Plenair Van Dijk bij voortzetting debat Staat van de rechtsstaat



Verslag van de vergadering van 21 juni 2022 (2021/2022 nr. 34)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.48 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Dijk i (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de bewindslieden hartelijk voor hun reactie op de gestelde vragen. Ik heb nog een paar punten. Ik zie uit naar de nadere reactie van de minister van Justitie omtrent de migrantenkerken en hun moeilijkheden om een bankrekening te openen als gevolg van de wetgeving tegen witwassen en terrorisme. Als dat per brief beter kan, zoals de minister zei, is dat ook uitstekend. Ik zie er heel erg naar uit.

De minister reageerde op mijn vragen over het mogen hebben van kritiek op abortuswetgeving, wat niet per definitie kritiek op de rechtsstaat impliceert. De minister bevestigde dat kritiek kan en mag. Tegelijkertijd zie ik wel een tendens — dat was de achtergrond van mijn vraag — om abortus steeds vaker neer te zetten als mensenrecht. Ik zie daartoe pogingen op Europees niveau bij de EU, maar ook in de Nederlandse politiek bij kritiek op de Poolse en Hongaarse rechtsstaat, soms helemaal terecht, die soms doorloopt in kritiek op hun abortuswetgeving. Dan lopen rechtsstaat en inhoudelijke politieke opvattingen zomaar door elkaar heen. Ik vind dat we hier wel zuiver moeten blijven redeneren. De minister maakte hierbij nog een persoonlijke noot en sprak haar verbazing uit over het feit dat we in 2022 nog moeten spreken over het recht op abortus. Dat is een verschil in perspectief. Ik vind het persoonlijk volstrekt achterhaald dat we anno 2022 nog steeds het doden van menselijk leven als oplossing durven te presenteren. Ik voorspel dat de achterkleinzoon van collega Nicolaï hierover over 30 jaar hele kritische vragen gaat stellen.

Daarnaast merk ik op dat scholen het volste recht hebben en ook moeten houden om het huwelijk te definiëren als een levenslange liefdesrelatie tussen één man en één vrouw. Als dat niet meer zou kunnen of mogen, zou ik me pas echt zorgen gaan maken over de staat van onze rechtsstaat.

Voorzitter. We hadden ook een mooie gedachtewisseling over juridische acties van belangenorganisaties op grond van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek en de vraag naar hun representativiteit. Die gedachtewisseling zet ik graag voort. Daarom de volgende motie.

De voorzitter:

Door de leden Van Dijk, Talsma en Nanninga wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat afwegingen die het algemeen belang betreffen primair een zaak van de politiek zijn;

constaterende dat juridische acties van belangenorganisaties op grond van artikel 3:305a BW grote impact kunnen hebben op de samenleving, terwijl het vaak specifieke belangen betreft die slechts beperkt gewogen kunnen worden in bredere context van het algemeen belang;

constaterende dat belangenorganisaties die procedures aanspannen vanwege een ideëel belang uitgezonderd kunnen worden van de ontvankelijkheidsvereisten van artikel 3:305a BW, maar dat het voor het borgen van de legitimiteit van deze acties goed zou zijn dat er ten minste ontvankelijkheidsvereisten ten aanzien van representativiteit gelden;

verzoekt de regering te verkennen in hoeverre voor belangenorganisaties met een ideëel doel op grond van artikel 3:305a BW nadere vereisten met het oog op de representativiteit gesteld moeten worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt letter W (35925-VI).

De heer Van Dijk (SGP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Dijk. Dan is het woord aan mevrouw De Blécourt-Wouterse namens de VVD.