Plenair Dupuis bij behandeling Wet maatschappelijke ondersteuning 2015



Verslag van de vergadering van 7 juli 2014 (2013/2014 nr. 37)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 23.07 uur


Mevrouw Dupuis (VVD):

Mevrouw de voorzitter. De VVD-fractie heeft ten aanzien van dit wetsvoorstel allereerst behoefte aan enige algemene observaties. Deze betreffen de achtergrond van dit wetsvoorstel en de vooronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen. Daarnaast besteed ik in deze plenaire bijdrage aandacht aan de samenhang van dit wetsvoorstel met andere wetgeving en de wetgevingsruimte waarin de sectoren die deze transitie moeten uitvoeren zich bevinden. Het gaat dan om de context waarin zij handelen en de consequenties van wetgeving vanuit aanpalende gebieden voor hun handelingsruimte. Ten slotte maak ik nog een aantal opmerkingen en vragen over diverse punten van het wetsvoorstel, die vooral de positie van de aanbieder van zorg betreffen. Over de cliënt en diens positie heb ik minder vragen, niet omdat die minder belangrijk zou zijn — die is buitengewoon belangrijk — maar omdat hierover al veel is gezegd bij de behandeling in de Tweede Kamer en ook in de voorlopige verslagen in deze Kamer. Ik dank overigens de staatssecretaris voor de precieze beantwoording van onze vragen. Ik ben van mening dat de staatssecretaris voor dit onderwerp, de positie van de cliënt, veel, en zeker voldoende, aandacht heeft. Een herhaling van zetten is wat mij betreft dus niet nodig.

Dit wetsvoorstel brengt een van de grootste — misschien wel de grootste — transformaties teweeg die ooit in de gezondheidszorg in Nederland heeft plaatsgevonden. Het eerste opvallende punt is dat een deel van de zorg voor kwetsbare mensen niet langer in de sfeer van de gezondheidszorg, en met name de langdurige zorg, maar in de sfeer van maatschappelijke ondersteuning en welzijnszorg terecht is gekomen of zal komen. Veel regelingen met betrekking tot mensen die extra steun en zorg behoeven, komen vanuit de AWBZ naar de Wmo. Deze heeft een andere opvatting over de beperkingen van de betrokken groepen. Misschien doet men een aantal van degenen die hiertoe behoren meer recht door hen aan te spreken als burger van wie gevraagd wordt om zoveel mogelijk mee te doen in de samenleving.

Daar staat tegenover dat mensen die tot nog toe soms 24 uurszorg kregen, zij het in lichtere vorm, nu worden geacht om deze zorg op een andere wijze te organiseren. De grootste groep van dezen zijn de meer kwetsbare ouderen, maar daarnaast gaat het ook om verstandelijk en lichamelijk gehandicapte personen, waaronder mensen met niet-aangeboren hersenletsel, en om mensen die naast andere beperkingen te kampen hebben met ernstige gedragsstoornissen en ernstige psychiatrische problematiek. Het idee is mooi, maar de uitwerking lijkt niet zonder meer voor alle betrokkenen gunstig en uitvoerbaar, temeer niet omdat nogal wat zaken als dagbesteding en sociale werkplaatsen in hun bestaan worden bedreigd. Werkgevers, door de Participatiewet daartoe gedwongen, zullen dit naar onze mening niet kunnen compenseren. Het is nog nooit gelukt werknemers met beperkingen in groten getale in gewone bedrijven te laten functioneren. Hier zit een reëel knelpunt; deze mensen moeten een dagopvang — voor de meer beperkten — of een werkplek houden of krijgen waar ze zich thuis voelen en vaak dan ook nog verrassend succesvol werk kunnen verrichten. Er zijn prachtige voorbeelden van zogenaamde "sociale werkplaatsen", die qua ambitie en betekenis voor alle betrokkenen daar ver boven uitgaan. Deze afbouwen is geen goed idee. Ik verzoek de staatssecretaris om commentaar hierop.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ik zou collega Dupuis graag willen omhelzen om de woorden die zij nu spreekt.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Dat vind ik wel veel gevraagd, mijnheer Thissen.

De heer Thissen (GroenLinks):

Ja, je moet natuurlijk altijd een meisje vragen of ze mee de dansvloer op wil. Dat weet ik ook wel. Ik bedoelde overdrachtelijk, figuurlijk. Vorige week bent u wel akkoord gegaan met de Participatiewet. Ik kan dat niet rijmen met de behartigenswaardige woorden die u nu spreekt.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Dat klopt, dat klopt.

De heer Thissen (GroenLinks):

Nu legt u een grote zorg voor aan staatssecretaris Van Rijn. Ik vind dat opmerkelijk. Ik wilde dat even markeren.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Het is inderdaad opmerkelijk. Wij wachten op het antwoord van de staatssecretaris. Meer in het algemeen gesproken merk ik op dat er ineens wel erg veel verandert. Gelukkig is er gekozen voor een overgangsjaar, waarin bestaande claims op zorg gehandhaafd blijven, maar uiteindelijk zal het zwaard vallen en komt een grote groep die nu nog in de luwte verkeert, bloot te staan aan de kilte van een minder beschermd bestaan.

De enorme ruimte die de AWBZ bood voor allerlei voorzieningen, ook die waarbij men vragen kan stellen, zoals huishoudelijke hulp, rollators, scootmobielen, verbouwingen van de woning, trapliften en ga maar door, maakte de Nederlandse langdurige zorg tot de allerduurste ter wereld. Ook de volkomen ongewenste ontgrenzing van de pgb's heeft hiertoe bijgedragen. Aanvankelijk was immers de bedoeling dat deze uitkering nooit groter mocht zijn dan de kosten voor verpleging en verblijf in een instelling min 20%. Men komt dan maximaal in de buurt van €45.000, hooguit €50.000 per jaar voor een pgb. Sommige burgers echter, inderdaad door het lot ernstig getroffen, ontvangen of ontvingen tot voor kort soms honderdduizenden euro's per jaar. Ook hierover hebben wij een vraag aan de staatssecretaris. Keert het pgb inderdaad terug naar de oorspronkelijke situatie? Wat gebeurt er dan met de gezinnen die nu zeer kostbare pgb's ontvangen, om maar te voorkomen dat een kind, wat meestal het geval is, of een ouder, wat ook kan, thuisblijft, ook als dat kind of die ouder een zeer hoge zorgzwaarte heeft?

Waarom niemand eerder heeft ingegrepen, is overigens een raadsel. Dit alles heeft veel te lang geduurd. Daarmee is mijn fractie het eens. Ze is het er ook mee eens dat er veel moet veranderen en dat de Nederlandse burger wel een hele grote verplichting tot solidariteit werd en wordt opgelegd door de hoge kosten van de AWBZ. Deze wordt immers als extra premie via de eerste belastingschijf op de burgers afgewenteld. Te weinig is een appel gedaan op de zelfredzaamheid van veel burgers. Met name ouderen konden zonder overtuigende indicatie naar verzorgingshuizen waarbij de eigen bijdrage op geen enkele manier de kosten beteugelde. De voorstellen van nu zijn in dit licht gezien in grote lijnen te rechtvaardigen.

Voorafgaand aan verdere kritische opmerkingen benadrukken wij dat de uitgaven inzake de Wmo waarover we spreken uitgaven uit collectieve middelen betreft, opgebracht door andere burgers. Ik vind dat dit veel te weinig wordt uitgesproken. Dit perspectief wordt veel te vaak vergeten. Ik heb dat ook gezien in de verslagen van debatten in de Tweede Kamer. Er wordt niet over gesproken dat het niet gaat over geld uit een soort openstaande kraan van een niet nader gedefinieerde overheid, maar over uitgaven die andere burgers moeten opbrengen door een hoge verplichte premie. Samengevat is het zo dat we van een financiële solidariteit meer, maar niet uitsluitend, in een situatie van maatschappelijke solidariteit terechtkomen, met dank aan Liesbeth Kneppers, die deze formulering heeft bedacht. Op zichzelf vinden wij dit juist.

Ik ga over naar de contextuele verknooptheid van dit wetsvoorstel. Degenen die dit wetsvoorstel moeten uitvoeren, instellingen en organisaties op het gebied van zorg en welzijn, staan voor een lastige taak. In betrekkelijk korte tijd verandert de financiering voor grote groepen zogenaamd "lichtere" cliënten en moeten instellingen vaak grote groepen werknemers ontslaan, ook omdat de nieuwe financiering tevens een bezuiniging betekent. Voorts worden weliswaar bestaande rechten van cliënten voorlopig gerespecteerd, maar zal van sommige groepen de instroom stoppen. Maar wellicht het grootste probleem waarmee degenen die dit wetsvoorstel gaan uitvoeren te kampen hebben, is het gigantische aantal regels en de uitgebreide wetgeving op aanpalende terreinen die de handelingsvrijheid van de uitvoerenden in ernstige mate beperken en ook overigens leiden tot onredelijke situaties. Wij zullen op een aantal van deze contextuele beperkingen in het vervolg ingaan. Dit is ook het hoofdthema van deze bijdrage.

Om te beginnen zijn problemen ontstaan door allerlei dwingende wetgeving op arbeidsrechtelijk terrein, zoals een dreigend verbod op nulurencontracten en een dwingend gebruik van sectorgelden, die bijvoorbeeld de uitstroom van oudere werknemers, ook indien door werkgever en werknemer gewenst, niet faciliteren en daarnaast een zeer belastende bureaucratische aanvraagprocedure kennen.

Een andere arbeidsrechtelijke aangelegenheid betreft de overheveling van personeel naar een ander bedrijf. Mijn fractie is de mening toegedaan dat je van instellingen mag verwachten dat zij loyaal meewerken aan deze enorme transitie. Het gaat tenslotte in de langdurige zorg om collectieve middelen, maar dan moet er ook wel souplesse aan de kant van de regering zijn bijvoorbeeld op het gebied van het arbeidsrecht en op nog vele andere terreinen ook, zoals ik hierna zal aangeven.

Ik wil in dit verband nogmaals nadrukkelijk aandacht vragen voor twee door mij al genoemde zaken. Allereerst gaat het om de sectorgelden, bedoeld om flankerend beleid mogelijk te maken op het gebied van het personeel. Niet alleen is de aanvraagprocedure weer absurd ingewikkeld, maar vervolgens zijn allerlei zaken niet toegestaan. Zoals gezegd, deze gelden eventueel gebruiken voor de uitstroom van oudere werknemers die dat wel zouden willen, is niet mogelijk. Hier valt kennelijk met het ministerie van Sociale Zaken niet over te praten. Wij vinden dit ongepast. Juist in zo'n transitie behoort de regering — ik heb het over de regering en niet over de staatssecretaris en de minister van Binnenlandse Zaken — soepel en coulant te zijn. Wat is er tegen het faciliteren van vervroegd uittreden in deze bijzondere situatie, met het effect dat jongere werknemers in dienst kunnen worden gehouden, die na de nu ontstane dip in de werkgelegenheid in deze sector, over twee a drie jaar weer hard nodig zullen zijn? Wanneer zij nu weg moeten, omgeschoold worden en elders gaan werken, zijn zij dan niet meer beschikbaar. Misschien hebben ze nu al een beetje expertise opgebouwd. Even ongepast vinden wij een dreigend verbod van de door de gehele sector van de gezondheidszorg heen door werkgevers en werknemers gewenste nulurencontracten. Gaarne op beide punten commentaar van de staatssecretaris.

Ik had nu een stuk in mijn tekst staan over de overgang van de onderneming, maar daarover heeft de heer Flierman van het CDA zich eigenlijk in precies dezelfde bewoordingen als ik had willen doen, al uitgelaten. Ik sluit mij aan bij zijn vragen en ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij hierover denkt. Ik laat het punt verder rusten.

Dat doe ik ook met de btw-problematiek, waarbij allerlei partijen die gebruik maken van elkaars expertise mogelijk btw-plichtig worden. Dat moeten wij natuurlijk niet willen, want dat is water naar de zee dragen. De heer Flierman heeft het keurig gezegd en ik neem dat graag over. Ik laat deze twee punten voor wat ze zijn. Ik heb nog wel een paar andere punten.

Er is nog een kwestie die de Mededingingswet betreft. Het gaat dan om de situatie dat de gemeente zelf als aanbieder optreedt, en in feite gaat concurreren met de marktpartijen. Graag vernemen wij van de staatssecretaris hoe het schrappen bij amendement van het primaat van uitvoering van de Wmo door derden zich verhoudt tot de bepalingen van artikel 25 van de Mededingingswet, en tot de Wet Markt en Overheid, ook een WMO trouwens.

Voorts nog iets over een ander stuk regelgeving, dat ik vermeld om aan te tonen hoezeer de context van de transitie tot confrontatie met contraproductieve en vaak ook oneigenlijke bestaande en nieuwe regels leidt. Dit betreft de verhuurderheffing. Dit is een fiscale heffing die bezitters van huizen in de sociale volkshuisvesting moeten betalen. Het gaat dan om een bedrag per huurwoning per jaar dat niet onaanzienlijk is. Deze verhuurderheffing geldt ook voor instellingen van de langdurige zorg als een instelling meer dan tien zelfstandige appartementen heeft voor verhuur. Eerst wil de overheid dat instellingen voor langdurige zorg zelf verantwoordelijkheid gaan dragen voor het vastgoed, dan neemt de overheid maatregelen waardoor een groot verlies ontstaat voor veel instellingen, omdat veel vastgoed met deze wet leeg zal komen te staan, wat leidt tot allerlei impairmentkwesties. En als je als instelling een deel van je vastgoed in een wonen-zorgcombinatie wilt verhuren, moet je daarover ook weer een heffing betalen. Zeker, deze staatssecretaris is hier voor niet verantwoordelijk, maar het is ook niet zo dat hij er niets aan kan doen, en dan letterlijk en met oog op de toekomst. Wij horen graag wat de staatssecretaris hiervan vindt en wat hij van plan is te gaan doen.

Dan ten slotte op dit punt nog aandacht voor een niet direct op de Wmo betrekking hebbende situatie, maar die wel een potentiële groep cliënten van deze staatssecretaris betreft. Een door een woningcorporatie speciaal voor zelfstandige ouderen — zeer ouderen — geëxploiteerd wooncentrum, waar men gewoon huur betaalt zonder huursubsidies en ieder een eigen appartement heeft, heeft sinds jaar en dag een goedlopend restaurant met winkel, naast andere voorzieningen. Al deze voorzieningen draaien zonder subsidie. Met name het restaurant, prachtig gelegen en onlangs bij renovatie enorm uitgebreid, is nu op last van de minister voor Wonen gesloten. Want, is de argumentatie, woningcorporaties mogen geen oneigenlijke activiteiten als het exploiteren van een restaurant verrichten, ook niet als de bewoners er zelf voor betalen. De staatssecretaris van VWS en de staatssecretaris van Sociale Zaken willen terecht participatie bevorderen, maar de minister voor Wonen zorgt er vervolgens voor dat het warm kloppend hart van een woonvoorziening voor ouderen moet verdwijnen.

Dit besluit is als een bom ingeslagen bij de bewoners. Zij zijn echt radeloos. Er is geen lunchgelegenheid meer, er wordt geen koffie en thee geserveerd, en ook degenen die er regelmatig 's avonds gingen eten, komen in een lege ruimte. Let wel, voor de vele tachtigers en nog ouderen is deze restaurantvoorziening teven een sociëteit. Men ontmoet elkaar, men ontvangt er gasten, en dit alles in een restaurant dat voor iedereen met de rollator te bereiken is. Dat is heel belangrijk voor deze groep. Graag leg ik deze staatssecretaris deze vraag voor, in de hoop dat hij hem wil doorspelen naar de betreffende collega. Hoe is dit mogelijk? Dat woningcorporaties het zicht op de werkelijkheid verloren hadden en tot de orde moeten worden geroepen, is iets wat de volle instemming van mijn fractie heeft. Maar wij begrijpen niet dat dit zo rücksichtslos in een zeer specifieke context wordt toegepast. Het personeel is per 1 juli ontslagen, de keuken is dicht en het restaurant verlaten. Waarom doet de regering dit, zo vragen wij ons af. Dit, terwijl er anderzijds wordt gehamerd op zelfstandigheid, en nogmaals: preventie. Over dat laatste hebben we niet zo veel gehoord, maar het is een voor de staatssecretaris zeer belangrijk punt. Nogmaals, dit is niet het werk van deze staatssecretaris, maar wel van deze regering, en dit beleid staat contrair op wat deze staatssecretaris wil en waar wij achter staan. Graag roepen wij hem op om dit aan te kaarten. Wij nemen overigens aan dat hij het met ons eens zal zijn.

Ik wijd nog enkele woorden aan de aanbesteding. De VVD-fractie is ongerust over de al in gang gezette aanbestedingen voor 2015 en de manier waarop gemeenten hierbij opereren. We gunnen ze veel ruimte, maar het is toch wel zichtbaar aan het worden dat de meldpunten bij brancheorganisaties melding maken van in vergelijking met de bestaande tarieven zeer extravagante kortingen, met name, maar niet uitsluitend, voor nieuwe cliënten. Deze kortingen lopen inderdaad op tot 80%, een onbegrijpelijke en ook onaanvaardbare handelwijze van de gemeenten. Al zeggen ze dat ze dit doen om een onderhandeling te beginnen, dan nog is dit toch wel erg schokkend voor degenen die in onderhandeling moeten treden. Ook de voorwaarden die sommige gemeenten aan de aanbieders stellen, vormen een reden tot ongerustheid. Het is waar: veel is nog onzeker en er is te weinig geld om alles op de oude voet te laten doorgaan, maar dit kan niet de bedoeling van deze transitie zijn. Als de aanbieders en de gemeenten hier niet uitkomen, kan dit tot allerlei ontslagen leiden die later wellicht onnodig of ongewenst kunnen blijken. Wat dat betekent voor cliënten die echt ondersteuning nodig hebben, laat zich raden. Het oplossen van knelpunten als deze moet ter hand worden genomen. Uit de brief die ik ook nog niet goed gelezen heb, heb ik begrepen dat de staatssecretaris dat inderdaad wil. Ik nodig hem dus van harte daartoe uit.

Ten slotte vragen wij de staatssecretaris — het is toch weer een detail — om al zijn invloed aan te wenden om onmisbare dagopvang, bijvoorbeeld voor cliënten met niet-aangeboren hersenletsel, in stand te houden. De expertise die op dit gebied ontwikkeld is, mag eenvoudigweg niet verloren gaan en de dramatiek van deze groep vraagt om het zeer goed monitoren van wat er met hen gebeurt. Wij horen graag dat de staatssecretaris dit toezegt.

Eén rode draad loopt door onze hele bijdrage. Dat zal de oplettende luisteraar — er zijn er niet meer zo veel in deze zaal om deze tijd, of nou ja, ze zijn er nog wel, maar ik weet niet of ze nog oplettend zijn — al lang hebben opgemerkt. Er is veel te veel bureaucratie, veel te veel regelgeving, en soms ook even te weinig. Hier ligt een schone taak, niet alleen voor deze staatssecretaris, zijn departement en de minister van Binnenlandse Zaken, maar voor de hele regering. Juist deze transitie toont in onze ogen overtuigend aan dat de handelingsruimte voor de aanbieders van zorg in hoge mate is dichtgeregeld, en lang niet alleen door het departement van VWS. Dit is niet alleen op dit moment, maar ook voor de toekomst een reden tot grote zorg. Een transitie is juist het moment om de vele overbodige, vaak op wantrouwen stoelende, regelgeving af te schaffen. Maar het tegendeel lijkt eerder het geval.

De logica van de bureaucratie is niet de logica van de burger, en ook niet die van instellingen voor allerlei soorten zorg. De bureaucratie is belemmerend en verlammend, inconsistent, onproductief en kostbaar, zoals deze transitie aantoont. Gaarne wachten wij het commentaar van de staatssecretaris en de beantwoording van mijn opmerkingen af.

De heer Flierman (CDA):

Ik wil mevrouw Dupuis nog een vraag stellen. Uiteraard zal ik overigens bij gelegenheid met alle liefde ook namens de VVD-fractie nog meer vragen stellen.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Graag.

De heer Flierman (CDA):

Ik had er al ook nog een gesteld over de Wet Markt en Overheid. Hoe dan ook, als ik mevrouw Dupuis beluister, zegt zij aan de ene kant dat er heel veel geld in de AWBZ omgaat. Aan de andere kant heb ik haar een aantal heel kritische opmerkingen horen maken. Wat vinden u en uw fractie nou van de kern van dit wetsvoorstel, namelijk de overdracht van bevoegdheden naar gemeenten en een appel op de samenleving en burgers om meer dingen gezamenlijk te doen? Ik heb mevrouw Dupuis bij de behandeling van de WTCG heel kritische opmerkingen over de gemeenten horen maken. Ik puzzel dus erg over de vraag of zij nou vertrouwen heeft in de beweging die het kabinet inzet, of dat zij vindt dat er eigenlijk helemaal niks van deugt.

Mevrouw Dupuis (VVD):

Het is onvermijdelijk in onze ogen. In principe is het wetsvoorstel voor ons acceptabel, zij het dat wij er kanttekeningen en kritische vragen bij hebben. We vinden het echter geen onhaalbaar plan. We zijn overtuigd van de noodzaak ervan.