Plenair Dittrich bij voortzetting behandeling Wet straffen en beschermen



Verslag van de vergadering van 16 juni 2020 (2019/2020 nr. 32)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 13.52 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor zijn uitgebreide beantwoording. De fractie van D66 heeft dit wetsvoorstel bekeken vanuit de positie van de gedetineerde en vanuit de positie van het slachtoffer van een misdrijf waarvoor de gedetineerde in de cel is beland. Vanuit die optiek hebben wij een aantal vragen gesteld aan de minister in de eerste termijn. Ik heb een aantal mooie toezeggingen kunnen registreren. Zo komt er aandacht voor specifieke groepen gedetineerden die vanwege allerlei oorzaken op achterstand staan. Daarmee gaat de wet voor hen goed gelden. De minister gaat daarmee aan de slag in het overleg met alle ketenpartners. De minister gaat met de Raad voor de rechtspraak contact opnemen om te kijken wat de uitwerking van de wet zal zijn. Daar wordt jaarlijks over gerapporteerd. Die rapportage krijgen wij ook te zien. Wat betreft de overheid als werkgever heeft de minister gezegd dat er stageplaatsen zijn en dat eraan gaat worden gewerkt om hun aantal te vergroten, onder andere voor mbo'ers. Er wordt ook gewerkt aan vrijwilligerswerk, wat in het regeerakkoord staat. Ik heb gemist of er ook een specifiek diversiteits- en inclusiviteitsbeleid door de overheid als werkgever wordt gevoerd, om het goede voorbeeld te geven. Ik krijg daar graag nog wat nadere gegevens over.

We zijn ook blij met de toezegging dat er in de dossiers die ter beschikking komen voor degene die is veroordeeld, prudent wordt omgegaan met de gegevens van slachtoffers.

We hebben de minister uitgebreid gehoord over personeel, opleidingen en vacatures. We moeten kijken hoe dit zich in de praktijk gaat ontwikkelen, want daar staat of valt de uitwerking van het wetsvoorstel uiteraard mee. Als dat in de praktijk niet goed wordt geregeld, dan hebben gedetineerden en slachtoffers daar geen baat bij.

Tot slot wil ik nog terugkomen op het omgangsrecht. Ik heb in eerste termijn gezegd dat dit een punt van grote zorg voor mijn fractie is. In mijn achterzak had ik een motie om de kern van artikel 4, lid 3 in het wetsvoorstel om te vormen naar een ijkmoment, het gepleegde strafbare feit. Maar in het wetsvoorstel staat nu de uitspraak van de rechter. De minister heeft daarop gereageerd. Hij heeft gezegd: nee, dat zou niet goed zijn, want bijvoorbeeld bij cold cases zouden we over misschien vijftien of twintig jaar een nieuwe zaak krijgen, gebaseerd op een oud gepleegd strafbaar feit, en dan zou je tot in lengte van jaren twee systemen door elkaar kunnen hebben. Ik ben gevoelig voor dat argument, maar waar ik niet gevoelig voor ben, is dat het overgangsrecht niet nadelig zou moeten uitpakken voor degenen die bijvoorbeeld al een veroordeling hebben gehad, maar bij wie de zaak in hoger beroep aanhangig is of zal worden. Daarop heeft de minister geantwoord dat hij met de Raad voor de rechtspraak, de zittende magistratuur, OM om de tafel gaat zitten om dat punt goed te bespreken en ook terug te rapporteren aan de Eerste en de Tweede Kamer.

Daar heb ik toch nog een vraag over, want wat zijn de mogelijkheden voor het OM in een concreet geval als men denkt: een veroordeelde in eerste instantie gaat nadeel ondervinden van het nieuwe overgangsrecht? Wat kan de officier van justitie dan doen? Ik wil daarover nog graag wat meer duidelijkheid hebben van de minister. Voor ons staat voorop dat het nieuwe overgangsrecht geen nadelige consequenties mag hebben voor degenen die al een rechterlijke uitspraak hebben gekregen. Dat is echt een punt dat nog in tweede termijn door de minister opgehelderd zou moeten worden. Daarna zal ik met mijn fractie in beraad gaan over hoe we dit wetsvoorstel wegen, maar ik kan alvast wel zeggen dat ik ook veel positieve elementen in de beantwoording van de minister heb gehoord.

De voorzitter:

Dank, mijnheer Dittrich. Mevrouw Veldhoen.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Allereerst: heb ik goed begrepen dat de toezegging die u hebt gekregen om in gesprek te gaan met de Raad voor de rechtspraak ziet op de straffen die al dan niet aangepast worden naar aanleiding van dit wetsvoorstel? En dan heb ik de vraag aan u: hoe ziet u dat in het kader van de scheiding der machten?

De heer Dittrich (D66):

Het antwoord op de laatste vraag is vrij eenvoudig. Het blijft uiteraard aan het Openbaar Ministerie om een bepaalde eis in te stellen. De minister gaat natuurlijk niet voorschrijven hoe dat zou moeten. Het is aan de rechter om uiteindelijk in een concrete zaak met een uitspraak te komen. De rechter is uiteraard volkomen onafhankelijk, en moet dat ook vooral blijven. Maar het kan helemaal geen kwaad om bij de behandeling van het wetsvoorstel nog eens het volgende onder de aandacht te brengen, want het is toch een beetje een vorm van actieve wetsgeschiedenis. Het kan dus helemaal geen kwaad dat de minister nog eens vertelt dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat sommige mensen erop achteruit zullen gaan als er een nieuw overgangsrecht wordt geïntroduceerd voor uitspraken die al gedaan zijn in hun zaak.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Ik vraag me werkelijk af of niet juist de parlementaire behandeling antwoord moet geven op de vragen die de rechter heeft, als je kijkt naar de scheiding der machten en de zuiverheid daarin. Wij moeten niet de minister op pad sturen om daarover in gesprek te gaan met de Raad voor de rechtspraak, die natuurlijk niet over de inhoud gaat, maar eigenlijk alleen een bestuurlijk orgaan is.

De heer Dittrich (D66):

Ik heb hier geen vraag in gehoord. Stelt mevrouw Veldhoen dan nu dat de minister niet over dit hele onderwerp rond het overgangsrecht van gedachten zou moeten wisselen met degenen in de keten die hierover gaan?

De voorzitter:

Mevrouw Veldhoen, derde.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Ter verduidelijking: ik had het niet zozeer over het overgangsrecht, maar over het feit dat u zegt: de minister moet in gesprek gaan over de straffen die al dan niet worden aangepast naar aanleiding van dit wetsvoorstel. Daarover heb ik de vraag: past het in ons stelsel van scheiding der machten dat de minister over zo'n inhoudelijk onderwerp met de Raad voor de rechtspraak gaat spreken?

De heer Dittrich (D66):

Dan hebben we een beetje langs elkaar heen gesproken, want ik dacht dat u het over het overgangsrecht had. Dat was juist mijn punt in het debat met de minister. Maar uiteraard is het zo dat de minister niet in een overleg met de zittende magistratuur moet gaan zeggen hoe de overheid vindt dat er gestraft moet worden. Nee, de rechterlijke macht is volkomen onafhankelijk en moet dat ook blijven.

Tot slot sluit ik me wel aan bij de zorgen die de heer Recourt onder anderen heeft geuit. Gesteld dat er lager gestraft zou worden — dat weet je nooit — dan zou ik het onjuist vinden als daar de reactie op zou komen: o, dit is een onbedoeld neveneffect van de behandeling van deze wet en daarom gaan we strafmaten verhogen, bijvoorbeeld voor bepaalde typen delicten. Ik denk niet dat dat de juiste gang van zaken zou zijn, dus daarop wil ik graag nog een reflectie van de minister hebben in zijn tweede termijn.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan is ten slotte in deze termijn het woord aan de heer Otten, die spreekt namens de fractie-Otten.