Plenair Rinnooy Kan bij voortzetting Algemene financiële beschouwingen



Verslag van de vergadering van 20 november 2018 (2018/2019 nr. 8)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.24 uur


De heer Rinnooy Kan (D66):

Dank u wel, voorzitter. Na regen komt zonneschijn, op zuur volgt zoet en na lijden komt verblijden. Gelukkig zijn deze oude, diepe wijsheden ook van toepassing op de Nederlandse economie. Vanuit het diepe dal van crisis en recessie zijn wij eindelijk weer beland op de prettige piek van de hoogconjunctuur. De werkloosheid is laag, de files zijn lang — te lang — en de huizen zijn duur — te duur — maar toch. Laten we vooral proberen voor iedereen er het beste van te maken, geholpen door de mooie en terecht door velen geprezen perspectieven die de Miljoenennota biedt. We hebben er lang genoeg op moeten wachten en we moeten nu vooral hopen dat de piek een hoogvlakte zal blijken te zijn. Vanzelfsprekend is dat zeker niet. Naast de twee traditionele zekerheden van dood en belastingheffing is de zekerheid van zuur na zoet immers een onaangename derde. De groeiprognoses vlakken alweer wat af, vooral in Duitsland. Vroeger of later zullen we deze piekervaring weer achter ons laten, maar hopelijk met fijne herinneringen.

Voorzitter. Helemaal normaal is deze hoogconjunctuur overigens niet. Hoge lonen, hoge rente, hoge inflatie horen er meestal bij, maar nu niet. En hoog vertrouwen in de toekomst ontbreekt ook, in ieder geval bij een aantal Nederlanders. Dat kan te maken hebben met de wel erg lange rit naar de top. Het uithoudingsvermogen van Tom Dumoulin wordt nu eenmaal niet iedereen gegund. Het is een extra reden om maximaal te willen leren van wat ons is overkomen. Crisis en recessie sloegen precies toe toen economen begonnen te hopen dat dat niet meer zou gebeuren. Een dieptepunt van deze omvang en duur moeten we nooit meer willen meemaken.

Graag nodig ik de minister van Financiën, onverminderd welkom in ons midden en inmiddels door vele soorten wol geverfd, uit om met zijn al even welkome staatssecretaris in deze Kamer te reflecteren op wat de diepe en lange crisis ons heeft bijgebracht, zoals collega Postema zojuist ook al deed. Wat denkt hij bijvoorbeeld van de inschatting dat de afgelopen diepe recessie de productieve capaciteit van de Europese economieën — waaronder die van Nederland — blijvend heeft aangetast? Zowel de Amerikaanse als de Europese economie blijven, niettegenstaande de lage werkloosheid, maar liefst 10% achter bij de officiële outputverwachtingen voor nu van tien jaar geleden. Wat zou van die structurele aantasting de oorzaak kunnen zijn en wat kunnen we daarvan leren?

Europese fiscale discipline is onverminderd nuttig en onverminderd nodig. Maar waar Europa terecht een ondergrens legt op het begrotingstekort, legt het zeker geen bovengrens op het begrotingsoverschot. Elk land is vrij daarbij naar hartenlust anticyclisch te opereren, ook Nederland. Als ik het kabinet, in gezelschap van de Raad van State en andere waarnemers, iets heb te verwijten, is het dat het zich heeft laten verleiden tot op zich herkenbare uitgaveambities die ten koste kunnen gaan van de Nederlandse weerbaarheid bij een nieuwe crisis.

Ik vroeg vorig jaar aandacht voor hetzelfde thema. Eerder leek deze minister genegen een nadere studie te wijden aan de aanhoudende procycliciteit van het Nederlandse begrotingsbeleid, nog versterkt door de Nederlandse huizenmarkt. Wat is daar inmiddels van terechtgekomen? Nu worden wij immers geconfronteerd met een ongunstige ontwikkeling in het structurele begrotingstekort, dat nog maar net binnen de toegelaten limiet blijft, en met een negatief houdbaarheidssaldo. In zijn schriftelijke reactie voert de minister terecht aan dat andere Europese landen het nog slechter doen. Maar sommige Europese landen hebben in tijden van hoogconjunctuur begrotingsoverschotten laten zien van 3% tot 4%. Kan de minister van Financiën, bij uitstek de beschermer van onze nationale stabiliteit op termijn, zich de zorg van mijn fractie voorstellen? Ik hoop dat hij er een goed voornemen aan ontleent voor volgend jaar. Eerdere recessies hebben Nederland wel eens onverwacht overvallen, met als gevolg dat zowel extra bestedingen als extra bezuinigingen op het verkeerde moment kwamen. Kan de minister ons ditmaal geruststellen? En denkt hij dat de toenemende flexibiliteit van de arbeidsmarkt ons nu gaat helpen of gaat hinderen bij een passende reactie op een economische krimp?

Als de overheid dan toch meer uitgeeft dan conjunctureel aangewezen zou zijn, dan zouden die extra uitgaven vooral structuurversterkend — lees: productiviteitsverhogend — moeten zijn. Ook op dat punt zou de fractie van D66 graag gerustgesteld willen worden. Heeft het kabinet dit criterium gehanteerd en, zo ja, waar blijkt dat uit? Het R&D-budget van de Nederlandse overheid is bijvoorbeeld, niettegenstaande de inspanningen van dit kabinet, nog steeds zo'n 10% lager dan de budgetten van Scandinavische landen, om van sommige Duitse deelstaten nog maar te zwijgen. De sector die daarvoor de basis moet leggen, het hoger onderwijs, heeft het financieel juist moeilijk, mede door alle structureel te lage studentenramingen. Kan de minister toezeggen dat deze sector de komende jaren verdere bezuinigingen bespaard zullen worden?

Al langere tijd vraag ik namens mijn fractie de aandacht van het kabinet voor de stagnerende productiviteitscijfers van Nederland. Die zijn geruime tijd geleden verworden van een stralend naoorlogs kroonjuweel tot een dof kweekpareltje. Verbetering blijft vooralsnog uit en in zijn recente, gewaardeerde reactie op de Kamerinbreng over deze kwestie weet ook de minister dat niet te verklaren. Het zou ons veel waard moeten zijn onze naoorlogse voorsprong te heroveren. Misschien schiet het meetinstrument van de productiviteit in onze gedigitaliseerde wereld fundamenteel tekort, want de zegeningen van de smartphone — voor zover die er zijn — klinken er maar beperkt in door. Maar dan dient de vraag naar een betere indicator zich onmiddellijk ook aan. De fractie van D66 zou uitzien naar voortgaande rapportages van het kabinet over dit belangrijke onderwerp en had daarom schriftelijk verzocht. Op die vraag reageerde de minister nog niet; misschien zou hij dat alsnog willen doen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

De heer Rinnooy Kan stelt dat het achterblijven van productiviteitsgroei in de Nederlandse economie een probleem is. Vindt de heer Rinnooy Kan het ook een probleem dat de lonen in Nederland al sinds jaar en dag achtergebleven zijn bij die productiviteitsgroei?

De heer Rinnooy Kan (D66):

Dat vind ik opmerkelijk, maar ik vind het minder een probleem. Ik zou denken dat vanuit elk denkbaar perspectief productiviteitsgroei een zegen is. Nederland heeft juist op dat punt jarenlang geëxcelleerd, vooral op de productiviteitsgroei per uur. Vanuit die index bezien waren we gedurende vele jaren wereldleider. Ik stel vast, met verdriet, dat dat de laatste jaren niet meer zo is. Onze productiviteitsgroei is eigenlijk al geruime tijd op zijn best gemiddeld en we zijn omringd door landen met een zeer vergelijkbare productiviteit. Uiteraard is er een relatie, zeker vanuit de economische theorie, tussen productiviteit en de mogelijke loongroei, die in elkaars verlengde zouden moeten liggen. In die zin zou extra productiviteitsgroei gunstig moeten uitpakken voor al diegenen die daarvan afhankelijk zijn. Maar ik probeer nu dus te onderstrepen dat de causaliteit in die richting ligt.

De heer Van Apeldoorn (SP):

De heer Rinnooy Kan stelt dat extra productiviteitsgroei gunstig zou moeten zijn voor de loonontwikkeling. We constateren alleen dat dat de afgelopen jaren niet het geval geweest is. Sinds 2008 of 2006, als het niet langer geleden is, blijven die lonen achterlopen bij de productiviteitsgroei. Maar volgens vele economen, onder andere volgens economen van de Rabobank, is de causaliteit deels ook andersom: als de lonen meer zouden groeien, zou dat een prikkel kunnen zijn tot verdere innovatie en daarmee tot een verhoging van de productiviteit. Men zou de causaliteit dus ook kunnen omdraaien. Ik wil de heer Rinnooy Kan vragen of we dat niet in onderlinge samenhang zouden moeten bezien.

De heer Rinnooy Kan (D66):

Dat is alleszins toegestaan. Maar het punt van achterblijvende loonstijging is precies het onderwerp van de volgende alinea van mijn speech. Als de heer Van Apeldoorn dus nog even geduld heeft, kan ik hem op dit punt redelijk compleet bedienen.

De vraag die ik op het punt stond te stellen, was namelijk of in die achterblijvende productiviteit misschien ook een deel ligt van de verklaring voor de wel zeer bescheiden loonstijgingen in deze Nederlandse hoogconjunctuur. En dat is dan nog afgezien van de hieraan voorafgaande jaren. Het is sinds mensenheugenis niet voorgekomen dat de president van De Nederlandsche Bank, de nationale zuinigheidsapostel bij uitstek, oproept tot forse loonstijgingen. De minister en de heer Van Apeldoorn zouden mij kunnen tegenwerpen dat in de Verenigde Staten de lonen ook dramatisch stagneren, terwijl de productiviteit daar juist wel flink stijgt, al zou dat gegeven onze Nederlandse productiviteitszorgen overigens pijnlijk onderstrepen. Of moet de oorzaak van de achterblijvende lonen gezocht worden in een combinatie van immigratie vanuit Europa, uitbesteding naar Azië en flexibilisering in eigen land, misschien nog verder gesteund door een vakbeweging die aan invloed verloren lijkt te hebben? Of — dat is nog weer een andere verklaring — is de Nederlandse werkloosheid misschien hoger dan zij lijkt?

Mij werd verteld dat jonge parttime professionals — artsen, leraren — best meer zouden willen werken, maar daarin worden afgeremd door logistieke complexiteiten. Kan de minister die geruchten ontkennen dan wel onderzoeken? McKinsey rekende onlangs voor dat arbeidsmarktparticipatie door Nederlandse vrouwen op Europees topniveau 100 miljard euro extra bbp zou kunnen opleveren. Aan de participatiekant, naast productiviteit de tweede welvaartsbepaler, valt dus ook nog wel wat te winnen.

Het uitblijven van hogere lonen en hogere bedrijfsinvesteringen — geen goed teken — maakt deze hoogconjunctuur tot een bijzondere. En het lijstje is nog niet compleet. Want het ook al uitblijven van een hogere rente geeft vrij spel aan exorbitante prijsstijgingen op de woningmarkt. Dat is fijn voor bezitters, maar fataal voor nieuwkomers. Ziet de minister mogelijkheden voor een extra handreiking in de richting van al degenen die niet kunnen profiteren van een vastgoedmeevallertje bij hun ouders, wellicht door een op te rekken rol van de Nationale Hypotheek Garantie? Jonge gezinnen op zoek naar betaalbare woonruimte hebben het op dit moment heel erg moeilijk. Het kabinet gaat de regels voor hypotheektoekenning weer wat verruimen, maar de broodnodige uitbreiding van de woningvoorraad komt buitengewoon traag op gang.

Nee, voorzitter, een gewone hoogconjunctuur is dit dus niet en dat vraagt om een verklaring. Ligt daaraan dan toch een aanhoudende nervositeit ten grondslag van burgers en bedrijven over wat de nabije toekomst hen zal brengen? Daar zijn wel redenen voor te verzinnen. Deze Algemene Financiële Beschouwingen spelen zich af tegen een onrustige achtergrond, in Europa en daarbuiten. De uitslag van de recente Amerikaanse verkiezingen heeft die onrust niet weggenomen, integendeel. Sterke polarisatie is helaas een wereldwijd fenomeen geworden, tot in Europa en Nederland toe. Nederland heeft als internationaal toonbeeld van cohesie en solidariteit veel te verliezen. Het vechten voor die traditie zou een alles doorsnijdend thema van kabinetsbeleid mogen zijn.

Voorzitter. Graag nodigt de fractie van D66 de minister uit de gelegenheid te benutten om zijn perspectief op Europa nog eens met deze Kamer te delen, in de hoop dat de bekering van de minister-president tot oprecht overtuigd Europeaan ook hem deelachtig is geworden. Juist vanuit zijn ministerie is er het nodige werk te verzetten, al was het alleen maar in het adresseren van de grote Europese uitdagingen van dit moment. Onlangs nog is deze Kamer nader voorgelicht over de financiële basis die daarvoor in het nieuwe MFK gelegd moet worden. Eerder werd daar ook al naar verwezen. Een sterker Europa zou mijn fractie in ieder geval heel veel waard zijn. Zuinigheid is geen slechte leermeester, bijvoorbeeld bij de landbouwuitgaven, maar wat ons betreft niet de enige. Er is wat mijn fractie betreft alle reden om bijvoorbeeld via een digitale omzetbelasting of een CO2-heffing de Europese inkomsten te vergroten en daarvan kerninspanningen op terreinen als duurzaamheid, migratie, kennis en veiligheid te laten profiteren.

Maar het urgentst is natuurlijk brexit. Gaarne verneemt mijn fractie van de minister zijn huidige inschatting van het lopende onderhandelingsproces. De situatie in het Verenigd Koninkrijk als angstaanjagend voorbeeld van waar polarisatie toe kan leiden. Een slechte afloop kan Nederland een verlies van 1% à 2% bbp opleveren, zo staat in de Miljoenennota. Is Nederland logistiek inmiddels klaar voor dit onverhoopte scenario, bijvoorbeeld waar het gaat om de verzwaarde procedures van import en export? Onderkent het kabinet de wenselijkheid van een noodwet voor dubbele nationaliteit, zoals ook Duitsland die zal invoeren voor landgenoten in het Verenigd Koninkrijk die door brexit worden bedreigd? En hoe bereidt het kabinet zich inmiddels voor op de Nederlandse strategie in het post-brexit-Europa, als de meestal bondgenootschappelijke relatie met het Verenigd Koninkrijk wegvalt? Komt de gevormde en door deze minister met verve aangevoerde Hanzecoalitie na de inmiddels voorziene uitbreidingen in de buurt van een blokkerende minderheid voor de relevante Europese beslissingen? Is de indruk juist dat deze coalitie een welkome gesprekspartner voor Duitsland is, meer dan dat voor Frankrijk geldt? Deelt het kabinet desalniettemin de opvatting van de fractie van D66 dat in de versterking van de Duits-Franse as een primair en prioritair belang schuilgaat voor Nederland en Europa en hoe vertaalt zich dat in de Europese diplomatie van ons land, bijvoorbeeld in onze opstelling rond een mogelijke eurozonebegroting?

En dan zijn ook de zorgen rond Italië nog lang niet verdwenen. Kan de minister aanduiden hoe kwetsbaar Nederland is in een financiële crisis die uitgelokt zou kunnen worden door onverantwoord Italiaans begrotingsbeleid? Die vraag geldt in het bijzonder voor de Nederlandse financiële sector, inclusief tweede-orde-effecten die kunnen ontstaan als Nederlandse banken afhankelijk zouden blijken te zijn van landen die midden in de Italiaanse vuurlinie liggen. Was dit scenario verwerkt in de recente Europese stresstest, die de Nederlandse banken naar verluidt goed zouden hebben doorstaan? De fractie van D66 heeft met enige verbazing kennisgenomen van de kennelijke bereidheid van het kabinet om mee te werken aan de verlaging van de minimumkapitalisatiegraad van de Europese banken van 4% naar 3%. Die bereidheid zou het vertrouwen moeten weerspiegelen dat de Nederlandse banken ook na die verlaging in staat zullen blijven om elke redelijk denkbare toekomstige crisis in Europa te overleven. Maar is er werkelijk vooruitgang geboekt in de brede balansverkorting, waar ik vorig jaar namens de fractie aandacht voor vroeg? En is het bail-inmechanisme ten laste van aandeel- en obligatiehouders die een bedreigde bank te hulp zouden moeten schieten nu geheel op orde? Het lijkt er eerder op dat de financiële markten nog steeds rekenen op een bail-out door de Europese overheden in geval van een nieuwe bankencrisis. Kan de minister ons op dat punt geruststellen?

Een stabiele financiële sector is voor Europa van enorme betekenis en een van de vele voorbeelden van een opgave die de nationale grenzen verre overschrijdt. Een bescheiden onderdeel daarvan is een Europese pensioenvoorziening, de PEPP, die zijn Brusselse afronding nadert. Eerder betoonde het kabinet zich daarover kritisch, maar niet onwelwillend. Zou de minister willen toelichten wat de Nederlandse insteek is bij de nu lopende onderhandelingen en wat daarbij de voor Nederland belangrijkste ingrediënten zijn? Met hem kijken wij vol verwachting uit naar de ontknoping van de grotere opgave van het nieuwe Nederlandse pensioenakkoord.

De bijzondere aandacht van deze minister vraag ik ten slotte ook voor de duurzaamheidsopgave die Europa zichzelf heeft gesteld, waaraan financiële instrumenten wezenlijk kunnen bijdragen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Vindt u het ook een probleem, net als eerder geconstateerd in een interruptiedebat met collega Van Kesteren, dat de indexatie van de pensioenen al zo lang is uitgebleven? En zo ja, denkt u dan dat dat mogelijk te maken heeft met de rekenrente, die niet de reële rekenrente is? Is dat volgens de D66-fractie ook een probleem waaraan mogelijk wat gedaan moet worden?

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik heb zoals altijd met belangstelling naar het betoog van de heer Van Kesteren geluisterd. Ik heb al evenveel belangstelling voor het naderende pensioenakkoord. Maar ik neem daar op dit moment nog geen voorschot op. Ik wacht het af, met hoop en vertrouwen.

Voorzitter. De bijzondere aandacht van deze minister vraag ik ten slotte, zei ik al, ook voor de duurzaamheidsopgave die Europa zichzelf heeft gesteld, waaraan financiële instrumenten wezenlijk kunnen bijdragen. Het is te betreuren dat Nederland, anders dan andere Europese landen, zich nog niet aan een mobiliteitsheffing heeft willen wagen. Dat maakt die brede, effectieve, liefst Europese CO2-heffing des te relevanter. De fractie van D66 vraagt zich af hoe de minister en zijn staatssecretaris de duurzaamheidsbijdrage van de huidige Miljoenennota beoordelen, met enerzijds onbenutte kansen voor een verdere expansie van de hogesnelheidslijnen en anderzijds de exorbitante subsidiëring van elektrische auto's. Met des te meer spanning kijkt mijn fractie uit naar de financiële en logistieke uitwerking van het klimaatakkoord, voor D66 een van de belangrijkste ingrediënten van dit regeerakkoord. Als de minister daarop een voorschot zou willen nemen, zijn we daarin uiteraard zeer geïnteresseerd.

Voorzitter. Niet lang geleden herdachten wij in deze Kamer een van de grote voorgangers van deze minister, Wim Kok. Hij was zich als geen ander bewust van de grote bijdragen die juist vanuit het ministerie van Financiën geleverd kunnen worden aan de brede welvaart van ons land, juist ook in de betekenis die de Raad van State aan dat concept toekent. De belangrijke hervormingsprioriteiten die dit kabinet zich heeft gesteld zullen veelal ook dat ministerie raken, van arbeidsmarkt, gezondheidszorg en pensioenen — bij de twee laatste wachten we dus graag op de kabinetsvoorstellen — tot aan onderwijs, onderzoek en innovatie. Elk daarvan draagt bij aan de kernopgave om te streven naar een land waarin welvaart en welzijn duurzaam kunnen groeien en in solidariteit worden verdeeld. Dat is ook een land dat zich onderdeel weet van een sterk en verenigd Europa en dat zijn verantwoordelijkheid neemt in een onrustige wereld. De fractie van D66 ziet uit naar de bijdrage van deze minister en zijn staatssecretaris aan dat proces en naar hun reactie op onze punten van aandacht.

Dank u wel.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik heb naar het hele verhaal van de heer Rinnooy Kan geluisterd, maar ik had hem eigenlijk ook nog graag willen horen over wat collega Postema terecht de grootste post of het grootste pakket uit de begroting noemde qua financiële omvang, namelijk de 3,3 miljard die structureel uitgegeven wordt aan de verlaging van de Vpb, de vennootschapsbelasting. De heer Rinnooy Kan heeft net als de heer Van Kesteren vele jaren in het Nederlandse bedrijfsleven achter de rug. Ik vroeg me af of het ook in zijn ervaring, op basis van zijn gevoel, noodzakelijk is om de vennootschapsbelasting dusdanig naar beneden te brengen om het bedrijfsleven sterk te houden. Is dat dé manier? Is dat noodzakelijk om voor een goed vestigingsklimaat te zorgen, of was hij misschien toch ook lichtelijk verbaasd over hoe snel de dividendbelasting werd ingeruild voor dit andere cadeau?

De heer Rinnooy Kan (D66):

Verbaasd of opgelucht, die kwalificatie laat ik maar even in het midden. Ter onderstreping van wat de heer Van Kesteren al betoogde, kan ik wel zeggen dat de vennootschapsbelasting ontegenzeggelijk een instrument is dat werkt. Het werkt vooral goed omdat het juist de ondernemingen waarvan we in Nederland buitengewoon afhankelijk zijn, een handje helpt. Ook hij zei dat, en terecht, denk ik. In het midden- en kleinbedrijf zitten de voornaamste betalers. Die merken wat dit voor hen betekent. Ik neem een voorschot op wat de heer Van Apeldoorn mij nu gaat vragen, namelijk hoe ik dan aankijk tegen de neerwaartse spiraal, de race to the bottom en wat dies meer zij, die daardoor uitgelokt kan worden. Laat ik maar direct zeggen dat ik mij dat risico heel goed kan voorstellen. Terzelfdertijd heeft hij, dacht ik, ook zelf gezegd dat wij leven in een wereld waarin een dergelijke competitie een gegeven is, zo niet binnen Europa, want daar zouden we met wat goede wil misschien nog iets aan kunnen doen in eigen kring, dan toch in ieder geval tussen Europa en de rest van de wereld. De opgave is dus, dunkt mij, om die competitie niet te negeren, want uiteindelijk is private werkgelegenheid een belangrijke bron van welvaart voor de meeste Nederlanders, maar om te proberen om de opgave die daardoor wordt gesteld te combineren met het in stand houden van een solidaire en fatsoenlijke samenleving. Dat is, denk ik, waar de politiek op aangesproken mag worden en dat is uiteindelijk ook wat het totaalbeeld van een miljoenennota hoort op te leveren. Vanuit dat totaalbeeld zie ik die opgave in ieder geval vooralsnog goed vervuld en waargenomen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

De heer Rinnooy Kan zegt dat deze competitie, deze belastingconcurrentie een gegeven is. Ik ken D66 als een progressieve en hervormingsgezinde partij. Als je nu stelt dat er ook een problematische kant aan die competitie zit, omdat de belastinginkomsten wereldwijd van overheden daardoor kunnen eroderen, zouden we dan niet met z'n allen tot de conclusie moeten komen dat we die competitie misschien zouden moeten beperken en dat we zouden moeten nadenken over een manier om die competitie, die concurrentie tegen te gaan in plaats van voorop te lopen in de race naar de bodem zoals het kabinet doet, waardoor die concurrentie, die competitie alleen nog maar versterkt wordt?

De heer Rinnooy Kan (D66):

Dat van dat vooroplopen betwijfel ik. Ik denk dat het kabinet zijn eigen rol speelt. Als kleine, open economie is Nederland extra gevoelig voor positieve signalen dan wel minder positieve signalen die het uitzendt met betrekking tot de aantrekkelijkheid voor ondernemingen om zich hier te vestigen en bij te dragen aan onze welvaart. Met alle respect voor wat progressieven vermogen, hun regievermogen over de rest van de wereldeconomie is helaas beperkt. Dus ook vanuit die bescheidenheid geredeneerd, zou ik het echt in de balans willen zoeken. We moeten het risico onderkennen, maar accepteren dat het niet weg te organiseren valt en we moeten ons concentreren op aanvullend beleid dat wel in Nederland onder exclusief Nederlandse verantwoordelijkheid gevoerd kan worden, om ons land niet alleen welvarend, maar ook fatsoenlijk een solidair te houden.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Tot slot op dit punt. Dit kabinet was in het regeerakkoord en vervolgens in de Miljoenennota al voornemens om de vennootschapsbelasting te verlagen. De heer Rinnooy Kan hield net een verhaal over waarom dat nodig was. Toen werd besloten om de dividendbelasting niet langer af te schaffen — dat was ook tot opluchting van de heer Rinnooy Kan — is vervolgens besloten om de vennootschapsbelasting nog verder te verlagen ten opzichte van wat in de Miljoenennota stond. Mijn vraag aan de heer Rinnooy Kan is of hij het in het licht van deze analyse dan ook een verstandige beslissing vindt om dat vrijgekomen geld, die 1,9 miljard, alsnog uit te geven aan het bedrijfsleven via een nog verdere verlaging van de Vpb.

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik kan mij heel goed voorstellen dat de heer Van Apeldoorn en zijn partij ook andere ideeën kunnen hebben over waar dat bedrag naartoe zou kunnen gaan, maar in de afweging der dingen is mijn partij ervan overtuigd geraakt dat deze beslissing verstandig en weloverwogen was.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Rinnooy Kan. Ik geef het woord aan de heer Binnema.