T01005

Toezegging meldingsplicht voor niet-significante verstoringen (31.038)



De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerking van de leden Eigeman (PvdA), Schuurman (ChristenUnie) en Koffeman (PvdD) toe, dat in een nader te bepalen proefperiode en pilotgebied een meldingsplicht in het kader van milieuwetgeving wordt benut om te bezien of in de nieuwe integrale natuurwetgeving een meldingsplicht voor niet-significante verstoringen nodig is.


Kerngegevens

Nummer T01005
Status voldaan
Datum toezegging 22 december 2008
Deadline 1 januari 2010
Verantwoordelijke(n) Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2003-2010)
Kamerleden drs. J.H. Eigeman (PvdA)
Drs. N.K. Koffeman (PvdD)
prof.dr.ir. E. Schuurman (ChristenUnie)
Commissie commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie overig
Onderwerpen meldingsplicht
milieuwetgeving
niet-significante verstoring
Kamerstukken Wijziging Natuurbeschermingswet 1998 inzake regulering van bestaand gebruik (31.038)


Uit de stukken

Handelingen I 2008-2009, nr. 16

Blz. 843

(...)

De heer Eigeman (PvdA):

Mijn laatste punt betreft de uitleg over de uitvoering van de motie-Jacobi/Cramer. Ik dank de minister voor het creatieve antwoord. Zij stelt: wij voeren de motie uit, maar wij doen het niet. Dat is cabaret van de bovenste plank en spelen met taal. Laat ik kort zijn. Dit behelst een zaak tussen regering en Tweede Kamer, waar wij niet tussenkomen. De uitkomst van die interactie is echter wel van belang voor ons. Dat heeft met name te maken met ons punt over het feit of wij door uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel toekomen aan een passend oordeel inzake al dan niet significant verstorende effecten. Zoals gezegd denken wij dat de voorgenomen wijzigingen geen adequate voorziening betekenen. De motie-Jacobi/Cramer zou daarvoor kunnen zorgen, omdat door het invoeren van een meldingsplicht de voorwaarden voor het komen tot een passend oordeel kunnen verbeteren. Is de conclusie juist dat de regering die mogelijkheid nu afsluit? De regering hanteert de term ″vanzelfsprekend″ als het gaat om de oriëntatiefase voorafgaand aan de vergunningsprocedure, en komt tot de conclusie dat daarom meldingsplicht niet nodig is. Ik vind dat jammer en een gemiste kans. Dit leidt mij tot de vraag aan de minister hoe zij dan wel gaat voorkomen dat activiteiten plaatsvinden met significant verstorende effecten die verder geen vergunningen nodig hebben, bijvoorbeeld ploegen of maaien in een bepaald jaargetijde. Met andere woorden: hoe wil zij dan wel invulling geven aan de adequate bescherming van de Natura 2000-gebieden?

Blz. 845

De heer Koffeman (PvdD):

Tot zover mijn opmerkingen over de evaluatie van de wet, die aangeeft dat de minister een beleid voorstaat dat minder bescherming aan de natuur biedt, en vooral uitgaat van zelfregulering. De minister ridiculiseert zelfs de kans op significante verstoring van de natuur als gevolg van menselijke activiteit. Zij zegt letterlijk in de memorie van antwoord: ″Bij naleving van de meldingsplicht mogen grote aantallen meldingen worden verwacht: activiteiten zullen immers al snel enige verstoring met zich brengen. Een klap in de handen bij een boom met vogels is al voldoende. Klappen zonder voorafgaande melding wordt een strafbaar feit. Ouders zouden er derhalve beter aan doen niet meer met kinderen, die nu eenmaal onvoorspelbaar gedrag kunnen vertonen, in een Natura 2000-gebied te gaan wandelen, zonder voorafgaande melding.″ Met andere woorden, de minister vindt dat er geen meldingsplicht moet komen van activiteiten die een significante verstoring van de natuur teweeg zouden kunnen brengen, omdat zij vreest dat elke ouder die met zijn kinderen het bos in zou gaan voor een wandeling dan meldingsplichtig zou worden. Hoe serieus wil de minister nu eigenlijk met het parlement in debat, als zij met dit soort zeer kinderachtige voorbeelden probeert te rechtvaardigen dat meldingsplicht van significante

verstoring ongewenst zou zijn? Graag ontvang ik een reactie van de minister hierop.

De minister weigert een in de Tweede Kamer aangenomen motie van de leden Jacobi en Cramer uit te voeren om een meldingsplicht voor natuurverstorende activiteiten in te voeren. De minister zegt in een reactie op het verzoek om de motie uit te voeren: ″Het wettelijk regelen van een meldingsplicht in de natuurwetgeving acht ik niet nodig. Ook zou een wettelijke verplichting niet wenselijk zijn, vanwege de grote aantallen meldingen die dan worden verwacht. Van activiteiten is nu eenmaal niet altijd door burgers van tevoren goed te bepalen of ze al dan niet verstorend zullen zijn, waardoor een melding uit zekerheid zal worden gedaan. Noch voor de burger, noch voor de overheid zou daardoor sprake zijn van een werkbare situatie, wat het draagvlak voor natuurbeleid niet ten goede zou komen.″ Daarmee gaat zij niet alleen voorbij aan een wens van een  Kamermeerderheid, maar negeert zij ook de oproep die vanuit PvdA en ChristenUnie, twee coalitiepartijen, gedaan is. Als de minister de vrijheid neemt met zoveel nadruk een

wens van twee van de coalitiepartijen die gesteund worden door een Kamermeerderheid niet uit te voeren, zouden die coalitiepartijen zich in dit huis ook vrij moeten voelen om de wijziging van de natuurbeschermingswet, althans het wijzigen van enkele andere zaken, niet nu te accorderen, maar daarmee te wachten tot de evaluatie van de natuurbeschermingswet in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden en er een gefundeerd oordeel gegeven kan worden over de natuurplannen van dit kabinet in brede zin.

De heer Schuurman (ChristenUnie):

Voorzitter. Een aantal onderwerpen verdient nog apart aandacht, te beginnen met de meldingsplicht. Het lijkt ons van belang dat het bevoegde gezag weet wat er in het gebied grenzend aan beschermde natuurgebieden aan activiteiten plaatsvindt, want pas dan kan in alle opzichten aan het doel van de Natuurbeschermingswet worden voldaan. Op basis van de wet moet de burger of ondernemer zelf bepalen of zijn activiteit significant verstorend kan zijn. Op grond van die beoordeling moet hij een vergunning aanvragen. Hoe wordt in deze procedure voorkomen dat het bevoegde gezag het overzicht op alle activiteiten in het gebied verliest en daarmee dus ook op de te halen instandhoudingsdoelstellingen?

Handelingen I 2008-2009, nr. 17

Blz. 882

(...)

Minister Verburg:

De heren Eigeman, Koffeman en Schuurman hebben vragen gesteld over de motie-Cramer/Jacobi over de meldingsplicht voor niet-significante verstoringen. Ik voer die motie zodanig uit, dat zij eenzelfde effect heeft als wanneer een wettelijke meldingsplicht zou worden ingevoerd, die overigens een aparte wetswijziging zou vergen, met zo min mogelijk administratieve en bestuurlijke lasten. Ik ben voornemens om dat langs drie sporen te doen. In de eerste plaats is dat de oriëntatiefase, die desgewenst ook kan leiden tot een schriftelijke verklaring van het bevoegd gezag dat wel of geen vergunning nodig is. Ik doe dat in de tweede plaats via de signalering bij het Wabo-loket. In de derde plaats gebeurt het door overheden die vergunningen verlenen die ook voor Natura 2000 van belang zouden kunnen zijn, te vragen om op dit punt alert te zijn. Ik ben graag bereid om te kijken hoe dit in de praktijk werkt, zodat wij daarop kunnen terugkomen bij het wetgevingstraject inzake de integratie van de drie natuurwetten.

Blz. 882

De heer Koffeman (PvdD):

De minister heeft in de Tweede Kamer eerst gezegd dat zij de motie-Cramer/Jacobi als ondersteuning van haar beleid zag. Vervolgens heeft zij geweigerd, de motie uit te voeren.

Blz. 882-883

Minister Verburg:

Ik heb aangegeven dat ik bij de meldplicht langs drie sporen wil werken. Op zichzelf vind ik het noodzakelijk dat het gesignaleerd wordt, maar een wettelijke meldplicht kan pas in de geïntegreerde wetgeving, die nog een jaar of twee, drie op zich zal laten wachten. Daar

moeten wij niet op willen wachten. Ik zie andere mogelijkheden om het wél boven tafel te krijgen: die drie sporen. De oriëntatiefase kan desgewenst leiden tot een schriftelijke verklaring. Daarnaast is er de signalering aan het Wabo-loket. Verder zijn er de overheden die vergunningen verlenen voor Natura 2000. Zo kunnen wij ervaring opbouwen. Ik heb aangegeven dat ik graag bereid ben om te kijken of in de geïntegreerde nieuwe natuurwet iets extra’s moet gebeuren. Met andere woorden, de motie van de Tweede Kamer, die ik als ondersteuning van mijn beleid heb betiteld, voer ik uit.

(…)

Blz. 883

De heer Schuurman (ChristenUnie):

Ziet u iets in een meldingsplicht voor de ondernemer, zoals in de Wet milieubeheer? Bij cumulatieve effecten zou dan toch van significante verstoring kunnen worden gesproken. Op die manier kan men bijtijds tegenmaatregelen nemen.

Minister Verburg:

In mijn opinie zou dat kunnen via die oriëntatiefase. Iedereen die iets wil, of het een ondernemer, een sportclub of de organisatie van de Friese Elfstedentocht of de Nijmeegse Vierdaagse is, gaat zich oriënteren en vraagt zich af of hij er een vergunning voor nodig heeft. Ik heb gezegd dat dat kan leiden tot een schriftelijke verklaring van het bevoegd gezag. Ook daar kan een inventarisatie plaatsvinden, zodat ervaring kan worden opgedaan. De heer Schuurman noemt de milieuwetgeving. Die mogelijkheid hebben wij overwogen, maar wij lopen ertegen aan dat wij die gegevens niet zomaar mogen gebruiken. Het is mogelijk om zo’n meldingsplicht toch eens te testen. Het is mogelijk om te bekijken welke meerwaarde zoiets kan hebben. Ik ben bereid te bezien of wij op dit punt een bepaalde proefperiode kunnen afspreken, waarin wij bekijken op welke wijze wij de in het kader van de Wet milieubeheer geldende maatregelen zouden kunnen benutten. Ik denk dan aan een proefperiode en een proefgebied, dus aan een soort pilot. Wij kunnen dan bekijken of er in de nieuwe geïntegreerde wet iets nodig is en, zo ja, op welke wijze wij dat kunnen vormgeven.

De heer Schuurman (ChristenUnie):

Ik ben daar heel blij mee. Wij kunnen immers nu niet regelen wat in de nieuwe wet geregeld moet worden. Ik begrijp dat de minister tussentijds experimenten wil opzetten om na te gaan hoe een en ander zal werken, met het oog op een definitieve regeling, waarbij zij het proefgebied voldoende groot neemt, zodat het representatief is. Als ik de woorden van de minister zo mag interpreteren, dan heeft zij onze zorg in elk geval voor een gedeelte weggenomen.

Minister Verburg:

Ik ben blij dat ik in ieder geval de zorg van de heer Schuurman wegneem. Wellicht neem ik ook de zorg van de heer Eigeman weg. Ik zeg toe dat wij een zodanige proefperiode zullen kiezen dat wij de resultaten van de proef nog kunnen meenemen in de voorstellen inzake het geïntegreerde wetsvoorstel. Uiteraard hebben wij ook een pilotgebied nodig dat van voldoende omvang is om gezaghebbend te kunnen zijn voor eventuele voorstellen voor een nieuwe wet.


Brondocumenten


Historie