Plenair Raven bij debat met de Parlementaire onderzoekscommissie effectiviteit antidiscriminatiewetgeving (POC) over het rapport "Gelijk recht doen"



Verslag van de vergadering van 13 september 2022 (2021/2022 nr. 39)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.49 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Raven i (OSF):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil de heer Vos ook feliciteren met zijn maidenspeech. Het was een prachtige speech. Ik heb er al heel veel van opgestoken. Ik zie dus uit naar uw andere speeches in de komende tijd.

Voorzitter. Zoals we weten, en zoals ook de parlementaire commissie benoemt, berust discriminatie veelal op vooroordelen. Daarmee hebben we een hoofdthema van het debat te pakken, want Albert Einstein schijnt ooit gezegd te hebben: "Het splijten van een vooroordeel is moeilijker dan het splijten van een atoom." Vooroordelen en dus discriminatie zijn een moeilijk te bestrijden veenbrand. Bestrijding van discriminatie zou daarom voor iedereen een continue, dagelijkse, intensieve missie moeten zijn, die niet mag verzwakken. De samenleving zou niet in discriminatie mogen berusten. Iedereen heeft er namelijk belang bij, want vandaag sta je wellicht nog aan de goede kant van de lijn, maar morgen kun je zelf het slachtoffer zijn. Zo kun je vandaag nog als vredelievende Syriër door het leven gaan, terwijl je morgen bij de debatten in de Nederlandse Tweede Kamer wordt weggezet als een illegale, gelukszoekende, gevaarlijke vluchteling die misbruik maakt van de Nederlandse sociale voorzieningen en ook nog eens zijn vrouw en kinderen hierheen durft te halen, naar een veilig land, terwijl de kinderen in eigen land nota bene met de dood bedreigd worden.

Voorzitter. Discriminatie is bij debatten in het Nederlandse parlement, met name in de Tweede Kamer, door sommige laaggeachte wetgevende parlementariërs inmiddels tot kunst verheven. Ze proberen het zelfs te normaliseren. Ze willen niet alleen discrimineren, maar het ook nog eens normaliseren. Het gaat van kwaad tot erger. De wet van de overtreffende trap wordt toegepast om toch vooral zo veel mogelijk aandacht te krijgen van de talkshows. De media lenen zich ook nog voor die pulp. Politici zijn rolmodellen. Hun gedrag dient een voorbeeld te zijn voor de gemeenschap, niet een stimulans tot meer discriminatie. Dit is een zorgelijke ontwikkeling voor het voortbestaan van onze zorgvuldig opgebouwde rechtsstaat.

Discriminatie is verboden, maar wordt maar zelden bestraft, zo betoogde ik vorig jaar bij het debat over de instelling van deze parlementaire commissie. Dat moet echt veranderen. Ik heb de commissie toen uitgedaagd om naar oplossingen hiervoor te zoeken. Mijn vraag is of dat nou gelukt is. Dat is uiteraard een vraag aan de commissie. De vernuftige titel van het rapport lijkt een positief antwoord te geven. "Gelijk recht doen" betekent immers "direct recht doen", een soort lik-op-stukbeleid dus. Wellicht is de oproep die ik vorig jaar gedaan heb dus zo uitgelegd dat met name naar die directe bestraffing moest worden gekeken: als je discrimineert, hoort er ook iets achter te zitten, want in de wet is het verboden. Bedoelt de commissie dit met deze dubbel uitlegbare titel? En zo ja, welke aanvullende instrumenten ziet de commissie met dit rapport?

Ik hoop in elk geval dat dit eindrapport ertoe bijdraagt dat onder meer het debat in het Nederlandse parlement minder discriminerende opmerkingen naar voren brengt. Vrijheid van meningsuiting is immers geen recht tot discrimineren. Ook hier geldt: woorden doen ertoe. Ik zie in dit rapport in elk geval een eerste opening voor zorgvuldigere debatten in de toekomst in het parlement, als de voorzitters van het parlement, maar ook de voorzitter van bijvoorbeeld Provinciale Staten of die van de gemeenteraden en alle andere overheidsorganen, maar veel strikter gaan optreden tegen discriminerende opmerkingen in debatten. Ze kunnen daarbij vanaf nu in elk geval gebruik gaan maken van de uitgebreide definitie van discriminatie die de commissie in haar rapport beschrijft, namelijk: discriminatie is onderscheid dat op welke manier dan ook kwetsend is of iemand onterecht nadeel oplevert, op zo'n manier dat het de benadeelde duidelijk is niet als gelijkwaardig mens te worden gezien. Ik vind dat een vrij goede beschrijving. Als we deze beschrijving opnemen in alle Reglementen van Orde, niet alleen in dat van de Eerste Kamer, maar ook in dat van de Tweede Kamer en in die van al die andere bestuursorganen in Nederland, zouden de debatten waarschijnlijk meer ontdaan worden van discriminerende opmerkingen. Bovendien zullen rechters dan een beter juridisch kader hebben om gelijk recht te doen. Ik stel dan ook voor om de beschrijving van discriminatie zoals opgenomen in het rapport in de memories van toelichting van de Eerste Kamer en de Tweede Kamer op te nemen en daarover een discussie te voeren. De weerzinwekkende gevolgen van discriminatie, zeker staatsdiscriminatie, zijn in de geschiedenis veelvuldig. Het is een goede zaak dat de leden van de commissie deze belangrijke taak hebben opgepakt om zo discriminerende zaken in de toekomst te voorkomen.

Dank namens de Onafhankelijke Senaatsfractie aan eenieder die aan de samenstelling van het rapport heeft meegewerkt. Ik heb nog wel enkele aandachtspunten, allereerst over het begrip "discriminatie". Is de definitie voldoende discriminerend om voldoende onderscheidend te zijn en om breed in bestuurlijk Nederland te kunnen hanteren? Ik verzoek u daarop te reflecteren. Twee. Of iemand zich gediscrimineerd voelt, is erg persoonsafhankelijk. Gevoelens zijn feiten. Hierin schuilt echter het gevaar dat de term "discriminatie" wordt misbruikt voor eigen gewin. Heeft de wetgever naar de mening van de commissie voldoende objectieve instrumenten om de gevoelde discriminatie op juiste waarde te kunnen schatten?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Raven. Ik meen dat ik u iets hoorde zeggen als "laaggeachte volksvertegenwoordigers" of "laaggeachte Kamerleden". Dat klopt? Daar wil ik toch iets over zeggen. U heeft het zelf over het belang van respect in het parlement. Ik vind het als voorzitter mijn taak om de leden erop te wijzen dat respect voor elkaar te allen tijde essentieel is voor het functioneren van de democratie. Want we zijn volksvertegenwoordigers. Als we elkaar laag gaan achten, achten we ook elkaars electoraat laag, want dat vertegenwoordigen we. Ik vind niet dat ik dat kan laten passeren. We moeten elkaar te allen tijde respecteren. Ik weet overigens dat u dat ook vindt en dat u het wellicht niet zo bedoelde. Elkaar laag achten in dit huis of in het bredere parlement — ik ben ook voorzitter van de verenigde vergadering — vind ik niet de manier om bij te dragen aan de waardigheid van het debat. Ik denk ook dat u dat niet zo bedoelde, maar ik vind toch dat ik dit nog even moet zeggen. Alle volksvertegenwoordigers worden hoog geacht. Het was in het verleden ook het gebruik om elkaar op die manier aan te spreken. Dat doen we niet meer, maar we achten elkaar wel hoog, want we zijn volksvertegenwoordigers.

Dat gezegd zijnde geef ik het woord aan mevrouw Gerkens namens de SP.