Plenair Dittrich bij behandeling en stemming (zonder stemming aangenomen)



Verslag van de vergadering van 13 oktober 2020 (2020/2021 nr. 5)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 13.59 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel regelt de screening van degenen die als ambtenaar bij de politie willen werken of er al werken en een andere functie ambiëren en ook van de zogenaamde politie-externen die aangetrokken worden voor bepaalde werkzaamheden. Een goed functionerende rechtsstaat kan niet zonder een zorgvuldig werkend politieapparaat. Kernbegrippen in de wettekst zijn "betrouwbaarheid" en "integriteit", maar dit zijn nu juist woorden die niet in een heldere definitie zijn te vatten. Wie is betrouwbaar? Wie is integer? De Chinese filosoof Lao Tse heeft rond 600 voor Christus al gezegd: "Wie integer is, legt daar niet de nadruk op." Wellicht moet de overheid dat wel doen als normstelling voor wie bij de politie wil werken of al werkt.

Toch is het belangrijk om kritisch te kijken naar wat er achter die woorden "betrouwbaar" en "integer" schuilgaat, omdat het wetsvoorstel regelt dat er een inbreuk mag worden gemaakt op een grondrecht van degenen die aan een onderzoek worden onderworpen, namelijk het recht op persoonlijke levenssfeer, zoals omschreven in artikel 10, lid 1 van de Grondwet. Om te beoordelen of iemand betrouwbaar is en zijn of haar werk bij de politie mag gaan doen, wordt een onderzoek naar de persoon ingesteld en naar personen in diens omgeving. Hoever mag je daarin gaan? Wat is proportioneel? Onder de loep worden genomen de vrijetijdsbesteding, zoals hobby's en sport, maar ook nevenactiviteiten, zoals deelname aan besturen, commissies en raden van toezicht. Men wil inzicht krijgen in de sociale omgeving van de betrokkene. Sommige lidmaatschappen gelden als een rode vlag, zoals die van een outlaw motorcycle gang of een extremistische organisatie. Bovendien, zo antwoordde de minister op schriftelijke vragen van de D66-fractie, zal gekeken worden naar de socialmedia-accounts van de betrokkene, evenals naar zijn of haar eventuele gebruik van een alias op die social media.

De minister gaat een terugkijktermijn van acht jaar hanteren waarin er onder andere op gelet wordt of de betrokkene in die periode verslaafd of op andere wijze afhankelijk is geweest. Mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State heeft de minister in de wettekst een beoordelingsruimte opgenomen voor op de persoon toegespitste weging van justitiële antecedenten in relatie tot de omstandigheden van het geval. De fractie van D66 kan daarin meegaan, maar vraagt de minister het beoordelingsproces in de nog te maken AMvB's zo transparant mogelijk te maken. Het klachtrecht voor degene die meent onterecht afgewezen te zijn, moet toegankelijk zijn. De afwijzende beschikking moet zo duidelijk zijn dat je weet waarom je wordt afgewezen.

Maar dan nu het omgevingsonderzoek naar de betrouwbaarheid van de betrokkene. Daar heb ik nog enkele vragen over, met name over hetgeen geregeld is in artikel 48s van de Politiewet 2012. Het omgevingsonderzoek kan betrekking hebben op de kinderen van betrokkene, diens partner, diens inwonende ouders en personen van 12 jaar of ouder die vanwege de bijzondere aard van de relatie tussen de betrokkene en hen relevant zijn voor diens betrouwbaarheid. Hoe gaat dit in de praktijk? Zijn degenen die het onderzoek doen en de vragen gaan stellen, goed getraind? Gesprekken met de personen uit de omgeving van de sollicitant kunnen voor onrust zorgen. Is er een protocol dat gehanteerd wordt? Uit de praktijk hebben we klachten gehoord dat sommige vragen als intimiderend kunnen worden ervaren. Hetgeen men aan de weet wil komen, moet natuurlijk wel proportioneel zijn. Stel, iemand heeft een hecht contact met zijn of haar broer. Die heeft echter een strafblad. Houdt dit dan in dat de sollicitant wordt afgewezen, want een verhoogd risico voor de betrouwbaarheid?

En dan de "andere persoon" uit artikel 48 s, lid 2 onder b. Die behoeft natuurlijk niet per se een familielid te zijn. Het kan bijvoorbeeld een jeugdvriendin zijn, een buurman, een voormalig collega of iemand uit de buurt, iemand bij wie je in de klas hebt gezeten. Is het juist dat in wezen iedere relevante persoon onder die definitie valt? En kan de minister aangeven welk type informatie van of over deze andere personen kan leiden tot het stempel "onbetrouwbaar" van de sollicitant? Hoever gaat men graven in het leven van degenen die informatie verstrekken over die sollicitant? Ook deze andere personen hebben een recht op een persoonlijke levenssfeer en worden door de Grondwet beschermd. Zorgvuldigheid moet hier leidraad zijn.

Voorzitter, ik ga afronden. In bijzondere gevallen kan men een gesprek met het kind van de betrokkene van 12 jaar of ouder aangaan. Desgevraagd rechtvaardigt de minister de noodzaak daarvan door te wijzen op het messenbezit onder jongeren. Stel dat een jongere op het schoolplein een mes heeft getrokken. Dat is natuurlijk afschuwelijk, maar wordt dat dan tegengeworpen aan de vader of moeder die bij de politie wil werken? Hoe telt dat mee in de beoordeling van de betrouwbaarheid van de sollicitant?

Wat D66 betreft, zou toch echt het uitgangspunt moeten blijven dat de sollicitant in eerste instantie verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen daden, en niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor die van anderen. Worden de daden van anderen tegen de betrokken sollicitant gebruikt in het betrouwbaarheidsonderzoek, dan ontneemt de politieorganisatie iemand de kans zich verder te ontwikkelen en zich te onttrekken aan het milieu, de kring, de groep, de buurt, de familie waar hij of zij uit voortkomt. Hij of zij wordt dan als het ware gestraft voor de daden van anderen. Hoe proportioneel is dat? Wil de minister hierop reflecteren?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan is het woord aan de heer Recourt namens de Partij van de Arbeid.