Plenair Dittrich bij behandeling Wet uitbreiding slachtofferrechten



Verslag van de vergadering van 13 april 2021 (2020/2021 nr. 34)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.10 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor zijn uitgebreide beantwoording. Sommige punten zijn echt opgehelderd. De minister heeft ook een aantal toezeggingen gedaan, interessant. Maar er zijn toch nog een aantal punten die voor ons verdere uitwerking behoeven. Ik begin bij de verschijningsplicht. In de interruptie heb ik nog aan de minister gevraagd: processuele redenen, zouden dat ook zwaarwichtige belangen kunnen zijn? Dus als de rechter daarvan zegt: die verdachte wil niet komen, die is hier niet, maar het zou zo'n tijdverlies opleveren als we nu de zitting moeten uitstellen en dergelijke; het is niet in het belang van de andere procesdeelnemers om die zaak aan te houden, dus laten we doorgaan, zonder dat die verdachte aanwezig is op de zitting. Ik hoor daar toch nog graag een duidelijke reactie van de minister op; kan ook dat onder de figuur van het voorgestelde artikel vallen?

Duidelijk genoteerd dat de minister zegt: een videoverbinding kan onder de uitzonderingen vallen. Dus de verdachte hoeft niet te verschijnen, maar de minister zegt daarbij — terecht — dat dat natuurlijk wel een uitzondering moet zijn. Dat snap ik. En het draagt bij aan het maatwerk dat de rechter op de zitting verricht, dus dat vond ik belangrijk om te horen.

Over de evaluatie heeft de minister gezegd: over twee jaar, inclusief een aantal aspecten waar specifiek naar gekeken wordt, bijvoorbeeld het kostenaspect en uiteraard de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Maar wat ik eigenlijk zo graag zou willen, is dat die evaluatie een rol speelt bij de behandeling van het Wetboek van Strafvordering. Wat wij leren uit de evaluatie van deze wet, kunnen wij meenemen in de behandeling van het Wetboek van Strafvordering. Dus mijn vraag is of dat qua tijd met elkaar spoort. Want als we al over een halfjaar — ik zeg maar even wat — het hele Wetboek van Strafvordering zouden gaan behandelen, kunnen we natuurlijk nooit de evaluatie weer meenemen. Dus graag wat duidelijkheid over hoe dat bij elkaar past.

Ik heb goed geluisterd naar de heer Janssen en ik zag net ook zijn motie. En ik heb ook het antwoord van de minister tot mij door laten dringen. Ja, ik moet zeggen dat ik de tweefasenstructuur inderdaad een interessante discussie vind. Maar ja, als de minister zegt "ik ga niet echt een onderzoek gelasten en dat allemaal in gang zetten", dan kan ik me dat op zich ook wel voorstellen; zeker als de WODC dat zou moeten doen, want er is inderdaad in andere debatten ook al gevraagd aan het WODC om onderzoeken te doen. Dus ik wacht het antwoord van de minister op die ingediende motie nog even af.

De tbs-zittingen. De minister heeft heel duidelijk gezegd: ik verwacht geen uitstel. Wat ik erg belangrijk vond om te horen, is dat het slachtoffer niet bij de privacygevoelige delen van de zitting is die over de tbs-gestelde gaan. En ja, dan zal het slachtoffer inderdaad op de gang moeten zitten en dan naar binnen worden gehaald als die specifieke voorwaarden, die in het belang van het slachtoffer, worden besproken. Dat vond ik een belangrijk gegeven, dat in de stukken nog niet helemaal helder was.

De heer Janssen (SP):

Nog even richting de heer Dittrich: heeft hij mij niet horen zeggen dat het voor mij niet door het WODC hoeft, dat het een beperkt onderzoek kan zijn om te kijken of er nog gronden zijn sinds de uitbreiding van de slachtofferrechten om nog eens naar die conclusies te kijken van het WODC? En dat dat ook mag door een second opinion van een andere partij, dat het kan in de vorm van een briefadvies, dat het kan kort zijn? Ook die uitvoeringstoets kan beperkt worden tot deze categorie waar we het vandaag over hebben. Ik wilde even zeker weten dat de heer Dittrich mij goed begrepen had, dus dat het niet alleen maar een uitgebreid onderzoek door het WODC hoeft te zijn.

De heer Dittrich (D66):

Dat heb ik de heer Janssen goed en duidelijk horen uitleggen. Ik weet van mijn contacten met mensen die in de praktijk werken dat die tweefasenstructuur nou niet echt een dringende behoefte is waar iedereen op zit te wachten. Ik wil niet de woorden van de minister herhalen, maar ik snap dat je hier academisch heel lang over kunt praten. We weten dat andere landen hebben gezegd: nee, we doen het niet. In zijn termijn zei de heer Janssen: maar wij hoeven niet te doen wat de buren willen. Dat snap ik allemaal, maar het standpunt van de fractie van D66 is: we zien wel wat hiermee gaat gebeuren.

De heer Janssen (SP):

Dat met betrekking tot het voorstel. Misschien komen we er in tweede termijn nog op terug met de minister. Het gaat mij erom of de heer Dittrich ook ziet dat, als we voor een lange periode het Wetboek van Strafvordering gaan herzien, dit iets zou kunnen zijn waar we in ieder geval met elkaar de discussie over zouden kunnen voeren: zou het op onderdelen van het strafproces, bijvoorbeeld bij ernstige delicten, toegevoegde waarde kunnen hebben? Het gaat mij er niet om om nu een keuze te maken, maar om ervoor te zorgen dat we alles hebben om de discussie op basis van actuele informatie te kunnen voeren.

De heer Dittrich (D66):

Ja, maar daar wil ik dan toch weer op antwoorden met een verwijzing naar het onderzoeksrapport uit 2013. Dat gaat over een beperkter spreekrecht — dat ben ik helemaal met de heer Janssen eens — maar daarin komen argumenten naar voren om te zeggen: er zijn plussen en minnen, maar de minnen, dus de redenen om het niet te doen, wegen zwaarder. Ik vraag mij af of dat acht of negen jaar later, wanneer dat onderzoek dan is afgerond, anders zal zijn. Ik zit er dus niet op te wachten.

De heer Janssen (SP):

Maar dat vraag ik me ook af. Vandaar ook mijn voorstel.

De heer Dittrich (D66):

Wellicht komt de minister met een heel belangrijk antwoord in zijn tweede termijn.

Voorzitter. De privacy van slachtoffergegevens in het dossier vind ik ook belangrijk. Daarvan heeft de minister gezegd: dat is best wel complex; dat kan niet gratis zijn. We hebben nu alleen een haakje in de wet met die AMvB. Ik vond het heel belangrijk dat de minister expliciet heeft gezegd: we gaan eerst met de uitvoeringsorganisaties om de tafel zitten om te bespreken of we dit echt aankunnen en echt kunnen waarmaken. Want we kunnen niet hebben dat we het op een gegeven moment allemaal gaan introduceren en dat het dan in de praktijk niet goed gehanteerd wordt. Dat levert alleen maar teleurstellingen op en wie is daar dan voor verantwoordelijk? Wat dat betreft snap ik de zorgen die procureur-generaal Otte in Trouw heeft geuit. Ik vond dat de minister daar wel heel snel overheen liep, in de trant van: dat kan ik makkelijk allemaal weerleggen. Want als je met mensen uit de praktijk praat, merk je dat zij zich echt zorgen maken over de uitvoeringsaspecten, niet alleen van dit wetsvoorstel, maar van alles waar wij qua wetgeving als Tweede en Eerste Kamer mee komen.

Voorzitter. Ik heb eigenlijk alle punten gehad, behalve nog het meegeven van het aangifteformulier in zedenzaken. Ik heb heel duidelijk gehoord dat de minister er werk van gaat maken dat het in een concrete zaak daadwerkelijk wordt toegelicht als dat formulier niet wordt meegegeven. Dat moeten we dan maar even afwachten. Ik neem aan dat dit ook bij de evaluatie van dit wetsvoorstel betrokken zal worden.

Mijn fractie gaat hier grondig over nadenken. We gaan uiteraard nog even luisteren naar de tweede termijn van de minister. Volgende week zult u horen wat de uitkomst van ons beraad is.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan is het woord aan de heer Recourt van de fractie van de Partij van de Arbeid.