Plenair Dittrich bij debat over het eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel, het eerste deel van de kabinetsreactie, de uitvoering van de motie-Schalk c.s. en de met de regering gevoerde correspondentie over dit onderwerp



Verslag van de vergadering van 4 februari 2020 (2019/2020 nr. 19)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.10 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik kan me nog heel goed herinneren dat vorig jaar de nieuwe Eerste Kamer werd geïnstalleerd. Toen stonden wij hier met 75 senatoren op de vloer en daar op een ladder stond de fotograaf. Die maakte een foto van ons en wij keken allemaal hoopvol in de lens naar de fotograaf. Die foto heb ik toen op Facebook geplaatst. Een van de eerste reacties die ik kreeg was: dit is helemaal niet de Eerste Kamer, dit is de witte Kamer. Daarmee hebben we eigenlijk meteen een van de analyses te pakken van de staatscommissie onder leiding van Johan Remkes. Ik wil allereerst beginnen met hen een compliment te geven. Het is een goed rapport met veel interessante voorstellen en dergelijke.

Even terug naar die witte Kamer. De staatscommissie signaleert dat er verschillende kloven in de samenleving bestaan, bijvoorbeeld de afstand tussen opgeleiden en niet of minder opgeleide mensen, tussen jong en oud, tussen mensen met en zonder een migratieachtergrond, tussen mensen uit de Randstad en de provincie en tussen man en vrouw. Dat zijn verschillende groepen. Lang niet iedereen voelt zich volgens de staatscommissie goed vertegenwoordigd in onze representatieve democratie. Afstand vertaalt zich soms in achterstand, onbegrip of onvrede, maar ook in het minder vertegenwoordigd zijn en voelen. Daardoor ontstaat weer opnieuw een maatschappelijke achterstand. We moeten de analyse van de staatscommissie gebruiken om die afstand te verkleinen en om mensen echt te vertegenwoordigen. Er is natuurlijk een taak voor de politiek weggelegd om zich in te spannen zodat iedereen in Nederland mee kan doen. Veel van de voorstellen van de staatscommissie beogen de democratie en de rechtsstaat te versterken en ze in balans te brengen. Er zijn 83 suggesties gedaan. Dat is een breed palet.

Wij van D66 in de Eerste Kamer willen dit debat gebruiken om te laten zien wat wij belangrijk vinden. Het is een beetje een gemankeerd debat, zoals ook al eerder is gezegd door andere sprekers, omdat de regering nog niet allerlei voorstellen gedaan heeft en nog geen standpunt bepaald heeft over suggesties van de staatscommissie. Voor ons, voor D66, is het uitgangspunt dat wij een democratie willen waarin iedereen mee kan doen, waar de rechten van individuen beschermd worden, de willekeur van de macht aan banden is gelegd en waarin de meerderheid niet zomaar zijn wil kan opleggen aan de minderheid. Dat vraagt natuurlijk om een levendige en toegankelijke democratie binnen een sterke rechtsstaat. Wij willen dat mensen meer betrokken raken bij de politiek en dat iedereen de kans krijgt om mee te doen bij besluitvorming op allerlei verschillende manieren, van landelijk tot lokaal. Door mensen te betrekken zal het vertrouwen in bestuur en politiek verder toenemen of kunnen toenemen. Betrokkenheid maakt beleid inzichtelijker en maakt iedereen bewust van het feit dat we onze democratie moeten koesteren.

Ik wil een aantal concrete voorbeelden van initiatieven van bewoners zelf aanhalen om het wat duidelijker te maken. Er zijn verschillende mogelijkheden tot verbeterde participatie. De staatscommissie noemt er ook een aantal. Wij zien veel in het nationale burgerinitiatief, maar ook in, en dat wil ik echt specifiek noemen ...

De heer Van Hattem (PVV):

Ik hoor de heer Dittrich van D66 spreken over het feit dat de meerderheid zijn wil niet moet opleggen aan de minderheid en dat dit ook op lokaal niveau niet moet gebeuren et cetera. Maar wat we ondertussen zien is dat er een klimaatakkoord is gesloten, waar uw partij misschien wel het hardst achteraanloopt. Daarbij worden in den lande maatregelen getroffen waarbij windparken en zonnevelden worden afgedwongen, waarvan een groot deel van de bevolking zegt: dit willen wij helemaal niet. Hoe ziet u die houding ten opzichte van het opleggen van de wil aan een minderheid, misschien wel een minderheid die niet gelooft in de klimaathysterie waar heel veel partijen achteraanlopen?

De heer Dittrich (D66):

De crux van een democratie is dat uiteindelijk de stemmen in het parlement tellen, maar dat de meerderheid rekening houdt met de belangen van minderheden. Dat wordt tegen elkaar afgewogen. Op een gegeven moment komt daar een bepaalde keuze uit. Laten we wel wezen, niet iedereen zal het er altijd en overal mee eens zijn. Dit land moet geregeerd worden. Er is goed geluisterd en er zijn allerlei klimaattafels geweest. Op een gegeven moment is dit de afspraak. Daar moeten we dan mee verder gaan. Als we dat niet zouden doen, zou er nooit enige vooruitgang mogelijk zijn.

De heer Van Hattem (PVV):

Het is eigenlijk wel grappig dat de heer Dittrich die klimaattafels noemt. Juist bij die klimaattafels zijn de kritische burgers en de mensen die niet blindelings achter het klimaatverhaal aanlopen, niet aan zet geweest. Maar die burgers krijgen nu wel de windparken en maatregelen als het afsluiten van het gas en dergelijke opgelegd. Hoe ziet u dan de positie van de minderheid — en misschien is het wel een meerderheid van de burgers — die niet met deze maatregelen wil meegaan, ten opzichte van uw stelling dat met die minderheid rekening moet worden gehouden?

De heer Dittrich (D66):

Heel veel mensen die het niet eens waren met bepaalde uitkomsten hebben hun weg weten te vinden naar een politieke partij, bijvoorbeeld naar uw partij, naar mijn partij of naar andere partijen. Daar is uitgebreid debat over gevoerd, zoals dat hoort in een democratie. Op een gegeven moment komt daar een beslissing uit. Dat wil niet zeggen dat je altijd gelijk krijgt. Dat zegt de commissie-Remkes ook. Laat ik daar weer even naar teruggaan. Remkes zegt dat als je inspraak hebt dat niet altijd wil zeggen dat je gelijk krijgt. Daarbij moet je wel aan verwachtingsmanagement doen. Je moet duidelijk maken aan mensen dat het heel belangrijk is dat ze hun mening geven en dat we er ook naar luisteren en het afwegen. Maar in die afweging kan het zo zijn dat je niet je zin krijgt. Dat is nou eenmaal zo in een democratie.

De voorzitter:

Een derde vraag van de heer Van Hattem en dan gaan we door.

De heer Van Hattem (PVV):

Het punt is nu juist dat u met grote woorden zei dat we daar rekening mee moeten houden, maar dat dit meteen alweer wordt afgezwakt, net zoals het referendum ook door D66 aan de kant is geschoven. Dus hoe serieus moeten we de woorden die u spreekt nou nemen? Of zijn het alleen maar obligate teksten om dit rapport te duiden?

De voorzitter:

Een reactie van de heer Dittrich. Vervolgt u daarna uw betoog.

De heer Dittrich (D66):

U zult mijn woorden heel serieus moeten nemen.

Ik wil een paar voorbeelden noemen van initiatieven vanuit de burgerij. Een voorbeeld is het right to cooperate, het recht om samen te werken. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om in samenwerking met het lokale bestuur een duurzaam burgerinitiatief op te zetten. Ik wil een voorbeeld geven uit Groningen: de Coöperatieve Wijkraad Oosterparkwijk. Die bestaat sinds 2017. In die wijkraad zitten elf bewoners van de wijk en een aantal leden van de Groningse gemeenteraad. Samen nemen ze beslissingen over de Oosterparkwijk. Loting heeft bepaald welke wijkbewoners in de wijkraad zijn gekomen. Ook is er een wijkpanel van 400 wijkbewoners door loting tot stand gebracht. Het Groningse D66-raadslid Wieke Paulusma heeft in Berlijn de Europese prijs voor democratische vernieuwing voor dit project ontvangen, de Innovation in Politics Award 2019. Mijn vraag aan de minister is hoe de regering dit soort nieuwe vormen van participatie kan bevorderen, ook al is het op lokaal of provinciaal niveau. Wij zijn een voorstander van burgerfora. Daar zal ik niet te lang bij stilstaan. De staatscommissie heeft dit ook uitvoerig toegelicht. Wij zien daar veel in en vragen een reactie van de regering daarop.

Ik wil wat langer stilstaan bij de verhouding tussen kiezer en gekozene. Kies de Tweede Kamer op een ietwat andere manier. De keuze tussen op een partij stemmen of een voorkeurstem uitbrengen op een van de kandidaten lijkt ons een goede manier om wat meer diversiteit en regionale volksvertegenwoordigers te krijgen. Maar, zo zeg ik de heer Kox meteen na, het hangt er natuurlijk van af hoe politieke partijen hun eigen kandidaatstellingen organiseren en of ze zelf voldoende oog hebben voor kandidaten uit groepen die minder of niet vertegenwoordigd zijn. Dat geldt uiteraard ook voor mijn eigen partij. Overigens moet het wel gemakkelijker worden gemaakt voor Nederlanders om vanuit het buitenland te stemmen en liefst op termijn digitaal. D66 steunt ook het voorstel van vroegtijdig stemmen, the right to early voting. Mijn vraag aan de regering is: lukt het nog om in deze kabinetsperiode dit soort kleine maar toch betekenisvolle veranderingen mogelijk te maken?

D66, de leden van de D66-fractie in de Eerste Kamer zouden burgers ook het recht willen geven om in de Tweede Kamer een amendement in te dienen op een wetsvoorstel dat de Tweede Kamer in behandeling neemt. Onze collega Joost Sneller in de Tweede Kamer heeft daartoe een initiatiefnota ingediend. Het geeft de burger de mogelijkheid om tijdens het wetgevingsproces, en dus niet vooraf, invloed uit te oefenen als ten minste een van de gekozen Tweede Kamerleden zo'n amendement overneemt, indient en verder verdedigt. Dan gaat het dus onderdeel uitmaken van het wetgevingsproces. Wij vinden dat een interessant vernieuwend voorstel.

Dat is dus het bijsturen tijdens het wetgevingsproces, maar is een voorstel door Tweede en Eerste Kamer aangenomen, dan ziet D66 graag een bindend correctief wetgevingsreferendum ingevoerd worden. Burgers kunnen dan aan de noodrem trekken en ja of nee zeggen tegen zo'n aangenomen wet. Belangrijk daarbij is natuurlijk hoe de drempels geformuleerd worden. Wij weten dat de SP in de Tweede Kamer een initiatiefwetsvoorstel hierover heeft ingediend. Ik zou vanaf deze plaats willen zeggen dat wij met belangstelling die wetsbehandeling zullen volgen.

Dan de positie van de Eerste Kamer in de democratische rechtsstaat. De leden van mijn fractie zijn nog niet overtuigd van de noodzaak van een zittingstermijn van zes jaar voor de Eerste Kamer. We weten dat de regering inmiddels voorstellen daarover in procedure heeft gebracht. Laat ik zeggen dat wij benieuwd zijn naar het advies van de Raad van State daarover.

Wat we wel een interessante mogelijkheid vinden is het terugzendrecht van de Eerste Kamer bij bepaalde wetsvoorstellen. Wij denken dat het de taak van de senaat kan bevorderen om wetten zorgvuldig te toetsen en waar mogelijk te verbeteren, want nu is het eigenlijk ja of nee tegen een wetsvoorstel. De vraag is echter wel wat er gebeurt als de Eerste Kamer via dat terugzendrecht het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer terugstuurt waarna een debat met de regering plaatsvindt en men het niet eens is met de Eerste Kamer, men het er in de Tweede Kamer bij laat en men het wetsvoorstel aanvaardt.

Volgens de voorstellen van de staatscommissie is het dan einde oefening voor de Eerste Kamer en kunnen wij niets meer. Dan is toch wel de vraag gerechtvaardigd of dit terugzendrecht nou een versterking is of niet. Gelukkig wordt ook door de staatscommissie gezegd: er is een modaliteit en je kan dan toch weer het wetsvoorstel terugsturen naar de Eerste Kamer waarbij dan een tweederdemeerderheid tegen moeten zijn om het tegen te houden. Dat is een interessante optie. Dus wat D66 betreft kijken we daar verlangend naar.

De heer Kox (SP):

Collega Dittrich en ik kwamen al tot de conclusie dat the proof of the pudding in the eating zal zijn, maar ik denk dat wij hier voortdurend toch geconfronteerd worden met wetsvoorstellen waarvan je kunt zeggen dat er óf een politieke meerderheid voor is óf dat ze het niet halen; dat laatste is zeldzaam en het eerste is common practice. Vaak zijn wij het dan, ondanks onze politieke meningsverschillen, wel eens dat bepaalde onderdelen van zo'n wet wankel zijn en beter zouden kunnen. Daar praten we dan heel lang over, maar uiteindelijk legt dat geen gewicht in de schaal omdat er sprake is van een politieke eindafweging waarbij we ja of nee moeten zeggen. Dus vandaar mijn volgende vraag aan collega Dittrich. Zou het niet de moeite van het proberen waard zijn om te onderzoeken of deze Kamer al haar kennis en kunde beschikbaar kan stellen aan de Tweede Kamer om te zeggen: de wet gaat wel door, maar dit moet er eigenlijk wel in veranderen? Ik heb daar eigenlijk wel vertrouwen in.

De heer Dittrich (D66):

Daar kan ik heel kort over zijn. Het antwoord daarop is ja, maar het gaat dan natuurlijk wel om de modaliteit van hoe we dat precies gaan doen. Ik ben het met u eens dat als het meer een wetstechnisch iets is of als het gaat over de uitvoerbaarheid, de Tweede Kamer denkt: o, wat goed van de Eerste Kamerleden dat ze dat gezien hebben, om wat voor reden dan ook hebben we dat over het hoofd gezien, we gaan dat zo doen. Nou, dan is er geen centje pijn. Maar er zullen toch ook wel voorstellen zijn waarbij de Tweede Kamer denkt: nou ja, wat ze daar aan de overkant hebben gezegd, vinden wij niet en wij maken een andere afweging. Als dat een wat meer inhoudelijke positie is, kun je wel de vraag stellen of we met het terugzenden — dan hebben we niet meer het recht om het wetsvoorstel af te wijzen — niet iets uit handen geven. Dat is de vraag die ik hier opwerp. Ik hoop dat de regering in de beantwoording daarop in wil gaan.

De heer Kox (SP):

Om de discussie iets minder academisch te maken, want we praten allemaal in toekomst: toen we de nieuwe Politiewet hier aan de orde hadden, was duidelijk dat die wet om politieke redenen aangenomen zou worden, maar was er Kamerbreed kritiek over hoe de wet in elkaar stak. Uiteindelijk hebben we via kunstgrepen, novelles op elf majeure punten, die wet moeten wijzigen. We hebben onze mening via de regering en novelles naar de Tweede Kamer gebracht, waar al onze voorstellen geaccordeerd zijn. Naar mijn mening had dat beter gekund en hadden we sneller een betere Politiewet kunnen krijgen.

De heer Dittrich (D66):

Eigenlijk haalt de heer Kox het systeem van de novelles aan, waarvan de staatscommissie zegt dat dit een sluiproute is en dat je het beter formeel kunt regelen met een terugzendrecht. Daar zie ik veel in. Je kunt je overigens ook nog de vraag stellen — die stel ik nu dan ook aan de regering — wat exact het verschil is tussen een novelle uitlokken via die procedure en het terugzendrecht. Ik hoor daar graag een nader standpunt over van de regering.

Voorzitter, ik ga door met mijn betoog. En dan sta ik even stil bij het constitutioneel hof dat de staatscommissie voorstelt. De staatscommissie doet dat niet in plaats van de Eerste Kamer maar als aanvulling op het systeem, want de Raad van State toetst aan de voorkant al of een wetsvoorstel strijd oplevert met bijvoorbeeld de klassieke grondrechten. In de voorstellen van de staatscommissie komt daar dus een constitutioneel hof bij, na afloop van het wetgevingsproces, dus wanneer de Tweede Kamer, de Eerste Kamer en de regering een wetsvoorstel hebben aangenomen. Het is een wet en dan kan het constitutioneel hof zeggen: jullie hebben je werk niet goed gedaan, wij signaleren een inbreuk van de wet op de grondrechten. Dat zou dus de rechtspositie van de burger in Nederland versterken en het maakt de Grondwet ook tot een soort levendige bakermat van de democratische rechtsstaat. Wij van D66 zijn een voorstander van invoering van een stelsel van constitutionele toetsing ex post. Uiteraard, de precieze vormgeving ervan is een punt van nadere afweging maar we zouden toch wel willen dat de regering de toegezegde notitie inzake de verschillende varianten van constitutionele toetsing ex post op korte termijn naar de Tweede en de Eerste Kamer stuurt.

Nu we het toch over rechters hebben, het volgende. Ik mocht zojuist niet meer interrumperen toen collega Cliteur aan het woord was, dus maak ik nu van de gelegenheid gebruik om te zeggen dat ik mij ongemakkelijk voel bij de manier waarop Forum voor Democratie over onafhankelijke rechters in Nederland praat. Ik heb het gevoel dat door de kritiek die wordt geuit op rechters, die zich eigenlijk niet kunnen verweren omdat zij alleen inhoudelijke zaken beoordelen, een betrekkelijk weerloze groep in ons staatsbestel, in de trias politica, aangevallen wordt. Vandaar dat ik hier op deze plaats wil zeggen dat wij echt geloven in de onafhankelijkheid van de Nederlandse rechters en dat we niet vinden dat die op zo'n manier onder vuur genomen moeten worden.

De heer Cliteur (FvD):

In die onafhankelijkheid geloven wij ook. We denken dat door het creëren van de onafhankelijkheid als een institutioneel instrument het belangrijk is dat de rechter ook een onpartijdig oordeel kan vellen. Verder vinden wij dat rechterlijke oordelen gewoon bekritiseerd moeten kunnen worden en dat wij dat hier in de Eerste Kamer ook moeten doen. We hebben het vanmorgen al over Urgenda gehad. Dat moet vooral niet worden opgevat als persoonlijke kritiek op die rechters. De rechters in Nederland zijn volgens artikel 117 van de Grondwet volkomen onafhankelijk, dus we hoeven niet met verhalen over Erdogan en Polen te komen, want dat is eigenlijk allemaal een beetje stemmingmakerij. We moeten de producten van de rechters hier gewoon kunnen beoordelen, met name wanneer het om heel belangrijke uitspraken gaat die raken aan de fundamenten van de democratische rechtsstaat waar wij het allemaal voor doen.

De heer Dittrich (D66):

Wat mij betreft moet het debat gaan over welke wetten wij hebben aangenomen die de rechter moet uitvoeren. Als de rechter constateert dat de overheid zich niet aan de eigen regels houdt die zijn afgesproken, dan is het juist de taak van de rechter om te zeggen: ho, stop, dit gaat zo niet. Als men dan de rechter gaat bekritiseren, is men eigenlijk aan het verkeerde adres. Dan zou in dit geval Forum moeten zeggen in de Tweede en Eerste Kamer: we gaan eens kijken hoe die wet in elkaar zit en dan starten wij een discussie om die aan te passen. Om het vizier te richten op de onafhankelijke rechter, die tamelijk weerloos is in de trias politica, dat gaat mij te ver.

De voorzitter:

De heer Cliteur graag kort.

De heer Cliteur (FvD):

De rechter is niet betrekkelijk weerloos. Ik zag gisteren een stukje in de Volkskrant staan van een rechter die verwijst naar een uitspraak van Hamilton dat de rechterlijke macht eigenlijk de zwakste schakel is. Dat zegt Hamilton in 1787, maar in 1803 wordt het toetsingsrecht ingevoerd met Marbury vs Madison. Vanaf dat moment heb je in de Verenigde Staten van Amerika een heel levendige discussie over allerlei rechterlijke uitspraken en over de vraag of de rechter zijn eigen grenzen niet overschrijdt. Het moet hier in de Eerste Kamer zo zijn dat wij niet alleen de producten van de wetgevende macht kunnen bekritiseren, maar ook die van de uitvoerende macht en dat we ook die van de rechterlijke macht kunnen bespreken. We moeten ook kunnen beoordelen of de rechterlijke macht zich houdt aan de constitutionele grenzen die in de Grondwet en in verdragsrecht zijn neergelegd. Op het moment dat wij dat niet zouden doen, zouden we onze taak hier in de Eerste Kamer niet serieus nemen.

De heer Dittrich (D66):

In reactie op wat de heer Cliteur zei, meen ik toch een inconsistentie te ontdekken. Eerst zei hij dat we niet over Polen moeten praten en niet over Erdogan, en dat we het over de Nederlandse situatie hebben, maar vervolgens heeft hij het over de Verenigde Staten waar een levendig debat is over rechterlijke uitspraken. Maar wat hier gebeurt, is dat uitspraken van Nederlandse rechters door de fractie, door de partij van de heer Cliteur worden bekritiseerd. Hij weet ook dat Nederlandse rechters niet op televisie of in de krant kunnen komen om inhoudelijk met hem in debat te gaan daarover. Dat hoort ook niet, want als ze dat zouden doen, wordt hen meteen verweten dat ze een partijpolitieke kleur of iets dergelijks hebben. Dus ze hebben een zekere distantie. Ze moeten kijken naar wat het recht is, wat is afgesproken in het parlement en of de regels goed worden gehanteerd. Als een burger stelt dat het niet klopt wat de overheid doet in vergelijking met wat de overheid zelf heeft afgesproken, dan is het de taak van de rechter om te zeggen dat de overheid verkeerd bezig is en dat het anders moet. Dan past het niet om de rechter te bekritiseren. Dan zou de heer Cliteur de medewetgever moeten bekritiseren en hier in het parlement en aan de overkant uiteraard een debat aangaan.

De voorzitter:

Mijnheer Cliteur, u krijgt straks nog een tweede termijn. Een interruptie is bedoeld om een korte, aanvullende vraag te stellen. U kunt straks in uw tweede termijn nog additionele statements afleggen. De heer Dittrich vervolgt zijn betoog.

De heer Dittrich (D66):

Ik vervolg mijn betoog en ik ben al bijna aan een afronding toe.

Over de rol van de politieke partijen voor het functioneren van de democratische rechtsstaat blijft de rol van politieke partijen van groot belang. Die spelen een cruciale rol als platform om na te denken over de toekomst van ons land. Onze collega Joris Backer heeft dat in de Volkskrant onlangs gezegd. Hij zei: "Voor een slagvaardige democratie waar de grote vragen uitgediept, dilemma's en uitruilen worden besproken en keuzes worden gemaakt, zijn politieke partijen bij uitstek die plaatsen van debat en ontmoeting die het als hun taak zien veranderingen vanuit hun idealen voor te stellen en burgers daarin mee te nemen." Die inleiding had ik nodig om te zeggen dat wij ter versterking van de democratische rechtsstaat de gedachte steunen dat er een wet op de politieke partijen komt, waarin ook de financiering van en de maximering van giften aan politieke partijen en de individuele kandidaten worden geregeld. Wij kijken dan ook met belangstelling uit naar voorstellen over transparantie van politieke partijen bij hun digitale campagnes en de herkenbaarheid van geplaatste advertenties.

Een enkel woord over het partijverbod, gemodelleerd naar de uitgangspunten van de zogenaamde Venetië-commissie en met het door de Staatscommissie bepleite naderende gevaarcriterium. Dat kan in die wet op de politieke partijen gestalte krijgen. Het zou mooi zijn als de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt, en dus echt onafhankelijk is, zo'n partijverbod zou kunnen vragen als er een partij in Nederland ontstaat die echt antidemocratisch is. Mijn vraag aan de regering is: neemt de regering een voorstel daartoe op in de aangekondigde wet op de politieke partijen? Wanneer kunnen wij dat wetsvoorstel tegemoetzien?

Ik rond af met nog een onderwerp dat nog niet echt aan de orde is gekomen, namelijk het burgerschapsonderwijs. D66 wil dat er meer structurele aandacht komt voor democratisch burgerschap bij jongeren op school. Kennis over de werking van democratische instituties en mensenrechten is in een democratie onmisbaar voor volwaardige participatie. Ook gaat het om het ontwikkelen van vaardigheden voor hoe je op een democratische manier je stem kunt laten horen en conflicten kunt oplossen in de samenleving. Afgelopen zondag had ik de eer om les in democratie te mogen geven op de IMC Weekendschool in Amsterdam-Noord, in een achterstandsgebied. Ik moet zeggen dat ik echt getroffen was door het enthousiasme en het kennisniveau van kinderen van 12 jaar. We hadden op een gegeven moment een heel debat over: moet er wel of niet een vuurwerkverbod komen? Wat mij opviel, is dat een heleboel van die kinderen oog hadden voor groepen in de samenleving die misschien last hebben van dat vuurwerk. Ze trokken zich het lot van die andere mensen aan. Toen dacht ik: Het is mooi om burgerschapskunde al op jonge leeftijd via het onderwijs met jongeren te bespreken.

Ten slotte zou ik de regering willen voorhouden dat wij echt de urgentie voelen om tot modernisering van ons staatsbestel te komen. We roepen de regering dan ook op om haast maken met het ontwikkelen van een standpunt op de voorstellen van de staatscommissie en de voorstellen die ik heb aangeroerd. Ik benadruk met klem dat de fractie van D66 wil dat er nog in deze kabinetsperiode flinke stappen worden gezet.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Otten.