Plenair Bikker bij behandeling Afschaffing fusietoets in het funderend onderwijs



Verslag van de vergadering van 9 juni 2020 (2019/2020 nr. 30)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.09 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Bikker i (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook als een wet met goede bedoelingen begint, is dat helaas geen garantie voor goede uitkomsten. In deze Kamer wordt elke wet tegen het licht van de rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid gehouden. Niet alleen goede bedoelingen helpen een zaak vooruit. Maar dat betekent ook weer niet dat de Eerste Kamer alles kan voorspellen. De behandeling van het wetsvoorstel afschaffing fusietoets onderstreept deze constatering.

Tegelijk zien wij vandaag wél het nut van een evaluatie, om te zien welke uitkomsten een wet daadwerkelijk heeft. Wij doen de jammerlijke constatering dat de fusietoets goede bedoelingen had, maar geen winst opleverde voor het funderend onderwijs. Dat blijkt uit de evaluatie en ook uit het veldonderzoek.

De fractie van de ChristenUnie kan zich, terugkijkend, zeer goed voorstellen dat in 2011 de oplossing gezocht werd in het instellen van een fusietoets voor het hele onderwijsveld. Het schrikbeeld was de situatie rond Amarantis, de grote mbo-koepel waar de financiële problemen groot waren en de kwaliteit van het onderwijs helaas onder de maat. De invoering van het wetsvoorstel fusietoets bracht een drietrapsraket, met de fusie-effectrapportage, de instemmingsbevoegdheid voor de mr en de daadwerkelijke fusietoets op rijksniveau. Maatregelen voor het hele onderwijsveld, van funderend onderwijs tot hoger onderwijs, met als doel: terugkeer naar de menselijke maat, naar het besef dat een school een herkenbare gemeenschap moet vormen, met behoud van de pluriformiteit.

Tegen dat doel zegt mijn fractie nog steeds volmondig ja. Het is essentieel dat scholen herkenbare gemeenschappen zijn voor leerlingen, ouders en leerkrachten. Maar het instrument fusietoets blijkt daarin voor primair en voortgezet onderwijs geen goed middel om dat te bevorderen. De minister heeft naar onze mening overtuigend aangetoond dat voor het funderend onderwijs de eerste twee stappen van die drietrapsraket, de fusie-effectrapportage en het instemmingsrecht mr, wel bijdragen aan een goede afweging of een fusie de juiste stap is. Maar die laatste fase, de fusietoets op rijksniveau, levert veel bureaucratie en wachttijd op en eigenlijk geen resultaat. Veel moeite dus en scholen die terugdeinzen voor het ingaan van een ongewis traject.

Daarnaast heeft de tijd niet stilgestaan. De leerlingenaantallen lopen terug, nu al, en dat zal de komende decennia zo blijven. Dat geeft een nieuwe uitdaging voor krimpregio's en dat zullen er helaas steeds meer worden. Om juist ook daar goed en kwalitatief sterk onderwijs overeind te houden, met ruimte voor keuzevrijheid voor ouders en leerlingen, met de garantie dat er nabij onderwijs is en om de uitdagingen waar deze regio's voor staan goed op te pakken, is kwalitatief sterk onderwijs essentieel.

Voorzitter. Wij steunen de minister dus in het afschaffen van de landelijke fusietoets, maar ik heb ook een paar vragen. Welke voornemens heeft de minister ter bevordering van die menselijke maat en die herkenbare gemeenschap? Dat kan niet alleen vanuit toezicht en inspectie worden afgedwongen. De minister heeft laten zien dat ook grote schoolbesturen zorg kunnen dragen voor herkenbare gemeenschappen van diverse scholen. Dat is mooi. Dat bevorderen is een aanmoediging voor alle schoolbesturen, groot of klein. Maar vindt hij dat er nu genoeg gebeurd is om de nadelen van de schaalvergroting die we destijds constateerden op te vangen? Of is daar ook op cultuurniveau nog het nodige werk te doen? Waar denkt de minister dan aan? Hoe staat het bijvoorbeeld met de aanbeveling van de commissie-Dijkgraaf om de maatschappelijke verantwoordelijkheid van schoolbesturen wettelijk te borgen? De minister heeft eerder toegezegd dat te onderzoeken, maar wanneer wordt duidelijk wat het vervolg is? Worden schoolbestuurders niet ook juist ook zo bepaald bij een belangrijk deel van hun taak? Hoe staat het met het vervolgonderzoek naar bestuurlijke constructies die ontstaan zijn buiten de Wet fusietoets om, de privéscholen, verschillende holdings en coöperaties. Zicht op de feiten is nodig om een oordeel te kunnen vormen over de wenselijkheid van deze scholen en hun stichtingsvormen.

Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie is voor behoud van die menselijke maat en voor ruimte voor pluriformiteit, de goede kerngedachte van deze wet uit 2011. Dat blijft gewoon staan, ook na afschaffing van een onderdeel van de wet. De Commissie Fusietoets Onderwijs gaf bij haar laatste jaarverslag nog een paar dringende aanbevelingen mee. Zo schrijft ze over die pluriformiteit dat het de vraag is of van de betrokken partijen mag worden verwacht dat ze behoud van pluriformiteit in het stelsel in hun overwegingen altijd een doorslaggevende rol zullen laten spelen. Ik citeer: "Het publieke belang van keuzevrijheid en pluriformiteit op stelselniveau loopt niet per definitie parallel met de lokale en regionale kortetermijnbelangen. Lokale en regionale besluitvorming kan dus uitkomsten opleveren die niet in lijn zijn met het publieke belang van een stelsel gekenmerkt door keuzevrijheid en pluriformiteit." Bij die opmerking zou ik bij dit wetsvoorstel toch graag de reflectie van de minister horen. Hoe ziet de minister dit wetsvoorstel in dat licht en hoe betrekt hij dit aspect bij die aankomende evaluatie over drie jaar?

Ten slotte is de rol van de medezeggenschapsraad een belangrijke om de inbreng van de direct betrokkenen, de mensen om wie het gaat, te garanderen. Ik heb gelezen dat de mr extern advies kan inwinnen op kosten van het schoolbestuur. Mijn vraag aan de minister is wel of hij dat kan concretiseren en of hij de vinger aan de pols kan houden of dit op een goede manier invulling krijgt. Ook op dit punt deed de CFTO een aanbeveling, namelijk om de adviesfunctie op een overzichtelijk en herkenbaar punt te beleggen. Heeft de minister dat overwogen of is hij bereid alsnog te kijken of er een plek is waar dit goed gestalte zou kunnen krijgen, zodat een medezeggenschapsraad en een individueel lid makkelijk op herkenbare punten kunnen ontdekken wie er op dit punt goed advies kan geven?

Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie is voor wet- en regelgeving die het goede beoogt, maar ook effectief is. Dat laatste is met de landelijke fusietoets niet het geval en daarom kunnen wij instemmen met de afschaffing. Tegelijk vragen wij de minister om scherp te zijn op het behoud van de menselijke maat, van herkenbare gemeenschappen en het bevorderen van de pluriformiteit.

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Collega Bikker betoogt net als collega Pijlman dat de fusietoets, die volgens dit wetsvoorstel afgeschaft zou moeten worden, een bureaucratisch obstakel vormde. Mevrouw Bikker spreekt nog net niet van een bureaucratisch monster, maar in ieder geval wel van een bureaucratisch obstakel dat uiteindelijk weinig deed want er werden weinig fusies tegengehouden. Ook de minister heeft daar meermaals op gewezen. Nu wil ik mevrouw Bikker toch vragen of haar fractie niet ook overwogen heeft om tot een andere conclusie te komen. Je zou namelijk ook kunnen constateren dat de fusietoets weinig fusies tegengehouden heeft, omdat hij niet helemaal zo gewerkt heeft als hij bedoeld was, namelijk de menselijke maat borgen. Je zou dus de fusietoets moeten aanpassen, zodat de fusietoets in die zin effectiever zou zijn. Waarom is dat geen overweging geweest voor de fractie van de ChristenUnie?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank voor deze goede vraag, maar laten we beginnen bij die constatering. Ik constateer dus dat de problemen ten tijde van de invoering van de fusietoets het allermeest zichtbaar waren in mbo en hbo. We zien dat de fusietoets het minst van toepassing is geweest waar de grootste problemen zaten. We zien dat de bulk van fusieaanvragen — een letterlijk citaat uit de evaluatie van de fusietoets — bij het funderend onderwijs. Het probleem zat dus op een andere plek en de fusietoets daalde neer bij het funderend onderwijs. Daar had men vervolgens te maken met de bureaucratie en de wachttijd. Dat is één. Het tweede heeft ook mijn voorganger, de heer Remmelt de Boer, betoogd, toen hij namens de ChristenUnie de fusietoets in 2011 bekeek. Hij zei dat ook een groot schoolbestuur juist wel invulling zou kunnen geven aan bijvoorbeeld de pluriformiteit en het op verschillende manieren zorgen voor waardengemeenschappen van scholen. Een groot schoolbestuur is daarin soms beter geëquipeerd dan allerlei kleine schoolbesturen, die tegen elkaar opboksen om hun eigen school het meest te laten aansluiten bij ouders. Dat geeft soms meer eenheidsworst dan de diversiteit die onder een groter schoolbestuur makkelijker gegarandeerd kan worden. Dat maakt dus dat de afweging van mijn fractie net wat anders is dan die van de Socialistische Partij.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dat laatste is duidelijk. Ik zou collega Bikker toch willen wijzen op een motie uit de Tweede Kamer, waarover ik het al eerder had, waaraan zij zich natuurlijk niet gehouden hoeft te voelen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Nee.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik zou toch graag haar reflectie daarop horen. Die motie stamt uit 2014, wat dus drie jaar na invoering van de fusietoets is, en is ondertekend door onder anderen de heer Voordewind, bij mevrouw Bikker welbekend. Deze motie van het lid Ypma c.s. constateert dat de Wet fusietoets bedoeld is om de menselijke maat in het onderwijs te borgen en dat het wetsvoorstel met algemene stemmen is aangenomen. De motie constateert vervolgens dat de toen voorliggende beleidsregels eigenlijk onvoldoende waren om de menselijke maat te borgen en verzocht vervolgens de regering om de beleidsregels dusdanig aan te passen, door normen in te stellen van 2.500 leerlingen in het primair onderwijs en 5.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs als drempel voor toetsplichtigheid. Dat had een feitelijke aanscherping van de invulling van de fusietoets ingehouden. De CFTO heeft later ook gezegd dat dat een goed idee zou zijn. Dat is niet gebeurd. Vervolgens heeft er een versoepeling plaatsgevonden. De heer Pijlman heeft daar ook op gewezen. De facto zou met het nu voorliggende wetsvoorstel de fusietoets helemaal worden afgeschaft. Als het toch ingevoerd was, waren er dan mogelijk meer ongewenste fusies tegengehouden en hadden we de schaalvergroting dan beheersbaar gemaakt? Of zegt mevrouw Bikker eigenlijk dat, achteraf gezien, wat hier in de motie staat, de zorgen om schaalvergroting en de menselijke maat die de ChristenUnie destijds in de Tweede Kamer had, eigenlijk niet terecht waren?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik vind het een prachtige vraag om het werk van mijn collega's aan de overkant te evalueren. Tegelijkertijd wil ik ook gewoon naar dit wetsvoorstel kijken. Het doel dat mijn collega's aan de overkant hadden en hebben en wat ik heb, is garanderen dat zo'n school een herkenbare gemeenschap is. Dat herken ik in het streven van de heer Voordewind aan de overkant en dat is ook het streven dat de heer De Boer namens de ChristenUnie had bij de behandeling in 2011. Dat is ook het streven wat ik hier nu heb. Ik constateer wel, ook als ik kijk naar de cijfers van de fusietoets die wij hier nu hebben en waarin het parlement keuzes heeft gemaakt, dat wat de ChristenUnie ook heeft gedaan en hoe groot wij ook zijn, het wel altijd 5 van de 150 zetels geweest zijn, en hier maximaal 4 van de 75. De meerderheid hier heeft dus in de loop van de tijd keuzes gemaakt over hoe die fusietoets er moest uitzien. Ik zie daarvan dat er in de laatste vijf jaar geen een fusie is tegengehouden. Tegelijkertijd hoor ik wel dat scholen daarin zoekende zijn en het soms niet aandurven om het proces aan te gaan, omdat de uitkomst ongewis is. Ik zie ook dat mensen op scholen tot andere vormen van fusies overgaan. Ik zeg dan: laten we teruggaan naar de kern. Wat is nu echt belangrijk om zo'n school zo'n waardevolle gemeenschap te laten zijn?

Dan kom ik op een punt waarbij de SP volgens mij juichend op de banken zou moeten staan. Dat gaat om de versterking van de functie van de mr, en dat mr-leden weten hoe ze hebben te handelen. Je ziet dan ook dat er een betrokkenheid met die gemeenschap komt. Hoe hoog ik deze minister ook acht — dat kunt u bijna niet meten — toch denk ik dat hij geen invloed heeft op hoe die gemeenschap zich precies organiseert. Een mr heeft dat wel.

De voorzitter:

Meneer Van Apeldoorn, het laatste.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ja voorzitter, het laatste. Als het gaat om de versterking van de mr, dan vindt de ChristenUnie inderdaad de SP aan haar zijde. We hebben ook voorstellen gedaan om de positie van de mr nog verder te versterken, die overigens niet zijn aangenomen in de Tweede Kamer. Dat laat onverlet dat mijn fractie — de ChristenUnie schat dat blijkbaar anders in — wel degelijk zorgen heeft dat als je schoolbesturen alsmaar groter maakt, hoewel een fusie soms nuttig en noodzakelijk kan zijn, je dan wel degelijk het risico loopt dat je het bestuur op nog verdere afstand plaatst van de werkvloer. Veel deskundigen hebben daar ook op gewezen. Dat leidt tot een verlies in zeggenschap, een soort vervreemding en een gevoel van verlies in de menselijke maat. Dat wil niet zeggen dat groot altijd fout is, maar wel dat er een negatieve correlatie kan bestaan tussen schaalgrootte en de menselijke maat.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ja, maar daarover zou ik dan toch iets willen terugzeggen. Ik bepleit hier niet dat allerlei scholen groter moeten worden, integendeel. Ik pleit er alleen voor dat die afweging gemaakt wordt op de plek waar die gemaakt moet worden, namelijk in de regio's met bijvoorbeeld een daling in het aantal leerlingen. Ik kijk hoe dat bijvoorbeeld in de Achterhoek georganiseerd is, waar scholen door op tijd in te stappen overeind kunnen blijven. Zo blijft ook het waardevolle, het openbare en het bijzondere onderwijs overeind. Ik weeg die zorg dan anders. Tegelijkertijd hebben wij ook een andere weging van wat de overheid moet doen en wat er uit de samenleving moet komen. Misschien komt dat ergens ook wel uit dit debat naar voren. Ik zoek mijn heil dus iets minder in de bureaucratie en iets meer in de gemeenschap.

De voorzitter:

De heer Van Kesteren.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Gas erop!

De heer Ton van Kesteren i (PVV):

De fractie van de ChristenUnie wil af van de landelijke fusietoets. Maar aan de andere kant wil de ChristenUnie ook de herkenbaarheid, de diversiteit en de pluriformiteit van de diverse scholen onderstrepen, en het baart haar zorgen of die wel gegarandeerd zijn. Maar vindt de ChristenUnie ook niet dat de fusietoets met het oordeel van de minister veel beter geborgd is dan dat je het overlaat aan een mr of andere lokale partijen, die vaak de overhand hebben en daar hun invloed laten gelden, terwijl een minister daar veel onafhankelijker en objectiever over kan oordelen als een minder welgevallige ontwikkeling gestopt zou moeten worden?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank voor deze vraag, maar opnieuw is hier toch sprake van een andere visie op de overheid. Ik geloof dat het onderwijs echt begint bij de ouders en hun kinderen, de leerlingen, en bij leerkrachten. Die zorgen met elkaar voor goed onderwijs in die regio, in die dorpen en in die steden. Het is juist daarom dat ik aan de minister vraag hoe het staat met het wettelijk vastleggen van die maatschappelijke opdracht die schoolbestuurders hebben. Want die zijn er niet om de business te runnen, ze zijn er om te zorgen dat er een waardevolle school in de regio is. Ik zoek dat juist lokaal. Eigenlijk, als ik soms de argwaan zie bij de Partij voor de Vrijheid ten aanzien van de landelijke overheid, zou ik me bijna kunnen voorstellen dat meneer Van Kesteren ook zou zeggen: ik zou het in Groningen ook veel prettiger vinden. Maar helaas is hij daarvan nog niet overtuigd geraakt.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Maar dan wil ik mevrouw Bikker toch vragen of ze geen zorgen heeft als een bepaalde identiteit van een school dreigt te worden ondergesneeuwd door een andere identiteit die de meerderheid heeft bij de ouders en in de mr, waarmee ze gewoon geen kans meer maakt en meegaat in zo'n bestuursmoloch en geen andere keus meer heeft. De praktijk wijst dat vaak uit. Dan zou een overheid toch een verantwoordelijkheid moeten nemen om een stokje te steken voor bepaalde ontwikkelingen die niet goed zijn voor de vrijheid van onderwijs, maar ook niet voor de variatie en de pluriformiteit in het aanbod van onderwijs. Dat zou u ook sieren.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank dat de heer Van Kesteren dingen ziet die mij sieren; dat is altijd mooi. Tegelijkertijd zal ik dit kleed niet aantrekken, want ik zie dat anders. Ik zie het namelijk zo dat een mr van een school kan zeggen: ik wil dit niet, want ik wil niet bij die andere school gaan horen. Daar zijn ook voorbeelden van, waarin ook de mr van een grotere scholengemeenschap zegt: ik wil die kleinere scholengemeenschap nog niet of misschien helemaal niet. Ik vind dat precies de afweging die men lokaal kan maken, waar ook ouders zeggen: wij hebben onze kinderen met een bepaalde reden op deze school gedaan, wij hopen dat die school in stand blijft, en daarom hopen dat we mogen aansluiten bij een ander schoolbestuur, met behoud van onze identiteit, en dat daarover gesproken kan worden. Maar het kan ook zijn dat ouders zeggen: wij willen dat niet. Dat kan uitstekend via de mr, en dat gaat veel minder goed via de minister, want dat bewijzen de cijfers.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Ik zou mevrouw Bikker het volgende willen vragen. Stel er is een katholieke school, en de populatie van leerlingen verandert door demografische veranderingen. Daar blijken veel islamitische kinderen op te zitten en een klein aantal katholieke kinderen. Nu is er een ontwikkeling gaande dat dat onderwijs heel geleidelijk verandert, waardoor er weinig overblijft van de identiteit van de oorspronkelijke school. Wat vindt u ervan als zoiets gebeurt? De interesses van ouders wijzen daarop, en een bestuur wordt ook geleidelijk vervangen. Uiteindelijk kun je zeggen dat het in naam nog een katholieke school met een katholiek bestuur is, maar dat de praktijk in feite heel anders is. En van de katholieke opvoeding blijkt opeens niet veel meer over. Wat vindt u van zo'n ontwikkeling? Want die zijn er ook.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker, en dan gaat u uw betoog afronden.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat snap ik, voorzitter, al komen we nu wel bij een prachtige vraag. Want ik zou het fantastisch vinden als heel veel mensen vanuit hartstochtelijke overtuiging kiezen voor het christelijk onderwijs. Dat zal de heer Van Kesteren ook niet verrassen. Tegelijkertijd zie ik ook dat er plekken zijn waar mensen andere keuzes maken. Het gaat er alleen om dat, als een schoolbestuur zegt dat het een katholieke school is, het schoolbestuur dat ook heeft te waarborgen. Daar zijn alle regelingen naar. Een medezeggenschapsraad is geen vehikel dat vijandig wordt overgenomen. Integendeel, daar zitten vertegenwoordigers van de ouders en van de leerkrachten in, die daar het gesprek aangaan, ook met het schoolbestuur. Dus die vijandige overname die de heer Van Kesteren schetst, herken ik eigenlijk niet zo dreigend als hij het ziet. En als hij het zo'n bedreiging vindt, zou ik zeggen: zorg dan vooral dat veel mensen hartstochtelijk kiezen voor het christelijk onderwijs. Dan heeft hij dat probleem helemaal niet.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bikker. Dan geef ik tot slot in deze termijn het woord aan de heer Ganzevoort namens de fractie van GroenLinks, nadat het spreekgestoelte gereinigd is.