bevoegdheid is geregeld voor de diensten om zich te wenden tot overheidsinstanties, bedrijven en andere derden met het verzoek om realtime en geautomatiseerd toegang te krijgen tot de gegevensbestanden van de betreffende derde. De regering stelt in de nadere memorie van antwoord dat het bij de bevoegdheid van artikel 39 gaat om het bevragen van reeds bij derden berustende gegevens, zij het dat die voor een ander doel zijn vergaard. Volgens de regering is het bevragen van gegevensbestanden bij derden dan ook — dan ook! — als minder ingrijpend middel te kenmerken dan wanneer deze gegevens via de inzet van een bijzondere bevoegdheid worden vergaard. De PvdA-fractie verzoekt de minister uit te leggen waarom dit voor de persoon waarop deze gegevens betrekking hebben, een minder ingrijpend middel is, waarvoor niet de extra waarborgen hoeven te gelden die wel gelden voor de inzet van bijzondere bevoegdheden.

Voorzitter, als laatste onderdeel van mijn inbreng in eerste termijn wil ik stilstaan bij de voorgestelde Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden, die een belangrijke waarborg moet vormen tegenover de uitbreiding van de bevoegdheden van de diensten. De PvdA-fractie is ingenomen met de zware benoemingsprocedure die in artikel 33 juncto artikel 99 van het wetsvoorstel is opgenomen. Minder zicht hebben we op de feitelijke inbedding van de TIB. Wordt de TIB ondergebracht bij of in de nabijheid van de CTIVD, of bij een andere toezichthoudend autoriteit?

Graag zouden we een beter beeld krijgen van de feitelijke omstandigheden waaronder de TIB haar belangrijke werk moet doen. Namens mijn fractie heb ik door het stellen van schriftelijke vragen ook inzicht proberen te krijgen in hoe de TIB, bestaande uit relatieve buitenstaanders en met een zeer beperkte inhoudelijke ondersteuning — blijkens de memorie van antwoord één secretaris en één plaatsvervangend secretaris — de noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van bijzondere bevoegdheden in het kader van mogelijk grootschalige, abstract aangeduide en technisch complexe operaties zodanig goed kan inschatten dat zij daadwerkelijk de rol kan vervullen die haar in het wetsvoorstel wordt toebedeeld.

De antwoorden van de regering hebben mij hierbij tot dusver nauwelijks verdergeholpen. In de nadere memorie van antwoord is vooral benadrukt wat er in de formulering van mijn vraag, die overigens aansloot bij een formulering van de Afdeling advisering van de Raad van State, niet klopte en is vooral uiteengezet wat niet tot de taak van de TIB behoort en voorts wordt verschillende keren herhaald dat de wettelijke rol van de TIB erin bestaat te toetsen op rechtmatigheid, namelijk van een door de minister verleende toestemming voor de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid voorafgaand aan de daadwerkelijke uitoefening daarvan. Op de kern van mijn vraag, namelijk of de TIB wel voldoende is geëquipeerd om haar rol goed te vervullen en daarmee ook feitelijk de waarborg te zijn die zij wordt geacht te zijn, is de regering niet ingegaan. Ik vraag de minister dat vandaag alsnog te doen.

Wij zien de antwoorden van de minister met belangstelling tegemoet.