T02381

Toezegging Toezenden overzicht van de publieke uitgaven voor onderzoek en innovatie (34.550)



De Minister van Financiën zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rinnooy Kan (D66), toe om  per brief de cijfers over publieke uitgaven voor onderzoek en innovatie aan te bieden en hierbij ook de cijfers van het Rathenau Instituut te betrekken.


Kerngegevens

Nummer T02381
Status voldaan
Datum toezegging 22 november 2016
Deadline 1 januari 2017
Verantwoordelijke(n) Minister van Financiën
Kamerleden Prof.dr. A.H.G. Rinnooy Kan (D66)
Commissie commissie voor Financiën (FIN)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen innovatie
onderzoek
Research and Development
Kamerstukken Miljoenennota 2017 (34.550)


Uit de stukken

Handelingen I 2016-2017, nr. 8 - blz. 19-20

Minister Dijsselbloem:

Ik kom op het onderwijs. De heer Rinnooy Kan vroeg naar de uitgaven van de overheid aan R&D, research and development. Ik heb de cijfers nog eens op een rijtje laten zetten. Zijn beeld is dat daarin vreselijk is gesneden en dat die er niet goed voor staan. Dat is op zichzelf niet juist. De publieke uitgaven aan onderzoek en innovatie bedroegen in 2015 3,7 miljard en in 2016 en 2017 3,8 miljard. We moeten ons daarnaast realiseren dat heel veel van de overheidsbijdragen in deze sfeer tegenwoordig in fiscale instrumenten zitten. Er zijn dus rechtstreekse subsidies, maar ook fiscale instrumenten. De Wbso en de innovatiebox kostten de overheid in 2012 opgeteld 743 miljoen aan belastinguitgaven. Naar verwachting zal dat dit jaar 2,5 miljard zijn. Er wordt veel gebruikgemaakt van de Wbso en de innovatiebox.

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik ken deze cijfers niet zo precies als deze minister, maar daar ging het mij eigenlijk niet om. Het ging mij om het publieke onderzoeksgeld. Ik bedoel dan niet zozeer het geld dat fiscaal aan het bedrijfsleven ter beschikking komt, maar het geld dat publieke instellingen kunnen uitgeven aan onderzoek, met als een van de grote voorbeelden daarvan de NWO-lijn. Ik laat mij graag corrigeren, maar in mijn beleving is het volgende gebeurd. Aan het begin van dit kabinet hebben de FES-gelden, die daar ooit integraal voor bedoeld waren, een andere bestemming gekregen. Die klap — als ik het zo mag aanduiden — zijn de onderzoeksinstellingen nooit te boven gekomen. Ik heb een tabel gezien — mocht de minister daaraan twijfelen, dan probeer ik die voor hem te vinden — waarin niet alleen sprake is van stabiliteit over deze kabinetsperiode, maar ook van echte effectieve achteruitgang, niet alleen in relatieve zin, maar ook in absolute zin. Ik vind dat eerlijk gezegd een betrekkelijk gênante zaak voor een kenniseconomie. Ik hoopte dat deze minister, in een jaar waarin iets te verdelen was en waarin ook nog eens Nederlandse Nobelprijs werd verdiend, daar iets aan had kunnen doen.

Minister Dijsselbloem:

Hoe trots wij allemaal ook zijn op die Nobelprijs, dat is op zichzelf geen reden om ad hoc besluiten te nemen, maar ik begrijp het argument. De heer Rinnooy Kan heeft gelijk dat er door de afschaffing van het FES eenmalig een daling is geweest in de publieke besteding aan onderzoek. Maar men moet zich wel realiseren dat die middelen nooit structureel zijn geweest. Als we het FES nog hadden gehad, had daar ook vrijwel geen geld meer in gezeten, vanwege de enorme daling in de gasinkomsten. De gasinkomsten zijn veel meer dan gehalveerd. We hebben volgend jaar 7,5 miljard minder gasinkomsten dan we hadden verwacht bij de start van dit kabinet. Ik hoef dat allemaal niet uit te leggen, maar dat komt door het prijseffect en door het deels dichtdraaien van de gaskraan, vanwege de problematiek in Groningen. Het FES werd gevoed uit gasinkomsten. Ik denk dat er wordt vastgehouden aan het oude beeld van toen we het FES nog hadden. Het FES is er niet meer. Het gevolg daarvan was een eenmalige daling. Maar de FES-uitgaven zijn nooit structureel geweest en ze schommelden daarnaast heel sterk.

De heer Rinnooy Kan (D66):

In alle eerlijkheid: ik noemde de herkomst van het FES als verklaring, maar niet als excuus. Onderzoeksinstellingen en onderzoekers hebben te maken met teruglopende door de overheid aangeboden budgetten voor hun activiteiten. Dat is mijn punt. Een land dat een kenniseconomie beoogt te zijn, schiet juist daarin ernstig tekort. De landen om ons heen die het ook moeilijk hadden, hebben dat niet gedaan. Integendeel, zij hebben in de afgelopen jaren hun publieke onderzoeksuitgaven verhoogd. Ik vind dat contrast schrijnend. Ik had gehoopt — dat was de reden voor mijn opmerking — dat de minister daaraan dit jaar iets had willen doen, maar dat is niet geschied.

Minister Dijsselbloem:

De heer Rinnooy Kan persisteert in zijn toch stevige bewoordingen. Dat dwingt mij hem nog iets preciezer te weerspreken. De R&D-intensiteit is tussen 2011 en 2014, onze laatste R&D-statistieken, toegenomen van 1,9% naar 2% van het bbp. Gemiddeld in de EU zijn de R&D-uitgaven tussen 2011 en 2014 gestegen van 1,8% naar 1,9%. Wij zitten dus nog steeds boven het EU-gemiddelde en het is ook in percentage van ons bbp toegenomen. Daarnaast — u stapt daar overheen, maar ik doe dat niet — is ons grote probleem in Nederland niet dat wij het qua publieke investeringen in onderzoek slechter deden, maar dat juist de private investeringen in Nederland van Nederlandse bedrijven in R&D sterk achterbleven bij onze buurlanden. Juist op dat punt zijn wij, dankzij de mate waarin het gebruik van fiscale instrumenten is toegenomen, bezig met een inhaalspurt. Dat is wel degelijk relevant. Voor een groot deel wordt dat onderzoek samen met wetenschappelijke instellingen gedaan. Het zijn gelukkig geen gescheiden werelden meer.

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik zou graag van de minister een overzicht van die cijfers willen ontvangen. Misschien kan dat aan de hele Kamer worden gezonden. Dat zou mij de gelegenheid bieden om nog eens precies aan te duiden op welk onderdeel van de lijst die teruggang waarover ik sprak waarneembaar is en om nog eens duidelijk te maken dat het wat mij betreft nog steeds iets is dat voor onze kenniseconomie niet passend en te betreuren is.

Minister Dijsselbloem:

Ja, het zou niet passend en te betreuren zijn als de publieke onderwijsuitgaven achteruit waren gegaan en onze positie was verslechterd ten opzichte van de buurlanden. Ik heb echter net aangetoond dat dit niet zo is. Ik zal het op papier zetten en aan de Kamer sturen. Dan kunnen wij die cijfers nog preciezer formuleren. Vooruitkijkend ben ik het natuurlijk zeer eens met de heer Rinnooy Kan. Het is voor Nederland en de toekomst van onze economie en concurrentiekracht, overigens ook voor de inzetbaarheid van al die mensen die nu door automatisering en robotisering hun banen verliezen, ongelooflijk belangrijk dat wij inzetten op onderwijs, onderzoek en ontwikkeling. Als u vraagt waar mijn persoonlijke prioriteiten voor de komende jaren liggen, staan die onderwerpen voor mij zeer hoog.

Handelingen I 2016-2017, nr. 8 - blz. 51

De heer Rinnooy Kan (D66):

Ik heb met grote bewondering en waardering geluisterd naar het betoog van de minister. Het was evident deskundig en toegewijd, veel lof en dankbaarheid daarvoor. Ik ben hem nog wel iets verschuldigd. Wij hadden een kleine woordenwisseling over de inspanningen in de publieke onderzoeksuitgaven. Ik heb tussentijds kunnen vinden waar ik mijn informatie vandaan haalde. Zij komt uit een rapport van het Rathenau-instituut, waarin een overzicht wordt geboden van de totale overheidsuitgaven aan R&D en innovatie. Ik zal het u precies vertellen: in 2015 was dit 6.324 miljoen, in 2016 6.196 miljoen, in 2017 6.063 miljoen en in 2018 5.988 miljoen. Dit lijkt mij een dalende lijn in absolute aantallen. Ik hoor graag op enig moment van de minister waarin ik mij vergis.

Handelingen I 2016-2017, nr. 8 - blz. 60

Minister Dijsselbloem:

Ik dacht dat ik al aan de heer Rinnooy Kan had beloofd om de cijfers over de onderzoeksuitgaven nog eens in een brief te vervatten. Wij zullen het Rathenau Instituut, waarnaar hij verwees, daarbij betrekken. Op zijn andere punten heb ik geantwoord.


Brondocumenten


Historie