Plenair Rietkerk bij behandeling Wet betaalbare huur



Verslag van de vergadering van 18 juni 2024 (2023/2024 nr. 36)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.42 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Rietkerk i (CDA):

Voorzitter. Het CDA wil een land waarin mensen zich thuis voelen, waar ze een thuis hebben en onderdeel zijn van een sterke gemeenschap. Via de agenda voor heel Nederland willen we de basis op orde brengen door bestaanszekerheid als uitgangspunt te nemen en te zorgen voor voldoende woningen voor een betaalbare prijs, maar ook voor voldoende middenhuurwoningen voor een betaalbare huur. Onze idealen staan in een rijke christelijke traditie, waarin oude woorden en nieuwe oplossingen elkaar steeds weer vinden. Voor onze democratische uitgangspunten verwijs ik naar het woon- en huurdebat van 23 april jongstleden.

Voorzitter. Voldoende middenhuurwoningen voor een betaalbare huur. De problemen in de volkshuisvesting, ook in de huursector, zijn groot. Mensen hebben moeite om de huur te betalen. Zeker beroepen met een middeninkomen — ze zijn genoemd: agenten, verpleegkundigen, docenten — kunnen niet meer terecht in de stad en omgeving, terwijl het tekort aan deze beroepsgroepen alleen maar verder toeneemt.

De cijfers zijn duidelijk. Het dure huursegment is in de laatste jaren alleen maar gegroeid. Steeds meer huurders zijn meer dan 40% van hun inkomen kwijt aan huur. In grote steden betalen nieuwe huurders gemiddeld €160 per maand meer huur dan de vertrekkende huurder. Bij woningen waarvoor de huurprijsbescherming nu al geldt, het zogeheten lage segment, zien we dat mensen alsnog veel te hoge huren betalen. Ongeveer de helft van de private huurwoningen in het lage segment wordt te duur verhuurd. Dit gaat gemiddeld om €150 huur te veel per maand. De CDA-fractie steunt de bedoeling van deze wet: een verlaging van de middenhuur voor huurders.

Het bouwen van meer woningen is een belangrijk onderdeel van de structurele oplossing voor het tekort aan betaalbare woningen. Ook middeninkomens zijn gebaat bij meer woningbouw door de markt en de corporaties. Kortom, er moet voldoende aanbod zijn. Daar is in het wetsvoorstel ook rekening mee gehouden, onder meer door de nieuwbouwopslag van 10% voor nieuw op te leveren middenhuurwoningen waarvan de bouw voor 2028 start. Daarvoor geldt gedurende twintig jaar na ingebruikname een nieuwbouwopslag van 10% boven op de huurprijs, zodat nieuwbouwprojecten door kunnen gaan. De CDA-fractie steunt deze opslag, maar vraagt de minister naar de definitie van "nieuwbouw". Valt volledige renovatie daar bijvoorbeeld ook onder? Voorts vraagt de CDA-fractie aan de minister of het evaluatiemoment van medio 2027 wel effect kan hebben per 1-1-2028. Of kan het via een AMvB verlengd worden naar achteren, mocht het tegenvallen? Kan de minister toezeggen dat er een redelijke termijn wordt gehanteerd in beide Kamers?

Woningbouwcorporaties, verenigd in Aedes, en investeerders als IVBN en NEPROM willen duidelijkheid en meerjarige stabiliteit door een groei van het aantal middenhuurwoningen. De staatssteunregels in Europa voor DAEB moeten wat ons betreft versoepeld worden. Anderen hebben dat ook genoemd. Op die manier kunnen woningbouwcorporaties meer dan 50.000 middenhuurwoningen bouwen, naast de 50.000 middenhuurwoningen die door institutionele beleggers worden gebouwd. Voor de aanpassing van het DAEB-vrijstellingsbesluit 2012 is Brussel nodig. Aanbieders van middenhuurwoningen komen als gevolg van de definitie van de doelgroep in dit vrijstellingsbesluit niet voor staatssteun in aanmerking. Kan de minister een nieuwe aanvullende categorie creëren in het DAEB-vrijstellingsbesluit 2012, waardoor het mogelijk wordt om steun te geven aan aanbieders van betaalbare huurwoningen voor huishoudens met een middeninkomen? En wanneer kan de Europese Commissie een besluit nemen? Ik sluit me aan bij de vragen van de heer Talsma van de ChristenUnie en mevrouw Perin van de fractie van Volt.

Veel vastgoedbezitters, huurders, verhuurders, andere stakeholders en uitvoeringsorganisaties hebben ons allen veel mails gezonden. Die kwamen ook binnen bij onze Eerste Kamerfractie. Mede daarom heeft de CDA-fractie ruim gebruikgemaakt van de eerste schriftelijke vragenronde en ook van de tweede schriftelijke vragenronde. We bedanken de minister voor de adequate beantwoording. We bedanken ook de ambtelijke ondersteuning. Veel vragen zijn beantwoord en zullen wij niet terughalen in dit plenaire debat. Er zijn zo'n 220 pagina's aan antwoorden en vragen.

Toch is er ook een schaduwzijde, een andere kant aan dit wetsvoorstel. We hebben zo veel mogelijk gereageerd op de mails van de mensen die bij ons zijn binnengekomen. Dat is ons gelukt, met steun van Antje Beers, die hierboven zit. Op een gegeven moment kwamen er weer allerlei onduidelijkheden, terwijl er wel antwoorden waren gegeven. Een deel is overgebleven en daar richt de CDA-fractie zich nu op. We willen van de minister een aantal toezeggingen. Op twee punten denken wij een Kameruitspraak nodig te hebben. Die hebben te maken met de rechtmatigheid, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de vastgestelde wet in de Tweede Kamer, de Wet betaalbare huur.

Veel vastgoedbezitters, vastgoedorganisaties en verhuurders vragen om een verduidelijking van de begrippen "zelfstandige woonruimte" en "onzelfstandige woonruimte" bij kamerverhuur. De definitie van "zelfstandige woonruimte" wordt aangescherpt. Veel verhuurders vragen ons: waarom en hoe zit dat? Kan de minister hier, aanvullend op de schriftelijke reactie, nog eens duidelijk aangeven hoe dat zit? Wanneer is er sprake van zelfstandige verhuur bij groepscontracten, bijvoorbeeld bij studenten? Ik sprak vanmorgen met studenten uit Delft. Als je dat toelicht, kun je een ander licht laten schijnen op het beeld dat zij hebben en hadden. Dan over de verdere verduidelijking van de situatie van de studenten. Stel dat er nu drie of meer studenten of andere mensen samenleven en dat dat gemotiveerd wordt vanuit die drie of meer studenten of andere mensen. Als die dan verder willen gaan met hun leven, vraagt dat als het gaat om het begrip "duurzame samenwoonrelatie" een duiding door de minister, want daar zijn wel misverstanden over. Kunnen er in het belang van de huurder in de uitvoering van dit wetsvoorstel dus gewoon groepscontracten worden afgesloten?

In de nota naar aanleiding van het tweede verslag geeft de minister aan dat de Raad van State positief adviseert over de twee voorgehangen besluiten. Dat zijn de bijbehorende uitvoeringsbesluiten. In lijn met het advies van de Raad van State vraagt de CDA-fractie aan de minister wat voor huurders en verhuurders — voor beide kanten — de praktische en financiële effecten zijn van het voorstel Wet betaalbare huur. Diverse personen stellen dat er een nadelige aanpassing is voor het woningdelen, en daarmee voor het te behalen rendement. Dit kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld studenten, voor ouderenzorg maar ook voor mantelzorgers. De CDA-fractie gaat ervan uit dat woningdelen en inwonen mogelijk blijven. Kan de minister toelichten dat de zowel mondeling als via de mails vaak geuite suggestie dat deze verduidelijking van de definitie "woningdelen en inwoning" inwonen onmogelijk zou maken, niet klopt?

Kan de minister ook aangeven dat hospitaverhuur door een hoofdhuurder, in grote steden van heel groot belang voor studenten, wordt uitgezonderd van deze nieuwe definitie? Dat is weer een hele grote groep die dan uitgezonderd wordt. Overigens, wanneer informeert de minister deze Kamer over de uitvoering van de unaniem aangenomen motie-Rietkerk met betrekking tot de hospitaregeling?

Voorzitter. De CDA-fractie constateert dat de hoogte van de prijsopslag voor rijksmonumenten van 35% als gevolg van een Tweede Kameramendement van de heer Paternotte, vastligt in de wet. Daarnaast wordt voor het eerst een prijsopslag van 15% geïntroduceerd voor gemeentelijke en provinciale monumenten. Vanwaar is dit verschil tussen 35% en 15%? De CDA-fractie constateert dat bij de uitvoering van deze wet de monumentensector ook risico's kan lopen. De organisaties van samenwerkende monumenteneigenaren, de SOM, de Federatie Instandhouding Monumenten, de FIM, en diverse vastgoedeigenaren vroegen tot vanmorgen daarover in hun brief de aandacht van de fracties en ook van onze fractie. De CDA-fractie vraagt of er via 50 punten in het woningwaarderingsstelsel, het WWS, of via een bepaald opslagpercentage toch nog een waardering mogelijk is voor het onderhoud en het in stand houden van beschermde stads- en dorpsgezichten. We overwegen op dit punt een motie in de tweede termijn.

Verder vraagt onze fractie aan de minister of hij antwoorden kan geven op de vraag of er op een andere manier dan via de huurprijs tegemoetgekomen kan worden aan de monumentensector en ook aan specifieke hofjes in onder meer Limburg, Brabant en Gelderland. Kan de minister deze mogelijkheden al in dit debat benoemen of kan de minister hierover binnenkort een brief aan beide Kamers toezeggen?

In de nota naar aanleiding van het tweede verslag ging onze vraag over de terugval van 220 naar 160 punten bij gerenoveerde rijksmonumenten. Op die vraag is een antwoord gegeven. De renovatiekosten en de aanschafwaarden van rijksmonumenten zijn veel hoger dan de kosten van het bouwen van een nieuwbouwwoning. Hetzelfde geldt voor het onderhoud. In het nieuwe WWS vervallen voor de rijksmonumenten de 50 punten die onder de huidige WWS wel gelden. Omdat over deze 50 vervallen punten dan ook geen WOZ-punten kunnen worden berekend, krijg je naar ons idee die terugval van 220 naar 160. De minister zegt in de schriftelijke beantwoording dat die er niet is, maar we hebben opnieuw brieven gehad die dat duiden.

De CDA-fractie heeft begrepen dat er in de nieuwe situatie wel 35% extra huur gerekend mag worden, maar de enige wijze om terugval in punten tegen te gaan, is het realiseren van een hoog energielabel voor de woningen. Dat is niet eenvoudig in woningen die eeuwen oud zijn, nog los van alle beperkende regels voor die rijksmonumenten. Het vergt een additionele investering en een vergunningaanvraag en het veroorzaakt leegstand — dus geen inkomsten — in afwachting van de vergunningverlening. Bij vergunningen voor rijksmonumenten kan dat zo een jaar duren. Kan de minister eens reageren op deze situatie die zich in diverse steden voordoet? Want we hebben daar ook diverse mails over gehad.

Voorzitter. De CDA-fractie constateert dat het overgangsrecht in de wet is geregeld en niet in de onderliggende AMvB's. In de antwoorden op onze schriftelijke vragen is dat duidelijk verwoord door de minister. Nu die overgangstermijnen door de Tweede Kamer in de wet zijn vastgesteld — de PVV-fractie redeneerde ook vanuit die situatie — hebben wij toch nog een paar vragen over de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid.

De Wet betaalbare huur treedt bij vaststelling op 25 juni, als we er volgende week over kunnen stemmen, wellicht in werking per 1 juli 2024. Op deze datum worden dus het nieuwe WWS en het WWSO van kracht en wordt de middenhuurregeling ingevoerd, inclusief toewijzing, uitbreiding van de bevoegdheden van de Huurcommissie et cetera. De huidige huurprijstoetsingsprocedures blijven wat ons betreft gewoon bestaan en worden met de Wet betaalbare huur uitgebreid.

Voorzitter. De fractie heeft veel reacties gekregen vanuit het land over het tempo van de invoering van het WWS en het WWSO. De CDA-fractie ziet risico's in de te rappe invoering in verband met de verwerking van de digitale systemen en de handhaving op zo'n korte termijn door gemeenten. De woningbouwcorporaties en gemeenten uit diverse regio's hebben daar ook op gereageerd; Aedes heeft namens alle woningbouwcorporaties gereageerd. Zij hebben de fracties in de Eerste Kamer daar ook een gemotiveerde brief over geschreven; die is in ieder geval bij ons binnengekomen. Zij denken op z'n vroegst in oktober, november gereed te zijn. Ook andere verhuurders en vastgoedeigenaren uit meerdere regio's vragen hier in eigen bewoordingen aandacht voor. Namens de CDA-fractie wil ik pleiten voor een soort wen- en implementatiefase, waarin de nieuwe norm al wel geldt maar de handhaving van gemeenten niet. Dat is een geste naar de gemeenten en de verhuurders die op 1 juli nog niet klaar zijn. Verhuurders kunnen dan in ons voorstel nog geen boete krijgen en gemeenten handhaven nog niet. Dat betekent dat nieuwe gemeentelijke handhaving op de maximale huurprijzen en de maximale huurprijsverhogingen in deze wen- en implementatieperiode achterwege blijft. Wel worden de middelen voor de handhaving aan gemeenten uitgekeerd, want die zullen de handhaving op orde moeten brengen, zodat ze zich kunnen voorbereiden. Ook wordt de informatieplicht voor verhuurders om een puntentelling te verstrekken bij het aangaan van een huurcontract, uitgesteld. Ook verhuurders, zowel corporaties als institutionele investeerders, pensioenfondsen en private verhuurders, hebben de zorg geuit dat het niet haalbaar is om meteen per 1 juli alle systemen aangepast te hebben, conform het WWS en het nieuwe WWSO. De CDA-fractie stelt voor om de gemeentelijke handhaving op het nieuwe WWS en het nieuwe WWSO uit te stellen tot 1 januari 2025. Graag een reactie van de minister hierop. Gelet op het belang dat onze fractie hieraan hecht, overwegen wij een Kameruitspraak te vragen via een motie in de tweede termijn.

De heer Meijer i (VVD):

Dat klinkt sympathiek. Ik heb ook zelf gevraagd om op een zorgvuldige invoering te letten. Begrijp ik het goed dat sommige verhuurders wel per 1 juli hun huur kunnen aanpassen en andere dat mogelijk per 1 januari kunnen gaan doen? Levert dat niet ongelijkheid op? Of begrijp ik uw voorstel niet goed?

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb het niet over de nieuwe contracten en over de situatie in het lage segment, maar over de grote bulk, en dan verwijs ik naar wat Aedes en andere verhuurders hebben geschreven. Ik ben nieuwsgierig hoe de minister reageert op het voorstel om de handhaving pas in te laten gaan, vanaf 1 januari 2025, en op de andere punten die ik net heb genoemd.

De heer Meijer (VVD):

Ik wacht dan even de beantwoording van de minister af over hoe die invoering precies gaat, voordat ik kan beoordelen of dit echt een sympathiek voorstel is.

Mevrouw Janssen-van Helvoort i (GroenLinks-PvdA):

Ik wou nog iets vragen over die 50 punten voor die monumenten; misschien is dat een beetje secundair, maar ik moest er even over nadenken. In de Tweede Kamer is daarover ook gedebatteerd. Er stond eerst 30% en dat is via een amendement 35% geworden. Is er in de Tweede Kamer ook een poging ondernomen voor die 50 punten? Ik vind eigenlijk dat het meer bij het debat in de Tweede Kamer hoort. Ik weet niet of dat ook gebeurd is, maar misschien weet de heer Rietkerk dat wel.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb veel gelezen en dat bij de voorbereiding wel gezien, dus daarom vraag ik daarnaar. Ik vraag naar een alternatief. Dat heeft te maken met dat opslagpercentage voor onderhoud en in stand houden van beschermde stads- en dorpsgezichten. Daar is het niet over gegaan. Het ging wel over rijksmonumenten en monumenten, maar niet over onderhoud en in stand houden van beschermde stads- en dorpsgezichten. Dat voeg ik toe via de motie die ik straks in tweede termijn waarschijnlijk ga indienen, omdat daar ook sprake is van onrendabelheid.

De heer Kemperman i (BBB):

Ik hoor en onderschrijf de zorg van de heer Rietkerk over de uitvoerbaarheid, het klaar zijn van systemen, de complexiteit en de snelheid waarmee het allemaal moet. Ik hoor dat ook terug bij andere fracties. Waarom vragen we niet aan de minister om deze wet later in te laten gaan in plaats van met stoom en kokend water volgende week de wet erdoor te stemmen en daarna met al die reparatieachtige trucs te komen om hem uitvoerbaar te maken? We kunnen toch ook de tijd nemen en wat later over deze wet stemmen, zodat die zorgvuldig wordt voorbereid op BZK en al deze vragen over de uitvoering worden afgedaan?

De heer Rietkerk (CDA):

Nee, het is geen truc. U zegt: een truc uithalen om … Het is in feite goed kijken dat je duidelijkheid geeft aan heel veel partijen die voor deze wet zijn. Ik ga ze niet allemaal noemen. Al die partijen, zoals NEPROM en IVBN, hebben allemaal vragen, maar ze zeggen tegen de Eerste Kamer: doe ons een plezier en geef ons per 1 juli duidelijkheid over die wet, want we zijn er al maanden mee bezig en het is zaak om dat per 1 juli te doen. Wij zijn een partij die daar robuust en betrouwbaar invulling aan wil geven, medeafhankelijk van de antwoorden die de minister geeft, en we pakken er een element uit dat te maken heeft met de belasting van gemeenten. Dat is de handhaving. Wij vragen om dat goed in te regelen. We hebben de groep waarover Aedes zegt voor oktober niet klaar te zijn met de systemen. Dat betekent dat je inregelt, maar wel vanuit de bedoeling van de wet, die in de Tweede Kamer met een grote meerderheid is aangenomen, om duidelijkheid te geven aan de maatschappij dat dit hetgeen is waar ondernemers, verhuurders, maar ook corporaties mee te maken hebben. Ik zal straks nog iets zeggen over ondernemersland, waar u ook uitkomt. Ik ben ook in een aantal netwerken geweest. Zij zeggen: doe ons een plezier, kom met een robuust voorstel en geef duidelijkheid over wat er per 1 juli gebeurt.

De heer Kemperman (BBB):

Dat begrijp ik, maar dat voorstel, zo constateren we met elkaar, is nog niet robuust. Alleen maar een wet door deze Kamer laten bevestigen waar nog van alles aan gedaan moet worden en waar nog van alles — ik noem het een truc — aan gerepareerd moet worden om die uitvoering te krijgen … Ik noem een concreet voorbeeld en misschien kunt u dat ontkennen of bevestigen. De Huurcommissie krijgt jaarlijks 13.000 geschilzaken te verwerken. Dat is al een hell of a job met de beschikbare capaciteit en dat duurt gemiddeld vier maanden. Als een op de tien huurders en huurbazen in geschil raakt over de WWS-waardering, dan hebben we er tussen de 30.000 en 40.000 zaken per jaar bij. Die ellende roep je over jezelf af als je zo snel als we nu willen over deze wet gaan stemmen. Laten we daar de tijd voor nemen, zou mijn pleidooi zijn. En dan moet ik natuurlijk vragen: ziet u dat ook zo, meneer Rietkerk?

De heer Rietkerk (CDA):

Dat zie ik echt anders. Ik heb met Huurcommissievertegenwoordigers gesproken. Die zeggen: we hebben wel even tijd nodig om het in te regelen, maar eigenlijk zijn we er wel klaar voor. Ze hebben misschien de vakantieperiode nodig, maar ze zijn er wel klaar voor. Al die getallen die u nu noemt, in de zin van als-dan en als-dan, kan ik niet terughoren vanuit de Huurcommissies. Aedes heeft gezegd wat meer tijdig nodig te hebben voor de systemen. Ik heb dat ook van een heel aantal particuliere verhuurders gehoord. Daar hebben wij als fractie en als Kamer naar te kijken en dat hebben wij dan te beoordelen. Ik vraag de minister of we dat goed zien. Het moet wat ons betreft volstrekt duidelijk zijn dat we voor 1 juli stemmen over die wet en dat die van kracht wordt, want daarmee geef je rust in een markt die te onrustig is. Nou, u zit er middenin, maar ik hoor zowel aan de verhuurderskant als aan de huurderskant verhalen en beide zeggen: geef ons nou duidelijkheid. Het CDA pleit ervoor om vervolgens een aantal maanden meer te nemen voor een ordentelijk proces qua uitvoering. Ik vraag de minister om daarop te reageren. Het is voor ons een aangelegen punt gelet op de contacten die wij hebben gehad. U heeft uw contacten en wij hebben contacten om alles afwegend dit te doen.

De heer Schalk i (SGP):

De duidelijkheid wordt gegeven door de wet te aanvaarden dan wel niet te aanvaarden. Dan is er in ieder geval duidelijkheid. Stel dat de wet wordt aanvaard. Dan heeft de heer Rietkerk een heleboel onderwerpen genoemd die dan in ieder geval nog gefaseerd zouden moeten. Maar hoe zou hij willen dat de minister dat gaat doen? Via allerlei algemene maatregelen van bestuur? Welke route moet je dan gaan doorlopen? Het zijn namelijk nogal wat thema's die dan eigenlijk uitgesteld worden.

De heer Rietkerk (CDA):

Nou, het is vrij overzichtelijk. De minister zal ingaan op wat het betekent als je het niet op 1 juli doet maar je het vanwege de systemen waarbij je de gemeenten wel handhavend de middelen geeft, per 1 januari 2025 van kracht laat gaan. Dan heb je een robuust systeem, waarbij je voorkomt dat gemeenten niet aan handhaving toekomen, want de SGP-fractie zal het met mij eens zijn dat dat niet past bij een betrouwbare overheid. Als je een wet vaststelt en gemeenten iets meer tijd hebben om de zaken op orde te brengen … Er zitten nog meer overgangsrechtelijke bepalingen in. Daar kom ik nu echter niet aan, want deze wet is een complexe wet die stapsgewijs wordt ingevoerd. Als de voorzitter mij toestaat om mijn verhaal af te maken, kom ik ook nog op een invoeringstoets en een monitoring per jaar, wat ook aansluit bij andere fracties en waar ik ook graag een toezegging op zou willen. Dan zien we dat we in ieder geval voorwaarts gaan en dat we op basis van inhoud en feiten en niet op basis van suggesties en mogelijkheden die monitoring gaan doen. Na het gesprek in de Tweede Kamer als het gaat om de bedoeling van de wet en het gesprek hier over de uitvoeringsaspecten zien we elkaar hier weer en gaan we kijken hoe we daar verstandig mee omgaan.

De voorzitter:

Is het een voorstel dat de heer Rietkerk eerst zijn verhaal afmaakt en dat dan de interrupties nog even komen?

De heer Schalk (SGP):

Dat vind ik een heel goed voorstel, maar mijn interruptie is bijna voorbij dus …

De voorzitter:

Dan maakt u die even af. Dan wil ik voorstellen dat de heer Rietkerk wel zijn verhaal afmaakt en dan kan ook de heer Van Rooijen nog een vraag stellen.

De heer Schalk (SGP):

Maar dan even nog voor mijn duidelijkheid. De heer Rietkerk zegt dus eigenlijk: laten we die wet gewoon in stemming brengen en als die aanvaard wordt, dan geldt die per 1 juli 2024 maar krijgt die pas uitvoering en dergelijke uiterlijk per 1 januari 2025, waarbij dat halfjaar genomen wordt om het in te regelen. Begrijp ik dat dan goed?

De heer Rietkerk (CDA):

Het onderdeel dat je vertraagt, heeft te maken met het van kracht laten zijn van het WWS en het WWSO, gekoppeld aan de handhaving van de gemeente. Dat element koppel ik aan 1 januari 2025, maar het overige niet.

Voorzitter. Bij de behandeling van de Wet betaalbare huur vragen monitoring en evaluatie aandacht. De wet wordt elke vijf jaar geëvalueerd. Het vraagt enige tijd — dat blijkt ook wel uit het debat hier — om de effecten integraal in beeld te brengen. Toch wil onze fractie, net als andere fracties, dat er eerder vinger aan de pols wordt gehouden. Zo ligt er een relatie met de belastingwetgeving, in het bijzonder met box 3. Onze fractie blijft overigens tegen vermogenaanwasbelasting. De overdrachtsbelasting van 10,4% is wat de CDA-fractie betreft echt te hoog. Ik wacht nog op de reactie van de minister op eerder gestelde vragen hierover. Vorige week, op donderdagavond, was ik bij een 038-netwerk in Zwolle, een netwerk met veel ondernemers, vastgoedeigenaren en verhuurders. Dit netwerk geeft, net als andere ondernemersnetwerken en investeerders, aan dat de verhoging van het algemeen tarief van de overdrachtsbelasting een negatief effect heeft op de investeringscapaciteit voor woningbouw. In 2024 worden de differentiatie en verhogingen van het algemeen tarief van de overdrachtsbelasting geëvalueerd. Hierbij wordt gekeken naar de effecten van de verhoging van het algemeen tarief van 10,4%. Kan de minister toezeggen dat dit percentage naar beneden gaat via het Belastingplan? En op welk moment kan dat dan? Onze fractie sluit zich op dit punt aan bij de vragen van 50PLUS.

De CDA-fractie wil na een jaar geïnformeerd worden over de eerste werking van de wet en de effecten daarvan, waarbij specifiek wordt gekeken naar de effecten voor verhuurders, met name de kleine verhuurders, vaak kleine zelfstandigen. Kan de minister toezeggen dat hij na een jaar een invoeringstoets gaat doen? Naast de officiële evaluatie over vijf jaar en de invoeringstoets gaat de minister de wet monitoren. Kan hij aangeven op welke onderdelen hij gaat monitoren? Kan hij toezeggen dat beide Kamers elk jaar op de hoogte worden gehouden van de uitkomsten van deze monitoring?

De CDA-fractie noemt in dit kader de effecten op het aanbod en de betaler. Daarbij spelen regionale verschillen een belangrijke rol. In 010 en 020 is het tekort aan middenhuurwoningen groter dan in andere regio's. Kan de minister toezeggen dat de effecten op aanbod en betaalbaarheid, juist bij deze regionale verschillen, in beeld zullen komen? Ook in de Tweede Kamer is daar volgens mij over gesproken. Het 038-ondernemersnetwerk begrijpt overigens de bedoeling van de wet, maar vroeg wel aandacht voor dit aspect. Kan de minister bevestigen dat met een wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte negatieve effecten met betrekking tot de regionale verschillen kunnen worden aangepakt en dat deze wijziging beide Kamers zal passeren via een voorhangprocedure? Dan blijft het WWS wat ons betreft voldoende wendbaar en dat wil de CDA-fractie graag.

De CDA-fractie ziet uit naar de beantwoording van haar vragen door de minister en naar de gevraagde toezeggingen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Dessing van de fractie van de FVD. Nee, sorry, meneer Rietkerk, ik roep u terug, want meneer Van Rooijen was nog een interruptie beloofd.

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Collega Rietkerk heeft destijds bij het wetsvoorstel over het bijna uitsluiten van tijdelijke contracten ook namens 50PLUS gesproken, waarvoor uiteraard nogmaals onze dank. Hij heeft toen ook gesproken over de hospita — hij noemde dat net — en, mede op ons verzoek, ook over de kleine verhuurders. Die wet is toen aangenomen. Kort daarna heeft de minister laten weten dat hij een motie over die hospitaregeling niet kan uitvoeren. Dat brengt mij op de volgende vraag. Als je een wet eenmaal hebt aangenomen, kun je nog zo veel moties indienen, maar dat schiet niet op. Vorig jaar, een jaar geleden, hebben we hier met stoom en kokend water de Pensioenwet aangenomen; dat vindt GroenLinks-PvdA niet zo leuk, heb ik vanmiddag gezien. Die wet moest ook voor 1 juni aangenomen …

De voorzitter:

Meneer Van Rooijen, wilt u wel op het onderwerp focussen?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter, wilt u mij niet onderbreken bij een vraag, alstublieft?

De voorzitter:

Nou, ik onderbreek u om u te vragen om tot een vraag te komen.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Nee, voorzitter, misschien vindt u dat niet leuk, maar ik wijs erop dat als een wet eenmaal is aangenomen, er geen weg terug meer is. Dat gebeurde vorig jaar met stoom en kokend water bij de pensioenwet; iets wat u wellicht ook niet leuk vindt, en dat gebeurt nu dus met deze wet. Ik ben blij dat de heer Rietkerk namens ons gesproken heeft en ook toen heeft gezegd: die wet wordt wel aangenomen, maar we moeten wel iets voor de hospita's en voor de kleine verhuurders doen. Graag een antwoord.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb in mijn bijdrage namens de CDA-fractie de vraag gesteld, omdat ik in de krant wel wat had gelezen over de hospitaregeling, die in juni via een brief hier terug in de Kamer zou komen. Ik heb de minister gevraagd hoe het met de uitvoering van de unaniem aangenomen motie staat. Ik zou eerst even de minister de gelegenheid willen geven om daar antwoord op te geven. Ik ga ervan uit dat deze Eerste Kamer serieus wordt genomen bij het uitvoeren van moties.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Maar u bent het wel met mij eens dat als een wet eenmaal aangenomen is, dat een fait accompli is? Met andere woorden: je kunt nog heel weinig bijsturen, tenzij je met nieuwe wetgeving komt. En zeker wij in de Eerste Kamer kunnen dat alleen met het wel of niet goedkeuren van een nadere wet. Wij kunnen niet amenderen. Dus mijn vraag is of dat in de eindafweging van uw fractie ook meeweegt, gelet op de zorgen die u heeft geuit over de uitvoerbaarheid, de implementatie en dergelijke.

De heer Rietkerk (CDA):

Zeker. Ik heb een paar vragen gesteld over de twee uitvoeringsbesluiten waar de Raad van State positief over geadviseerd heeft. En de uitvoeringsbesluiten passeren ook met een voorhang de Kamers. Dan is het hier de gewoonte, ook in het staatsrecht: als de Eerste Kamer een hele duidelijke motie aanneemt, dan gaat een kabinet daar serieus mee om voordat een besluit of een AMvB wordt gepubliceerd in de Staatscourant. Dat is tot nu toe de situatie. Dat betekent voor onze fractie dat wij ook heel geïnteresseerd zijn in de antwoorden op toezeggingen. We overwegen moties op twee punten — die heb ik u genoemd — omdat dat voor ons aangelegen punten zijn. We wachten de antwoorden van de minister daarop af.

De voorzitter:

Dat doen we allemaal met spanning. Dan gaan we nu het woord geven aan de heer Dessing van de fractie van FVD.