Plenair Dittrich bij behandeling Initiatiefvoorstel-Bergkamp, Özütok en Van den Hul over handicap en seksuele gerichtheid als non-discriminatiegrond



Verslag van de vergadering van 9 februari 2021 (2020/2021 nr. 23)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.58 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. Dank u wel. Vandaag behandelen we het initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Bergkamp van D66, Özütok van GroenLinks en Van den Hul van de Partij van de Arbeid. Allereerst namens de fractie van D66 onze complimenten voor dit initiatief van deze leden, hun medewerkers en hun adviseurs. Er is altijd veel werk en doorzettingsvermogen voor nodig om een initiatiefwetsvoorstel hier op de vloer in de Eerste Kamer te krijgen. Dus van harte gefeliciteerd. Het is ook mooi om te zien dat dit eigenlijk voortbouwt op een eerder initiatief, genomen door verschillende Kamerleden. Ik kan me nu met name Boris van der Ham van D66 in 2010 herinneren, andere Tweede Kamerleden waren daar ook bij betrokken. Het is dus mooi om te zien hoe meerdere politieke generaties dit onderwerp ter harte gaat.

Als ik nu toch bezig ben met complimenten, ook een compliment aan de Partij van de Arbeid voor hun 75-jarig bestaan. Van harte gefeliciteerd.

Voorzitter. Het initiatief van vandaag voegt als gronden voor non-discriminatie aan het rijtje vermeld in artikel 1 van de Grondwet de begrippen "handicap" en "seksuele gerichtheid" toe. Nu denken wij in Nederland vaak dat we vooroplopen als het gaat om onderwerpen als homoseksualiteit. Ik hoorde dat vaak zo'n 25 jaar geleden, toen ik als Tweede Kamerlid voor D66 de openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht bepleitte. Weliswaar heeft Nederland als eerste dat huwelijk opengesteld — op 1 april is dat trouwens precies twintig jaar geleden — maar dat wil natuurlijk helemaal niet zeggen dat we op alle fronten rond dit thema van seksuele oriëntatie en genderidentiteit vooroplopen. Waar het gaat om wat we bereikt hebben qua wetgeving en beleid, staan we in Europa niet eens in de top tien van landen en dat maakt ILGA-Europe elk jaar in zijn onderzoek pijnlijk duidelijk. Als het gaat over seksuele gerichtheid in de Grondwet, waar we het vandaag over hebben, zien we dat landen buiten de Europese Unie ons ook al voor zijn gegaan. Ik noem dan Zuid-Afrika, Nepal, Bolivia, Mexico en Ecuador.

Voorzitter. Als ik me richt op het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, zijn er een aantal aspecten die ik namens D66 naar voren wil brengen. Het allereerste aspect betreft de vraag waarom we al die gronden die nu al in de Grondwet staan, niet gewoon zouden schrappen en in artikel 1 niet een heel kaal artikel zouden hebben van "discriminatie op welke grond dan ook is niet toegestaan"? Ik heb in de stukken gezien dat de SGP die mening is toegedaan blijkens een door hen in de Tweede Kamer ingediend amendement. Naar mijn idee was dat nogal onbesuisd, want daarmee gooi je bijvoorbeeld ook de expliciete bescherming van godsdienst weg. Kennelijk is dat wat de SGP wil, maar bijna de hele Tweede Kamer, ook D66, stemde tegen dat amendement. Wij, van D66, vinden het namelijk juist belangrijk dat de gronden voor non-discriminatie expliciet worden vermeld. De Grondwet is een levend document, woorden doen ertoe, woorden geven houvast, woorden in de tekst van de Grondwet dus ook. De betekenis van de Grondwet neemt daardoor toe. Voor burgers en maatschappelijke organisaties wordt kenbaar wat wel en wat niet mag.

De heer Schalk (SGP):

Ik constateer dat voor het eerst in het 102-jarig bestaan van de SGP ons een onbesuisdheid wordt toegeschreven. Ik vind dat heel bijzonder. Maar ik denk dat daarmee de heer Bisschop, die dat amendement had ingediend, geen recht wordt gedaan. Hij verwees inderdaad naar een soberder artikel, maar dat element van godsdienst hoeft niet per se in artikel 1 omdat artikel 6 van de Grondwet godsdienst voldoende beschermt.

De heer Dittrich (D66):

Maar wat u zegt is dat het voorstel van de SGP was om het wel uit de tekst van artikel 1, het non-discriminatieartikel, te halen. Ik blijf bij mijn standpunt dat ik dat onbesuisd vind vanwege het feit dat het zo belangrijk is dat je kan lezen in artikel 1 op welke gronden je niet mag discrimineren. Als je dan de vrijheid van godsdienst daaruit gaat halen, en alleen verwijst naar artikel 6, ga je als het ware een soort tegenkracht mobiliseren. Dat lijkt mij niet de bedoeling te zijn.

De heer Schalk (SGP):

Nog een poging dan om die onbesuisdheid wat te dempen. Het voorstel van de heer Bisschop was niet om artikel 1, namelijk discriminatie in zijn algemeenheid, uit de Grondwet te halen.

De heer Dittrich (D66):

Nee, maar dat heb ik ook niet gezegd.

De heer Schalk (SGP):

Oké. Laat dat dan duidelijk zijn. Zijn formulering haalde inderdaad die specifieke bewoordingen eruit, maar de anti-discriminatie bleef recht overeind staan.

De heer Dittrich (D66):

Helaas moet ik toch zeggen dat ik dat wel onbesuisd vind omdat als je die specifieke gronden eruit haalt en alleen maar een kale artikel 1-tekst overhoudt "op geen enkele grond is discriminatie mogelijk", mensen in de samenleving dan dus niet meer kunnen zien op welke specifieke gronden het artikel toeziet.

Voorzitter. De volgende vraag is natuurlijk: wat neem je dan wel in de tekst van de Grondwet op? Want de begrippen die erin staan, blijven natuurlijk wel wat je wel noemt containerbegrippen. Bijvoorbeeld als we het hebben over de grond godsdienst die verboden is, staat natuurlijk niet specifiek opgesomd dat dat het christelijk geloof is, of het joodse, of het islamitische geloof. En zo is dat natuurlijk ook bij handicap.

Namens de fractie van D66 wil ik hier nogmaals expliciet aangeven dat ook wij, net als overigens de initiatiefnemers en naar ik begreep ook de regering, vinden dat onder "handicap" tevens verstaan worden chronische en psychische ziekten. Dat is belangrijk, want patiënten die daaraan lijden, worden vaak het slachtoffer van discriminatie. Hun komt dus echt die expliciete bescherming uit de Grondwet toe. Die bescherming is ook verankerd in het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waar het begrip ook breed wordt uitgelegd.

Overigens hoorde ik mevrouw Karimi een hele interessante vraag stellen over het protocol. Ik wil me daar wel bij aansluiten. Ik ben heel benieuwd naar het antwoord van de regering op die vraag.

Voorzitter. Onder de term "seksuele gerichtheid", die overigens in de jurisprudentie van de internationale verdragen en regelgeving "sexual orientation" wordt genoemd, wordt ook vervat biseksualiteit, panseksualiteit, omniseksualiteit, aseksualiteit, queers. D66, wil ik hier maar zeggen, in de Eerste Kamer steunt die brede uitleg. De vraag rijst dan ook wanneer dit soort begrippen in de grondwettekst kunnen worden opgenomen. Daar was al eerder een debat over. Dit soort begrippen worden eerst in de tekst van de Grondwet opgenomen als er sprake is van constitutionele rijpheid, juridische en maatschappelijke noodzakelijkheid, inclusief maatschappelijk draagvlak. En bovendien — dat vind ik toch ook heel belangrijk om hier op te merken — zijn handicap en seksuele gerichtheid heel erg persoonsgebonden. Je kunt er ook helemaal geen afstand van doen zonder dat je je eigen identiteit moet verloochenen.

Voorzitter. Een vierde vraag die de fractie van D66 had aan de initiatiefnemers, maar ook aan de regering, ging over leeftijdsdiscriminatie. De initiatiefnemers hebben die niet in de tekst van hun voorstel opgenomen. De Raad van State heeft daar nog eens een keer apart, op verzoek van de Tweede Kamer, naar gekeken en heeft geconcludeerd dat leeftijd als grond voor non-discriminatie niet in de Grondwet thuishoort. Dan citeer ik de Raad van State: "Leeftijd is geen bij voorbaat verdachte grond, maar veelal een functioneel criterium. De marges van de wetgever om leeftijd als discriminatiecriterium te hanteren zijn ook beduidend ruimer dan waar het de benoemde gronden en de gronden handicap en seksuele gerichtheid betreft."

Bovendien zegt de Raad van State dat de andere gronden ook een heel andere geschiedenis kennen van structurele vervolging, van vergaande juridische tenachterstelling, wat bij leeftijd niet het geval is.

Die redenering volgend, moet ik zeggen dat D66 zich daardoor heeft laten overtuigen. Ik zou wel graag van de regering en van de initiatiefnemers voorbeelden willen horen over die juridische tenachterstelling en structurele gevolgen, dus de geschiedenis die deze maatschappelijke specificatie inkleurt.

De initiatiefnemers hebben overigens onze vragen over discriminatie van transgendermensen in de schriftelijke voorbereiding degelijk beantwoord. Genderidentiteit, genderexpressie, geslachtskenmerken vallen volgens de jurisprudentie al onder de genoemde beschermingsgrond geslacht. Ze behoeven dus niet apart in de grondwettekst te worden opgenomen.

Maar het is natuurlijk wel een feit van algemene bekendheid dat met name transgendermensen nog steeds heel veel discriminatie ontmoeten, blijkt uit onderzoeken van het Fundamental Rights Agency. Het blijkt ook uit onderzoeken van het COC en van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dus wij moeten daar wel heel goed naar kijken. Mijn vraag aan de initiatiefnemers en aan de regering is: wat is er nog meer voor nodig is qua wetgeving en beleid om met name transgendermensen voor discriminatie te behoeden?

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. D66 steunt het initiatiefwetsvoorstel van harte.

De voorzitter:

Maakt u uw betoog af, dan geef ik het woord aan de heer Koole. U bent toch bijna klaar?

De heer Dittrich (D66):

Ja, ik ben bijna klaar.

De voorzitter:

Dan geef ik u graag de gelegenheid.

De heer Dittrich (D66):

Handicap en seksuele gerichtheid in de grondwettekst is natuurlijk een mooie stap vooruit, maar hoe belangrijk ook, we dienen wel te bedenken dat de invulling van de tekst in de Grondwet nog niet betekent dat discriminatie in het dagelijks leven achterwege zal blijven. De ervaringen van mensen met een lichamelijke of geestelijke handicap, de ervaringen van mensen uit de lhbtq-gemeenschap spreken wat dat betreft boekdelen. En daarom moeten we continu alert zijn en zullen we ons ook tegen alle vormen van discriminatie moeten uitspreken. Daarvoor hebben we maatschappelijke organisaties als het COC of Ieder(in), de organisatie van mensen met een lichamelijke handicap, verstandelijke beperking of chronische ziekte, hard nodig om ons erop te wijzen wanneer dit type maatschappelijke problemen zich voordoen. Ik vraag aan de regering en de initiatiefnemers hoe zij dit zien, de wisselwerking tussen maatschappelijke organisaties en de politiek.

En dan helemaal tot slot, meneer de voorzitter, wij zijn als D66 enthousiast over dit wetsvoorstel. We gaan het steunen. Het mooie ervan is dat het een wijziging van de Grondwet betreft. Ik verheug me er nu al op om de initiatiefnemers na de Tweede Kamerverkiezingen van maart hier in de Eerste Kamer terug te zien wanneer we de tweede lezing gaan behandelen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. De heer Koole namens de PvdA.

De heer Koole (PvdA):

Dank aan de heer Dittrich voor de felicitaties richting mijn partij. Mijn vraag aan de heer Dittrich gaat over zijn opmerking over constitutionele rijpheid, waar ik ook iets over gezegd heb. Hij stelt dat in een vraag aan de initiatiefnemer en de regering, maar mijn vraag aan de heer Dittrich is wat hij daar zelf van vindt. Want is dat nou een noodzakelijk criterium en is constitutionele rijpheid — "maatschappelijke acceptatie" wordt het soms ook wel genoemd — absoluut noodzakelijk? Is een Grondwet alleen maar een document dat codificeert maar niet soms ook dat modificeert, in de termen van de staatsrechtgeleerde Koopmans? Juist op het punt van bijvoorbeeld seksuele gerichtheid — de heer Dittrich noemde zelf de transgenders — zou het weleens kunnen zijn dat er met het opnemen van die bepalingen een signaal uitgaat om veranderingen teweeg te brengen in de maatschappelijke acceptatie die een meerderheid in het parlement althans nodig vindt. Dus mijn vraag is: moeten we eigenlijk niet af van dat idee dat iets constitutioneel rijp moet zijn, dat het eigenlijk beperkt moet zijn tot codificatie? Moeten we toch ook niet veel meer de Grondwet zien als een mogelijkheid, weliswaar met zwaardere procedurele vereisten, tot modificatie en signalen afgeven aan de samenleving?

De heer Dittrich (D66):

Wij zien de Grondwet als een levend document. Dus inderdaad geen limitatieve opsomming. Er zijn heel veel groepen in de samenleving die zich gediscrimineerd voelen en je kunt niet meteen alles onder artikel 1 van die grondwetstekst herbergen. Dus er moet een zekere maatschappelijke bewustwording hebben plaatsgevonden, er moeten discussies over zijn geweest en het moet een zekere rijpheid hebben gekregen. Dat vertaalt zich onder andere door de wisselwerking tussen non-gouvernementele organisaties en individuele mensen, tussen Tweede en Eerste Kamer, de regering, noem maar op. Op een gegeven moment kristalliseert iets zich uit en dan moet je natuurlijk kijken of er een meerderheid, zelfs een tweederdemeerderheid — u noemde dat zelf ook in uw bijdrage — in de politiek voor is om te kijken of dat ook daadwerkelijk vormgegeven kan worden in de tekst van artikel 1.

De heer Koole (PvdA):

Begrijp ik het goed dat de heer Dittrich het met mij eens is dat er inderdaad discussie in de samenleving moet zijn, maar dat het niet per se zo hoeft te zijn dat bijvoorbeeld de term "seksuele gerichtheid" in al zijn aspecten binnen de bevolking overal op een meerderheid hoeft te steunen, wil je het opnemen in de Grondwet?

De heer Dittrich (D66):

Nee, het hangt in zekere zin van een aantal dingen af. Als je een hele grote meerderheid in de bevolking overal voor zou moeten hebben, kan dat voor sommige minderheidsgroepen, die juist heel erg gediscrimineerd worden, nogal een groot obstakel zijn. Uiteindelijk vindt parlementaire discussie in de Tweede en Eerste Kamer plaats in twee lezingen, want we hebben het over grondwetswijzigingen. Dan moet er ook een tweederdemeerderheid zijn. Is die er niet, dan kunnen we niks veranderen aan de tekst van de Grondwet, tenzij we natuurlijk de Grondwet op dat punt gaan wijzigen. D66 is daar overigens een voorstander van, maar daar is weer geen tweederdemeerderheid voor.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Koole.

De heer Koole (PvdA):

Ik dank de heer Dittrich voor zijn antwoord en ik begrijp daaruit dat hij behalve het codificerende element ook het modificerende element van de Grondwet accepteert.

De heer Dittrich (D66):

Ik ben geneigd om daar gewoon "ja" op te zeggen.

De voorzitter:

Dat lijkt me een goed idee.

Dan geef ik graag het woord aan de heer Van der Burg namens de fractie van de VVD.