Plenair Koole bij voortzetting debat over de verhouding tussen de centrale overheid en decentrale overheden



Verslag van de vergadering van 11 mei 2021 (2020/2021 nr. 36)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.59 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Koole (PvdA):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording en de collega's voor de inbrengen en discussies. Ik denk dat we vandaag een heel belangrijk debat hebben gehad; een debat dat vele aspecten kent. Ik heb mezelf vooral geconcentreerd op de democratische legitimatie van de decentrale overheden, maar er was natuurlijk ook veel anders aan de hand: de financiële verhoudingen en vooral de grote financiële problemen op decentraal niveau.

Ik ben blij met een aantal toezeggingen die door de minister zijn gedaan, bijvoorbeeld de toezegging om bij de begroting van BZK een overzicht te leveren van alle rijksuitgaven en daarbij ook aanvullende informatie te geven over de trends. Een andere toezegging is om te onderzoeken en een of andere manier te vinden om in het kader van het Gemeentefonds iets van een gegarandeerd vrij besteedbaar budget te hebben. De 30% is misschien te rigide, maar toegezegd is om in ieder geval te onderzoeken hoe dat op de een of andere manier kan worden bereikt. Ik ben blij met die toezeggingen.

Het debat overziende, ben ik niet van mijn conclusie terug kunnen komen dat er echt een crisis is in de democratische legitimatie van het decentrale bestuur. Die crisis is groot en dat heeft vooral te maken met de processen van regionalisering; we hebben het er vandaag uitvoerig over gehad. Er ontbreekt een doordacht plan of regie. We hebben het erover gehad. Ik heb gesproken van een dynamisch plan, een analytisch kader om in ieder geval duidelijk en overzichtelijk te maken wat er allemaal aan processen aan de hand is, overzichtelijk voor ons als parlement, maar ook overzichtelijk voor de mensen in de Staten en in de raden. Als je dat overzicht bevordert, dan kan de democratische legitimatie beter functioneren. Ik ben blij dat er een toezegging is gedaan om met de decentrale overheden het gesprek aan te gaan over dat democratische plan, dat analytische kader of hoe je het noemen wil.

Of dat per se moet leiden tot het herstel van het huis van Thorbecke? Ik kan er niet zo'n mooi verhaal van maken als de heer Van Hattem dat heeft gedaan, maar er is wel een soort beeld alsof Thorbecke ooit het huis van Thorbecke heeft bedacht. De term "huis van Thorbecke" is pas ergens in de twintigste eeuw een keer geformuleerd. Het is dus niet iets vasts. Als ik de Thorbeckebrief "beste Rudolph" van de minister goed heb gelezen, dan was Thorbecke juist voor iets dynamisch. Vandaar de term "dynamisch" in mijn plan. Ik dacht: dat heeft meer met Thorbecke te maken dan een vastgesteld huis van Thorbecke dat altijd en eeuwig hetzelfde zou moeten zijn, dat uit drie lagen bestaat en waar alles wat erbij of erboven zit er weer van af moet. Ik zou het toch wat dynamischer willen zien, maar wel met regie en overzicht, waardoor het toegankelijker wordt voor de burgers in het land, de raadsleden, de Statenleden en de Kamerleden. Is de minister het daarmee eens? Ik hoop dat ze dat dynamische plan, dat analytische kader nu heeft omarmd, maar dat moet dan in ieder geval op korte termijn worden ingebracht, ook bij de formatie.

Ik heb nog een paar vragen. Ik had een vraag over het beeld dat geschapen wordt door Elzinga, die spreekt van de "rijksheren in de regio". Dat wil zeggen dat vooral de vakdepartementen beleid uitrollen op regionaal niveau, in zijn woorden ook omdat dat heel makkelijk is, een soort achtertuin van de vakdepartementen, niet al te veel gehinderd door democratische controle door politici op lokaal of provinciaal niveau, lekker in een regio waar geen volksvertegenwoordiging zit. Daarom spreekt hij er van dat er beleid wordt gemaakt door 'rijksheren in de regio'. Ik had gevraagd of de minister dat beeld herkent en, als zij het niet herkent, of er dan niet een ander probleem is met de regio's in het perspectief van de democratische legitimering. Zij probeert aan te geven "we moeten het ermee doen, het kan zus, het kan zo met allerlei verschillende oplossingen". Moet niet veel meer op rijksniveau worden besproken met de collega-vakministers in de ministerraad dat er niet zomaar beleid kan worden uitgerold zonder dat daar democratische controle op is?

Een tweede vraag gaat over het dossier voor de kabinetsformatie; het is al genoemd. Is dat een gezamenlijk dossier van de minister van Binnenlandse Zaken en de medeoverheden? Of is dat een dossier van alleen de minister van Binnenlandse Zaken? En kan dat dossier, als dat beschikbaar is, in ieder geval ook naar beide Kamers worden gestuurd?

Ik kom ten slotte op de positie van de minister van Binnenlandse Zaken, waarover we gesproken hebben. Ik heb een pleidooi van anderen aangehaald dat die positie moet worden versterkt. Ik onderschrijf dat pleidooi zeer. De minister is daar toch aarzelend in. Zij zegt: ik heb al heel veel mogelijkheden. Maar ze is wel bereid om te bekijken hoe je dat dan toch kan versterken. Dat zou bijvoorbeeld kunnen in het kader van dat dynamische plan. Maar laat ik die adviezen er eens bij nemen. In het position paper van de VNG staat bijvoorbeeld dat onder meer nodig is: "een sterkere positie van de minister van BZK bij de toedeling van taken. De minister van BZK toetst nieuwe voorstellen op evenwicht tussen taken, financiering en uitvoerbaarheid." En op pagina 8 van het advies van de Raad van State staat: "De hoedende rol van de minister van BZK kan vooralsnog onvoldoende worden waargemaakt; de bestaande bepalingen in de organieke wetten noch de in de kabinetsformatie van 2017 gemaakte afspraak om die hoedende rol te versterken, hebben tot tastbare resultaten geleid." Dat is dus niet gebeurd. "Het is daarom zaak de positie van de minister van BZK in deze formatie opnieuw aan de orde te stellen." Daarbij wordt dus gedoeld op de komende, de lopende formatie. Een eindje verderop staat: "daarom zou ... de formele positie van de minister van BZK moeten worden versterkt door hem als medeondertekenaar verantwoordelijk te maken voor wetten die de decentrale overheden rechtstreeks raken. Die medeverantwoordelijkheid ziet ook op budgetoverdrachten die met de decentralisaties gepaard gaan en de motivering van de wijze waarop de financiële gevolgen van decentralisaties worden gedekt."

Dit zijn twee adviezen van belangrijke organen waarin dit heel nadrukkelijk staat. En als het allemaal al redelijk zou lopen, zouden deze organen dit toch niet adviseren? Dus daarom stel ik nogmaals mijn vraag aan de minister of zij deze adviezen op dit punt zou willen overnemen. Dat is echt een versterking van de positie van de minister van Binnenlandse Zaken, met ook die bevoegdheid van medeondertekening. Ik heb daarvoor een motie voorbereid.

De voorzitter:

Door de leden Koole, Van Gurp en Nicolaï wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een krachtiger georganiseerd decentraal bestuur wenselijk is;

overwegend dat gedachtevorming daarover in samenhang met de democratische legitimatie van het decentraal bestuur dient te worden bevorderd;

overwegende dat de rol van de minister van BZK als hoeder van de medeoverheden binnen het rijksbestuur meer dan ooit gewenst is;

overwegende dat met het oog daarop de formele positie van de minister van Binnenlandse Zaken moet worden versterkt, onder meer tot uiting komend in het medeondertekenen van wetten die de decentrale overheden rechtstreeks raken;

overwegende dat deze medeverantwoordelijkheid ook ziet op budgetoverdrachten die met decentralisaties gepaard gaan en de motivering van de wijze waarop de financiële gevolgen van decentralisaties worden gedekt;

spreekt de wens uit dat de versterking van de aldus omschreven positie van de minister van Binnenlandse Zaken als hoeder van democratisch gelegitimeerde medeoverheden binnen het rijksbestuur tijdens de lopende kabinetsformatie aan de orde wordt gesteld;

verzoekt de Voorzitter van deze Kamer deze wens over te brengen aan de informateur,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt letter H (35570-VII).

De heer Koole (PvdA):

Voorzitter. Ik heb nog één opmerking. Waarom nú deze motie? Dit gaat specifiek over iets dat alleen maar bij een kabinetsformatie geregeld kan worden. Het gaat namelijk over de bevoegdheden van een minister. Dat moet je dus nú regelen. Als je nu wacht, ben je weer vier jaar verder. Je moet het moment dus niet missen.

Sommigen zullen misschien vragen: waarom moet de Eerste Kamer zich daarover uitspreken? Het gaat hier specifiek over een punt dat een kamer als de Eerste Kamer zich ter harte zou moeten nemen. Zeker de Eerste Kamer moet namelijk een integrale afweging van belangen kunnen maken. Dan helpt het ontzettend, blijkt ook uit de adviezen van de beide organen die ik net heb geciteerd, als er op dit belangrijke punt van de decentrale overheden een minister tegenover zit die ook in de positie is om zelf een integraal overzicht te houden. Dat kan alleen door een versterkte positie. Ik zou dus zeggen dat het juist op dit punt heel goed bij de Eerste Kamer past om dit voorstel te doen. En het moment daarvoor is nu, want anders moeten we weer vier jaar wachten.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koole. Dan is het woord aan de heer Van der Voort namens de fractie van D66.