Plenair Beuving bij behandeling Doorverkoop toegangskaarten



Verslag van de vergadering van 10 oktober 2017 (2017/2018 nr. 3)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.30 uur


Mevrouw Beuving (PvdA):

Dank u, voorzitter. Graag spreek ik hier allereerst mijn bewondering uit voor de inzet en de lange adem die de initiatiefnemers van dit wetsvoorstel hebben getoond bij de voorbereiding en de behandeling van dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel voorziet in een regeling betreffende de doorverkoop van toegangskaarten voor een tevoren georganiseerde publieke gebeurtenis op het terrein van sport of cultuur in Nederland. In de memorie van toelichting wordt er terecht op gewezen dat doorverkoop van toegangskaarten geen nieuw fenomeen is. De omstandigheden waaronder deze handel plaatsvindt, zijn inmiddels wel ingrijpend veranderd. Door het internet is de tussenhandel in toegangskaarten sterk toegenomen en geprofessionaliseerd. Bij de start van de voorverkoop worden toegangskaarten tegenwoordig massaal opgekocht door professionele tussenhandelaren, die de toegangskaarten vervolgens tegen aanzienlijk hogere prijzen doorverkopen.

De PvdA-fractie steunt het streven van initiatiefnemers om het uit voorgaande gang van zaken voortvloeiende probleem van de beperking van toegankelijkheid van evenementen tegen te gaan. Consumenten moeten de mogelijkheid hebben tegen een passende prijs een voorstelling of een wedstrijd bij te wonen in plaats van deze tegen woekerprijzen aan te moeten schaffen op de secundaire markt van de tussenhandel. De PvdA-fractie deelt dus de beweegredenen van de indieners van dit wetsvoorstel. Met betrekking tot de concrete inhoud van het voorliggende wetsvoorstel hebben wij echter nog wel twijfels en daarmee samenhangende vragen.

Initiatiefnemers hebben gekozen voor de volgende civielrechtelijke constructie: een toegangskaart kan door een professionele verkoper worden verkocht tegen een hogere prijs dan de oorspronkelijke — op de toegangskaart te vermelden — prijs, mits de prijsverhoging, met inbegrip van de rechtstreekse kosten van administratie en verzending, zowel direct als indirect niet kennelijk onredelijk is. De prijsverhoging wordt in ieder geval kennelijk onredelijk geacht als deze meer bedraagt dan 20% van de oorspronkelijke prijs. Indien een toegangskaart in strijd met het voorgaande is verkocht voor een hogere prijs dan is toegestaan, dan geldt het bedrag dat de koper heeft betaald boven de oorspronkelijke prijs en de toegestane verhoging voor de rechtstreekse kosten van administratie en verzending, als onverschuldigd betaald. In het wetsvoorstel wordt voorts bepaald dat van deze regeling ten nadele van een consument niet kan worden afgeweken; in die zin is de voorgestelde regeling dus van dwingendrechtelijke aard.

Aan de gekozen civielrechtelijke constructie zitten nogal wat lastige kanten. Om te beginnen geldt dat voor de maatstaf van de kennelijke onredelijkheid. De vraag wat een onredelijke prijsstelling is, is in zijn algemeenheid niet eenvoudig te beantwoorden. Wat de een een onredelijke prijs vindt, kan een prijs zijn die de ander maar wat graag wil betalen. In het civiele recht is het dan ook aan partijen van een overeenkomst om te bepalen welke prijs zij in het concrete geval redelijk vinden en wensen overeen te komen. In het systeem van het voorliggende wetsvoorstel is niet leidend wat partijen zijn overeengekomen, maar wordt ervan uitgegaan dat overeengekomen prijzen kennelijk onredelijk kunnen zijn. En als het er op aankomt is het de civiele rechter die zal moeten vaststellen of dat het geval is.

Gelukkig geeft het wetsvoorstel wel enig houvast door te bepalen dat een prijsverhoging bij doorverkoop van een toegangskaart in ieder geval onredelijk wordt geacht als deze meer bedraagt dan 20% van de oorspronkelijke prijs, dat wil zeggen de prijs die op de toegangskaart is vermeld. Waarom, zo vraag ik de initiatiefnemers, hebben zij in het wetsvoorstel niet gekozen voor alleen deze harde grens van 20% in plaats van daarnaast ook de mogelijkheid open te houden dat een prijsverhoging van 20% of minder in het concrete geval onredelijk kan zijn? Leidt het open houden van die mogelijkheid niet tot onnodige onzekerheid en juridisch gedoe?

Voorzitter. Initiatiefnemers hebben er onder meer in de memorie van antwoord op gewezen dat het bij doorverkoop van toegangskaarten op het terrein van sport en cultuur gaat om het algemeen belang. Evenementen op het terrein van sport en cultuur moeten voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor mensen met lagere inkomens. De PvdA-fractie deelt dit uitgangspunt van harte. Wel rijst bij ons de vraag of dit wetsvoorstel werkelijk zal bevorderen dat ook mensen met een kleine beurs bij deze evenementen aanwezig kunnen zijn. De in dit wetsvoorstel gekozen constructie houdt immers in dat doorverkoop van toegangskaarten tegen een te hoge prijs wel degelijk mogelijk blijft, maar dat de koper het te veel betaalde als onverschuldigd betaald terug kan vorderen.

Een koper met een kleine beurs zal dan al struikelen over de eerste hindernis, namelijk het tegen de te hoge prijs moeten kopen van de toegangskaart. De PvdA-fractie ziet niet hoe het vooruitzicht om in een procedure bij de civiele rechter, met de daarbij komende proceskosten, het te veel betaalde als onverschuldigd betaald terug te kunnen vorderen, mensen met een kleine beurs zal helpen over deze hindernis heen te stappen. Kunnen de initiatiefnemers uiteenzetten hoe zij dit voor zich zien in de praktijk? Zijn het niet juist degenen met een ruimere beurs die te dure toegangskaarten kunnen kopen, vervolgens naar het evenement kunnen gaan, daarvan kunnen genieten en daarna in het systeem van dit wetsvoorstel het te veel betaalde kunnen terugvorderen?

Tijdens het genoemde gesprek met deskundigen werd uit de kring van de professionele secundaire verkopers aangevoerd dat er genoeg mogelijkheden zijn om feitelijk onder de bepalingen van het wetsvoorstel uit te komen. Zo werd het voorbeeld genoemd van het te koop aanbieden van een fan package van een populaire artiest met een toegangskaart voor om en nabij de oorspronkelijke prijs, plus bijvoorbeeld een T-shirt en een pet voor zeg maar 300 euro. Ziet de PvdA-fractie het goed, zo vraag ik de initiatiefnemers, dat een dergelijke packagedeal volgens de letter van het wetsvoorstel in overeenstemming is met het wetsvoorstel, inclusief het voorgestelde lid 3 van artikel 4a, boek 7 BW? De gedachte achter dat derde lid is kennelijk dat als potentiële kopers maar weten wat de toegangskaart kost en welke — mogelijk forse — prijs er voor daaraan gekoppelde zaken, zoals T-shirt en pet of diensten, zoals een diner, wordt berekend, deze potentiële kopers dan wel zullen afzien van koop. Ik vrees dat voor veel mensen geldt, dat als zij iets heel graag willen en het kunnen betalen, ze bereid zijn ver te gaan. Graag een reactie van de initiatiefnemers op dit punt.

Dat betekent, het voorgaande overziend, dat dit wetsvoorstel de PvdA-fractie voor een dilemma stelt. Enerzijds steunen wij het achterliggende streven van de initiatiefnemers om het massaal opkopen van toegangskaarten en deze tegen veel hogere prijzen door te verkopen, waardoor voor mensen met lagere inkomens minder kaarten beschikbaar zijn, tegen te gaan. Uit onze inbreng tot dusver is gebleken dat we echter twijfels hebben of de in dit wetsvoorstel gekozen privaatrechtelijke route in het individuele geval werkelijk een oplossing biedt voor mensen met een kleine beurs. Maar misschien hopen initiatiefnemers vooral op een preventieve werking van dit wetsvoorstel, die ertoe zou moeten leiden dat secundaire verkopers van toegangskaarten hun prijzen gaan aanpassen aan de nieuwe wet. Kunnen de initiatiefnemers hier nog hun licht op laten schijnen?

Voorzitter. Wij zien uit naar de antwoorden van de initiatiefnemers. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Beuving. Ik geef het woord aan de heer Ruers.