Behandeling Wet handhaving kraakverbod



Verslag van de vergadering van 23 maart 2021 (2020/2021 nr. 31)

Aanvang: 9.31 uur
Status: gecorrigeerd


  • Kijk de video van dit deel van de vergadering terug

Aan de orde is de behandeling van:

  • het Voorstel van wet van de leden Koerhuis en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het wijzigen van de rechterlijke procedure voor de beoordeling van de rechtmatige binnentreding van een woning of lokaal met als doel het verwijderen van personen alsmede voorwerpen die daar worden aangetroffen (Wet handhaving kraakverbod) (35296).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van het initiatiefvoorstel 35296, het Voorstel van wet van de leden Koerhuis en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het wijzigen van de rechterlijke procedure voor de beoordeling van de rechtmatige binnentreding van een woning of lokaal met als doel het verwijderen van personen alsmede voorwerpen die daar worden aangetroffen, kortweg de Wet handhaving kraakverbod.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan mevrouw Veldhoen namens de fractie van GroenLinks.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Wij bespreken vandaag, nog op de valreep voor het wisselen van de Tweede Kamer, een initiatiefwet. Het nemen van een initiatief kost veel tijd en inspanning, en komt bovenop al het andere Kamerwerk. Mijn fractie spreekt waardering uit voor het gebruik van het initiatiefrecht door beide initiatiefnemers. En ik zeg daar meteen achter: waardering daarvoor, hoewel mijn fractie op de inhoud van de wet bijzonder kritisch is. Dat zijn wij, net als de deskundigen die wij onlangs hebben gehoord en die vrijwel unaniem waren in hun kritiek.

Het wetsvoorstel wil de strafrechtelijke ontruiming van gekraakte panden versnellen. De initiatiefnemers menen dat de huidige procedure te lang duurt. In plaats van een kort geding, moet de rechter-commissaris een ontruimingsvordering van de officier van justitie binnen drie dagen toetsen, waarna direct tot ontruiming kan worden overgegaan. De initiatiefnemers hevelen met dit voorstel een civielrechtelijke beslissing over naar het strafrecht. Mijn fractie meent dat zij daarbij onvoldoende oog hebben gehad voor het wettelijk systeem en de verschillen in waarborgen in enerzijds een civiele procedure en anderzijds een strafproces.

Mede als gevolg van de jurisprudentie van het EHRM is de positie van een verdachte of klager in het strafproces met waarborgen omgeven. Dat is niet voor niets. Immers, in het strafrecht staat een grote, machtige overheid, het OM, tegenover een individu, de verdachte. Dat is een heel andere situatie dan die van het kort geding, waarbij de ene burger, de eigenaar van het pand, tegenover de andere burger staat, de kraker. Daarbij is meestal van min of meer "equality of arms" sprake. In het strafrecht is dat niet het geval. In een rechtsstraat wordt die ongelijkheid gecompenseerd door de positie van de verdachte of de klager met waarborgen te omgeven, zoals het recht om het dossier in te kunnen zien, om gehoord te kunnen worden, de zitting bij te kunnen wonen, en het recht op rechtsbijstand door een advocaat. Het voorstel regelt geen van deze elementen en houdt daarom met al deze rechten van de krakers niet voldoende rekening.

Als ik kijk naar de antwoorden van de initiatiefnemers en ook naar de behandeling van het voorstel in de Tweede Kamer, dan lijkt de redenering van de initiatiefnemers: kraken is zó ernstig en een zodanige inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar van het pand, dat een uitgeklede procedure gerechtvaardigd is. Ik lees immers dat initiatiefnemer Van Toorenburg in de Tweede Kamer zegt: "Is die termijn van drie dagen voldoende? Zeker, want ze kunnen ook in één dag een pand binnenwandelen en de boel kraken." Maar dat is toch niet het criterium in een rechtsstaat? Dan zou een winkeldief die in drie minuten zijn slag slaat, ook in drie minuten veroordeeld kunnen worden. Zo werkt het natuurlijk niet. We leven in een rechtsstaat en als er binnen het strafrechtelijk kader een beslissing moet worden genomen door de rechter-commissaris, dan moet de procedure die daartoe leidt deugdelijk zijn. Mijn fractie meent dat een rechterlijke uitspraak alleen dan legitimiteit heeft als de procedure zorgvuldig is geweest. Want wat is de waarde van een uitspraak als een verdachte geen rechtsbijstand heeft gehad of zijn eigen dossier niet heeft kunnen inzien? Mijn fractie meent dat het voorstel onvoldoende rekening houdt met deze waarborgen. Mijn fractie begrijpt ook wel waar het vandaan komt. De initiatiefnemers wensen snelheid aan te brengen, maar het is de vraag of dat in het strafrechtelijke kader mogelijk is. Het is niet voor niets dat de snelrechtprocedure, toch de snelste in zijn soort, op zijn snelst in zeventien dagen plaatsvindt.

De initiatiefnemers willen een inhoudelijke beslissing binnen 72 uur, maar kan dat wel in het strafrecht? De initiatiefnemers zeggen dat ze met die 72 uur aansluiting hebben gezocht bij de 72 uur die worden gehanteerd voor de inverzekeringstelling van een verdachte, de beslissing van de rc. Maar daarbij zien zij een belangrijk element over het hoofd. De procedure rond de inverzekeringstelling is met allerlei waarborgen omgeven. Dat is wettelijk vastgelegd. Zodra iemand wordt vastgezet, wordt een advocaat toegewezen. Er is geregeld dat de advocaat en de verdachte het dossier kunnen inzien. De verdachte wordt voor de rc geleid. Dat is allemaal in het Wetboek van Strafvordering geregeld.

Deze wettelijke waarborgen ontbreken in dit voorstel. De 72 uur is gekopieerd, maar niet het kader daaromheen. Waar een verdachte bij een inverzekeringstelling automatisch een piketadvocaat krijgt toegewezen, moet een kraker binnen die 72 uur op zoek naar een advocaat. Waar de piketadvocaat geautomatiseerd het dossier kan inzien, moet de door de kraker ingeschakelde advocaat achter het dossier aan. Waar een verdachte aan de rc wordt voorgeleid, moet de kraker maar hopen dat de rc hem tijdig bereikt. In dit voorstel is dit alles niet geregeld. Er is een civielrechtelijke toets in het strafrecht gekieperd, zonder daarbij rekening te houden met de waarborgen die gelden voor het strafrecht. Wil je wel rekening houden met die waarborgen, dan is een procedure van 72 uur simpelweg te kort.

De initiatiefnemers menen steun te vinden bij de Raad van State, die zegt dat de termijn van 72 uur op zichzelf niet onredelijk is. Deze zin wordt wat mijn fractie betreft uit zijn context gehaald. De Raad van State begint met het wijzen op een aantal belangrijke waarborgen, zoals ook net door mij genoemd: het recht gehoord te kunnen worden, het dossier te kunnen inzien, het aanwezigheidsrecht en het recht op rechtsbijstand. De Raad van State zegt vervolgens dat hij het niet bij voorbaat onmogelijk acht dat deze waarborgen binnen 72 uur worden gerealiseerd. Maar inmiddels hebben we van de uitvoerders van deze wet, het OM en de rechtspraak, gehoord dat zij het binnen die termijn wél onmogelijk achten, dat het niet binnen die 72 uur kan met inachtneming van de waarborgen. Dan zal het sowieso twee tot drie weken in beslag nemen. De vraag is nu op welke wijze aan die waarborgen wordt voldaan. Wat maakt nu dat de initiatiefnemers menen dat deze waarborgen wel haalbaar zijn binnen die 72 uur? Waar is hun verwachting op gebaseerd? Welke deskundigen hebben zij gesproken die menen dat het wel kan? Of is het meer "het is wat wij willen en dus moet het kunnen", ongeacht wat de praktijk zegt? Dat de regering zegt dat de procedure voldoet aan artikel 13 EVRM, kan mijn fractie niet overtuigen. De regering heeft het over een beginselplicht tot horen en over het desgewenst onder rechtsbijstand horen. Dat zijn geen harde waarborgen. Het is maar zeer de vraag of de hogere rechter het hiermee eens is.

Dan nog een inhoudelijke vraag over de toets door de rc. Diverse partijen hebben gevraagd of een marginale toets door de rc wel volstaat, wil je voldoen aan de eisen van artikel 13 EVRM. De antwoorden daarop van de initiatiefnemers zijn voor mijn fractie ondoorgrondelijk. Zij stellen dat wordt voldaan aan artikel 13 EVRM omdat de toetsing nu ook plaatsvindt in een kort geding en niet in een bodemprocedure. Maar dat is geen antwoord op de vraag. Op een ander moment wordt op de vraag over een marginale toets geantwoord dat de uitspraak niet onherroepelijk hoeft te zijn. Maar dat is evenmin een antwoord op de vraag. Als de initiatiefnemers vervolgens gaan uitleggen wat de marginale toets van de rc inhoudt, zijn we het spoor helemaal bijster. Zij zeggen: de rc zal moeten beoordelen of er voldoende grond is voor een verdenking op grond van artikel 138, 138a of 139 Strafrecht en of er feiten of omstandigheden zijn die maken dat een beroep op een huisrecht van de krakers in de specifieke casus zwaarder weegt dan het handhaven van het kraakverbod. Maar dat is een volle toets. Een marginale toets betekent dat een rechter niet oordeelt over de inhoud van het besluit zelf, maar alleen kijkt of het besluit op de juiste manier tot stand gekomen is. Dus mijn vraag is nogmaals: wat moet de rc nu doen? De initiatiefnemers lijken marginaal toetsen, vol toetsen, de bodemprocedure, de voorlopige voorziening en het al dan niet onherroepelijk zijn van een uitspraak door elkaar te halen. Graag een helder antwoord van de initiatiefnemers.

Ik zal het concreet maken. Op welke wijze moet de rc toetsen: vol of marginaal? Als het antwoord "vol" is, is er dan voldoende tijd voor een volledige belangenafweging? Als het antwoord "marginaal" is, welk besluit moet hij dan toetsen? En is er dan wel sprake van een effective remedy in de zin van artikel 13 van het EVRM? Graag een gedegen inhoudelijk antwoord van de initiatiefnemers en de minister. Kunnen zij daarbij ook het krakersarrest van de Hoge Raad uit 2011 meenemen en in het bijzonder de eisen die daarin worden gesteld ten aanzien van de procedure, met name de eis dat die procedure grondig moet zijn?

Ik sluit af. Het voorstel is gericht op snelheid, maar die versnelling kan alleen als je een aantal fundamentele rechten met voeten treedt. Mijn fractie meent dat je dat niet moet willen. Als je wel rekening houdt met die rechten en de rc ervoor zorgt dat de krakers tijdig worden opgeroepen, zodat zij een advocaat kunnen inschakelen en gehoord worden, dan kom je al snel uit op een procedure die twee of drie weken duurt, zo zeggen alle partijen die de wet moeten uitvoeren. Er treedt dan geen tijdswinst op ten opzichte van de huidige situatie, want ook nu neemt het twee tot drie weken in beslag. Dat hebben we alle deskundigen twee weken geleden heel helder uiteen horen zetten. In dat geval heeft het voorstel geen enkele meerwaarde, terwijl het een aanzienlijke verzwaring van de werklast met zich meebrengt, voor zowel het OM als de rechtspraak. Zij geven aan dat dat maar liefst respectievelijk 230% en 1370% is.

Begrijp mij niet verkeerd. Mijn fractie is natuurlijk ook voor een effectieve handhaving van het strafrecht, maar wel altijd met eerbiediging van de Grondwet en de fundamentele rechten zoals die zijn vervat in het EVRM. Dit voorstel is niet voldoende doordacht en haalt die beide drempels niet. Ik zal mijn fractie dan ook adviseren om tegen te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Veldhoen. Dan is het woord aan mevrouw Bezaan namens de fractie van de PVV.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Bezaan (PVV):

Voorzitter. Vandaag bespreken we het initiatiefvoorstel van de leden Koerhuis en Van Toorenburg, dat voorziet in een wijziging in het Wetboek van Strafvordering waardoor de periode tussen de aankondiging van ontruiming en de daadwerkelijke ontruiming van gekraakte panden wordt verkort. De initiatiefnemers stellen een wettelijke procedure voor waarbij de rechter-commissaris de bevoegdheid krijgt om binnen 72 uur een machtiging te verlenen aan de officier van justitie, waardoor laatstgenoemde vervolgens opsporingsambtenaren kan bevelen om tot ontruiming over te gaan.

Voorzitter. De PVV-fractie weet als geen ander dat er momenteel sprake is van een maatschappijontwrichtende woningnood. Die wordt mede veroorzaakt door de zogenaamde stikstofcrisis en de massa-immigratie, maar dat mag nooit een excuus zijn om illegaal panden te kraken, met alle gevolgen van dien. Kraken is een misdrijf op grond van artikel 138, 138a of 139 van het Wetboek van Strafrecht, maar het lijkt wel alsof dit soms door sommigen wordt vergeten. Door kraken wordt het eigendomsrecht ernstig geschonden en worden pandeigenaren in veel gevallen opgescheept met ongevraagde kosten, die zij nergens kunnen verhalen. Verzekeringsmaatschappijen zetten vaak direct de polis stop, waardoor ook de eventuele schade aan het pand niet meer gedekt is. Kraken gaat vaak hand in hand met vernieling alsmede diefstal en resulteert dikwijls ook in een verloedering van de omgeving, drugshandel en andere activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen. De PVV staat daarom positief tegenover dit initiatiefvoorstel, aangezien het verkorten van de wettelijke procedure de schade voor de pandeigenaren waarschijnlijk beperkt en er een preventieve werking van het wetsvoorstel uit kan gaan waardoor wooncarrouselpraktijken worden afgeremd.

Voorzitter. Zoals zojuist geschetst, is het kraken van panden een serieus maatschappelijk probleem, en helaas zijn er ook de laatste tijd weer de nodige voorbeelden te noemen van kraakactiviteiten. Zo valt op de website indymedia.nl te lezen dat er recent weer kraakactiviteiten gaande waren in Amsterdam en in Rotterdam. Maar ook verder van huis, in Berlijn, hoofdstad van Duitsland, zijn er op dit moment acties gaande rondom het pand Rigaer94, dat door links-extremisten is gekraakt. Wat heeft deze zaak te maken met kraakactiviteiten in ons land? Welnu, krakersnetwerken zijn nogal eens internationaal georganiseerd, waardoor de kans aanwezig is dat wanneer dit grootschalige pand in Berlijn ontruimd wordt, de kraakactivisten hun heil in Nederland gaan zoeken, bijvoorbeeld in Amsterdam. Daarom is dit initiatiefwetsvoorstel ook van toegevoegde waarde.

Voorzitter. U heeft er al aan gerefereerd: op 9 maart was er een deskundigenbijeenkomst over dit onderwerp. Mevrouw Van Aert, officier van justitie bij het OM in Amsterdam, liet daarbij optekenen dat de opsporingscapaciteit bij het OM, de politie en de rechtspraak op dit moment schaars is en dat daardoor keuzes dienen te worden gemaakt. Een vergelijkbaar geluid was afkomstig van de heer Van der Poel, algemeen directeur van VLB Nederland. Hij gaf aan dat handhaving in de praktijk een kwestie is van capaciteit en prioriteit, zelfs als wetgeving wordt geoptimaliseerd. Een zorgelijke zaak, niet alleen met betrekking tot de aanpak van kraakactiviteiten, maar ook ten aanzien van criminaliteitsbestrijding in het algemeen.

Voorzitter. De kerntaak van de Eerste Kamer is het toetsen van kwaliteit van wetgeving op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. In de praktijk blijken de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid nogal eens een struikelblok te zijn. In veel gevallen komt dat door een te hoge werklast en/of een capaciteitstekort bij de politie, het OM en de rechtspraak. In de brief van de minister van 18 maart jongstleden staat dat een nadere onderbouwing van de werklast en de gevolgen voor andere rechtszaken voor nu en vooruitlopend op de evaluatie lastig te geven is. De PVV betreurt dit en gaat er ook van uit dat dit een prominente plaats krijgt in de evaluatie, net als de andere mogelijke ongewenste neveneffecten die tijdens voornoemde deskundigenbijeenkomst werden benoemd.

Onze fractie steunt dan ook de aanbeveling om de evaluatie van het wetsvoorstel te vervroegen. Een vervroegde evaluatie staat nu na drie jaar op het programma, maar aangezien de aard van de mogelijke negatieve effecten zou dat wat de PVV betreft ook eerder mogen, bijvoorbeeld na één of twee jaar. Staan de initiatiefnemers daarvoor open?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bezaan. De heer Nicolaï namens de Partij voor de Dieren heeft nog een interruptie voor u, mevrouw Bezaan, dus als u nog even wilt blijven staan, geef ik het woord aan de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Uw fractie had ook al in de vragen aandacht gevraagd voor de capaciteitsproblemen. U komt daar nu op terug. U heeft het gehad over uitvoerbaarheid. U zegt dat uw fractie voor deze wet gaat stemmen. Maar stel dat onomstreden blijkt dat het OM zegt van 30% naar 100% werkzaamheden te gaan en ook anderen zeggen dat er veel meer werk gaat komen dan zonder dit voorstel. Uit de brief van de minister blijkt niet dat er extra capaciteit komt. Hoe staat uw fractie er dan tegenover om voor een wet te gaan stemmen — u gaat die straks evalueren — terwijl op voorhand al vaststaat dat er geen extra capaciteit komt en de uitvoerbaarheid dus spaak loopt?

Mevrouw Bezaan (PVV):

Het is wat ons betreft heel simpel. Op meerdere vlakken blijkt er inderdaad een capaciteitsprobleem te zijn. Misschien zegt deze minister wel dat er geen extra capaciteit komt, maar dat is iets waar wij sowieso voor strijden. Wij willen dat er meer blauw komt en dat de capaciteit bij het OM wordt uitgebreid. Op het moment dat wij die strijd zouden opgeven, kan ik net zo goed naar huis gaan.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat was mijn vraag niet. De vraag is als volgt. Als niet vaststaat dat er meer capaciteit komt — u strijdt daarvoor, maar er is geen toezegging van de zijde van de minister en er is ook niet voorzien in het voorstel van de initiatiefnemers dat er meer capaciteit komt — dan loopt de uitvoering spaak. Dat kunt u toch niet ontkennen? Graag een reactie daarop.

Mevrouw Bezaan (PVV):

Voor zover ik begrepen heb — ik moet het er even bij pakken — zijn er vier mogelijkheden waarmee deze procedure zijn gang kan krijgen, verdwijnt het kortgeding via de voorzieningenrechter en komt er daardoor een nieuwe spoedprocedure. Die andere drie poten — zo noem ik ze maar eventjes — blijven dus gewoon staan. Ik moet dus eerlijk zeggen dat ik uw probleem niet zo zie.

De voorzitter:

De heer Nicolaï, derde.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik heb niet zo'n probleem; ik denk dat uw fractie een probleem heeft, want u zegt dat er meer capaciteit hoort te komen. Die is er niet en die komt er niet, maar tenzij u mij kan aantonen dat het niet vaststaat, staat vast dat er veel meer werk voor het OM gaat komen. Dan hebben we toch een uitvoeringsprobleem?

De voorzitter:

Mevrouw Bezaan, tot slot.

Mevrouw Bezaan (PVV):

Ik heb begrepen uit de stukken — ik weet het niet uit mijn hoofd en ik heb het hier niet paraat — dat er ongeveer 30 extra zaken waren die dan meer tijd zouden kosten. Misschien bagatelliseer ik — dat zou heel goed kunnen — maar ik moet eerlijk zeggen dat ik dat nog wel vind meevallen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bezaan. Dan is het woord aan de heer Janssen namens de fractie van de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen (SP):

Voorzitter, dank. Ik wil beginnen met het complimenteren van de indieners. Een initiatiefvoorstel is geen sinecure en vraagt veel van indieners en medewerkers. Het is dus goed dat u dit gedaan heeft.

De aanleiding om een initiatiefvoorstel te schrijven, is wisselend. Ik citeer uit een artikel van het dagblad Trouw van 11 maart jongstleden: "Kamerleden hebben daarbij een voorkeur voor actuele, maatschappelijk relevante onderwerpen, soms gedreven door een persoonlijke ervaring of emotie. CDA-Kamerlid Madeleine van Toorenburg begon 'uit pure ergernis' over de kraakacties van de activisten van actiegroep We Are Here in 2018 aan een wetsvoorstel voor handhaving voor het kraakverbod, samen met VVD'er Daniël Koerhuis. 'Ik vond dat het inbrekers waren, en ik was nijdig dat minister Ollongren van Binnenlandse Zaken het probleem telkens wegspeelde'." Mijn eerste vraag aan de initiatiefnemers is dan ook hoe het gesteld is met de pure ergernis en de nijd richting de minister van Binnenlandse Zaken, nu de aanpak door overheid, politie en OM de afgelopen jaren toch drastisch gewijzigd is ten opzichte van de situatie toen de ergernis ontstond.

Voorzitter. De deskundigenbijeenkomst die deze Kamer op 9 maart jongstleden hield, heeft de bij de SP levende twijfel over dit initiatiefvoorstel nog eens bevestigd. De schriftelijke beantwoording door de initiatiefnemers en het kabinet heeft die twijfel nog niet weg kunnen nemen. Het initiatiefvoorstel beoogt via het strafrecht versneld tot ontruimingen te komen van gekraakte panden met behoud van vereiste minimumwaarborgen. Daar knelt de schoen nou net. In het initiatiefvoorstel wordt voorgesteld de civielrechtelijke toetsing die nu nog door de voorzieningenrechter wordt verricht, te laten verrichten door de rechter-commissaris in een machtigingsprocedure die maximaal 72 uur in beslag neemt in het strafrecht. Dat is de kern van het nu voorliggende initiatiefvoorstel. Maar alle signalen die ons vanuit de praktijk bereiken over de uitvoerbaarheid — een belangrijk toetsingscriterium voor deze Kamer — van wat dit initiatiefvoorstel beoogt, zijn ronduit negatief. Het Openbaar Ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de advocatuur en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zeggen allemaal: doe dit nou niet, want dit gaat in de praktijk niet werken. De VNG zegt dat het zal leiden tot minder doelmatigheid, meer werklast bij de politie, het OM en de rechterlijke macht en minder mogelijkheden tot maatwerk. De handhaving wordt niet verbeterd en gaat ten koste van handhavingscapaciteit op andere thema's, aldus de VNG.

De indieners zeggen in hun beantwoording dat ze dat anders zien. Het kabinet zegt zich geen oordeel te kunnen vormen en heeft daarom voor de zekerheid aangedrongen op een versnelde evaluatie na drie jaar. Het kabinet wil niet reageren op de negatieve adviezen en zegt, vrij vertaald: vraag dat maar aan de indieners. Bij dezen dus. Waarom volharden de indieners in hun eigen gelijk, nu vanuit de praktijk wordt aangegeven dat het om verschillende redenen niet gaat werken, zoals ze met dit initiatiefvoorstel beogen? Als de mensen die het moeten uitvoeren zeggen dat het niet zo zal kunnen gaan als de indieners het willen, dan moet dat toch te denken geven? Het Openbaar Ministerie geeft aan dat dit initiatiefvoorstel zal leiden tot een enorme toename van de administratieve lasten voor het OM. Voor alle zaken, anders dan in de praktijk, moet een dossier worden aangelegd. Uit de schriftelijke beantwoording lijkt het alsof de indieners denken dat hierbij kan worden volstaan met een minimaal dossier dat kan dienen voor de marginale toets, maar het gaat hier over strafrecht waar echt andere waarborgen voor gelden. Strafrecht vraagt per definitie zorgvuldigheid en de eisen in het strafprocesrecht zijn hoog. Het OM merkte bij de deskundigenbijeenkomst terecht op dat de rechter-commissaris stevige eisen zal stellen aan het dossier. Een aantal inlegvellen zal daarbij niet volstaan. Ik weet dat de politieke partijen van de indieners normaal gesproken scherp zijn op administratieve lasten, maar dit initiatiefvoorstel zal leiden tot een enorme toename van de administratieve lasten, niet alleen voor de politie maar ook voor het OM en voor de rechtbank. En nu maakt het OM alleen maar dossiers als er een kort geding is ingesteld, wat maar in 30% van de zaken is. Ik verwees er al naar dat die aanpak de afgelopen jaren, sinds de ergernis ontstond, aanzienlijk is veranderd, maar straks moet dat voor 100%. Dat zijn allemaal zaken waar straks ook een rechter over zal moeten oordelen. Dat betekent dus ook een flinke toename van rechterlijke beslissingen. Het Openbaar Ministerie rekende ons dit voor bij de deskundigenbijeenkomst. Ik wil graag een reactie van de initiatiefnemers op deze enorme toename van de administratieve lasten die het gevolg zal zijn van dit voorstel.

Vanuit de Raad voor de rechtspraak is na consultatie van de gerechten een uitzonderlijk, zeer negatief wetgevingsadvies geschreven met de conclusie om af te zien van het wetsvoorstel. Dat is een advies dat de raad zelden geeft, zo hoorden we als toelichting tijdens de deskundigenbijeenkomst. De kern van de kritiek van de raad is dat er grote vraagtekens gezet worden bij het nut, de noodzaak en de haalbaarheid van dit voorstel. En dat is stevige kritiek van de raad. Ik moet zeggen dat ik die kritiek goed kan volgen. Het zal de rechter-commissaris in de praktijk niet lukken om binnen drie dagen een beslissing te nemen zoals dit initiatiefvoorstel wil regelen, gelet op de eisen die het strafprocesrecht stelt. Het Openbaar Ministerie moet de vorderingen voorbereiden en het dossier moet worden samengesteld. Ook krakers zullen moeten worden opgeroepen en gehoord en de rechtsbijstand moet ook mogelijk zijn. De rechter-commissaris moet een beslissing nemen die ook zorgvuldig op papier gezet moet worden en die beoordeling kan niet marginaal zijn omdat het ook om het huisrecht gaat. De Hoge Raad oordeelde in 2011 al dat een ontruiming onomkeerbare gevolgen heeft voor de kraker. De Raad voor de rechtspraak wees ons daar nog eens terecht op. Dat betekent dat de rechter-commissaris vol zal moeten toetsen. Op dat punt sluit ik mij ook aan bij de vragen die collega Veldhoen hierover gesteld heeft, omdat het lijkt alsof juridisch marginaal en spreektaal-marginaal hier door elkaar lopen.

De afweging tussen het eigendomsrecht van de eigenaar en het huisrecht van de kraker zal moeten voldoen aan de eisen van artikel 13 EVRM. De voorkeursuitkomst van de indieners is mij wel duidelijk, maar het is uiteindelijk toch echt in een zorgvuldige procedure aan de rechter-commissaris om daar in een volle toets over te oordelen. Het is voor mij niet voorstelbaar dat een zorgvuldige afweging in het kader van artikel 13 EVRM binnen 72 uur zal kunnen gebeuren. Ook de Raad van State heeft met nadruk op dit punt gewezen. Aan een "effective remedy" zijn nu eenmaal allerlei procedurele vereisten verbonden, maar daarvoor biedt dit initiatiefvoorstel in de praktijk straks niet de ruimte.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Uit het initiatiefvoorstel, de toelichting daarop, de behandeling in de Tweede Kamer en de beantwoording van de schriftelijke vragen is de bedoeling van de indieners zeker duidelijk geworden: ontruimingen moeten sneller. Maar alle seinen uit de praktijk worden op rood gezet. De mensen uit de praktijk zeggen: het wordt langzamer, duurder, complexer en onzekerder. Dat kan niet de bedoeling van dit initiatiefvoorstel zijn. In hun reactie op het advies van de Raad van State zeggen de indieners dat het van belang is dat dit voorstel wordt aangenomen om het kraakverbod effectief te handhaven. Maar dat is nu precies volgens de praktijk waar dit voorstel niet toe leidt. Het kabinet zegt dat ze dit niet vooraf kunnen beoordelen. En dat begrijp ik dan weer niet. Als alle partners in de keten hetzelfde negatieve signaal afgeven, dan moet er toch ook bij het kabinet een lampje gaan branden. Ik wil de minister daarom vragen nu wel te reageren op de signalen van het OM, de Raad voor de rechtspraak, de advocatuur en de VNG. Het kabinet heeft ook een eigen verantwoordelijkheid en kan zich niet verschuilen achter de indieners. Hoe kan het kabinet tot een positief oordeel over dit initiatiefvoorstel komen, gehoord alle signalen en bezwaren uit de praktijk?

Voorzitter. Aan de indieners wil ik vragen of de praktijk inmiddels de pure ergernis en nijd niet achterhaald heeft. De aanpak is immers grondig aangepast; ik wees daar net al op. Ik kijk natuurlijk uit naar de beantwoording van de vragen, maar ik wil de indieners toch voorhouden dat niemand, en zeker niet de eigenaren van gekraakte panden, erbij gebaat is als het in de praktijk langzamer, duurder, complexer en onzekerder wordt. Als dat nu al voorspelbaar is, dan zou dat toch ook bij de indieners tot een moment van heroverweging moeten leiden, hoe — om het interview in Trouw nog eens aan te halen — prestigieus in positieve zin het op je naam schrijven van de initiatiefwet ook is.

Dank u wel.

De heer Arbouw (VVD):

Over de administratieve last ging het in het debat met mevrouw Bezaan ook even. De VVD-fractie heeft daar ook vragen over. Ik heb het nog even opgezocht. Op basis van cijfers van het OM zelf zou deze nieuwe werkwijze in 2019 leiden tot 22 extra zittingen over het hele jaar en in 2018 tot 33 extra zittingen. Hoe schat u die extra last nou in?

De heer Janssen (SP):

De extra lasten werden door het OM met name geschetst in de deskundigenbijeenkomst. De werkwijze die de ergernis opriep, is intussen grondig gewijzigd; dat heeft het OM ook gezegd. Het OM heeft samen met de driehoek in het Amsterdamse voorbeeld een andere werkwijze gekozen om wel effectief op te treden, waardoor er nog maar in 30% van de zaken sprake is van een kort geding. Maar straks moet in 100% van de zaken eerst een dossier aangelegd worden. Als we dan kijken naar de zorgvuldigheid die de rechter-commissaris daarbij zal moeten betrachten, zal dat een enorme extra werklast opleveren, niet alleen voor de zaken die werkelijk op zitting komen. In alle zaken zal dan een dossier moeten worden gemaakt.

De heer Arbouw (VVD):

De aantallen die ik net noemde, vormen die 100% die erbovenop komt. Als je kijkt naar het verschil tussen de oude en de nieuwe situatie, dan gaat het dus eigenlijk over tientallen gevallen. Ik ben het met u eens — dat is ook door het OM aangegeven — dat we wel een goed dossier moeten hebben. Dan is even de vraag hoeveel tijd dat kost. Maar het aantal gevallen is dus eigenlijk beperkt. Daarom stel ik nog een keer de vraag hoe u die last dan inschat.

De heer Janssen (SP):

Ik schat nog steeds in dat, als dit leidt tot een toename van administratieve lasten — hoeveel zaken dat in de toekomst ook zullen zijn omdat er hogere eisen gaan worden gesteld aan de dossiers en zelfs als dat in tientallen zaken het geval zou zijn — dat betekent dat er in tientallen zaken extra capaciteit van het OM achter het bureau gezet wordt in plaats van dat die mensen daadwerkelijk aan de opsporing kunnen deelnemen.

De heer Arbouw (VVD):

Uiteindelijk is dan de verwachting van de initiatiefnemers dat, doordat je de druk er nu op zet als preventieve werking, er dus uiteindelijk minder gekraakt gaat worden en er dus minder zaken komen. Dus dan zou dat aantal nog naar beneden gaan. Dan is dus de vraag hoe u die extra belasting weegt. Is dan even die investering aan de voorkant het niet waard?

De heer Janssen (SP):

Ik gun iedereen zijn eigen werkelijkheid, maar ik luister dan vooral naar de mensen uit de praktijk. Ik doel niet op de Haagse werkelijkheid maar op de werkelijkheid zoals die ons in de deskundigenbijeenkomst werd aangereikt. Die geeft een beeld dat voor mij voldoende reden is om te twijfelen aan dit wetsvoorstel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Janssen. Dan is het woord aan de heer Recourt namens de Partij van de Arbeid.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Recourt (PvdA):

Dank, voorzitter. Ik ontwaar een soort wetmatigheid inmiddels. Hoe groter de complimenten aan de initiatiefnemers voor het nemen van hun initiatief, hoe harder de kritiek later in de bijdragen. Ook ik begin met een compliment; dat mag niet verrassen. Dus een woord van dank aan de initiatiefnemers en de medewerkers voor de snelle beantwoording van de vragen. Daarnaast mijn waardering voor het gebruikmaken van het recht van initiatief. Dat vergt energie, moed en doorzettingsvermogen en niet in de laatste plaats inhoudelijke verdieping en kennis. Ik hoop dat de nieuwe Tweede Kamer zich onder meer door deze wet laat inspireren om de inhoudelijke kant van het Kamerlidmaatschap goed te blijven vormgeven. Over de antwoorden van de vragen aan de regering is mijn fractie niet tevreden. Die zijn onder de maat. Van een soort omgekeerd dualisme bij initiatiefwetten — een regering die initiatiefwetten welwillend maar ook kritisch als medewetgever bekijkt — lijkt hier niet zonder meer sprake, nu de minister nauwelijks beargumenteerd wegdraait van het kraakheldere advies van OM en ZM om deze wet niet aan te nemen.

Het debat over kraken wordt vaak via ideologische lijnen gevoerd: woningnood tegenover eigendomsrecht, links tegenover rechts. Hoewel de huidige woningnood een van de meest urgente maatschappelijke problemen is, zal ik vandaag niet dat ideologische verschil met de initiatiefnemers opzoeken maar juist die andere, wellicht voor de Eerste Kamer belangrijkere, inhoudelijke kant van het wetvoorstel bevragen. Hoe zit het met de kwaliteit, de doelmatigheid en de uitvoerbaarheid van de wet? Ook in de schriftelijke vragenronde kreeg met name dit onderdeel veel aandacht. Mijn fractie heeft juist op dit punt grote zorgen. De kern van het wetsvoorstel is om de ontruimingstoets door de rechter vooraf uit het civiele recht te halen en onder te brengen in het strafrecht, met als doel tijdswinst. De rechter-commissaris in strafzaken zal volgens de initiatiefnemers binnen drie dagen een beslissing tot ontruiming kunnen geven. Dit zou mogelijk moeten zijn omdat de rc slechts een marginale toets hoeft aan te leggen en er voor die toets maar een beperkt aantal gegevens nodig is, vergelijkbaar met het geven van toestemming voor een telefoontap of huiszoeking.

De vraag is of dit klopt; andere sprekers hebben hier ook aan gerefereerd. Het wordt in de eerste plaats betwist door de vertegenwoordigers van de rechtspraak en het Openbaar Ministerie, maar laten we zelf ook eens kijken wat er feitelijk achter die marginale dan wel volle toets door de voorzieningenrechter schuilt. Daarvoor heb ik een uitspraak opgezocht van de voorzieningenrechter Amsterdam van 1 april 2019. Ik citeer: "In gevolge artikel 8, lid 1, EVRM komt krakers een huisrecht toe op grond waarvan zij voorgenomen besluit tot ontruiming in kort geding ter toetsing kunnen voorleggen. (…) Het in artikel 8.2 EVRM besloten proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de voorzieningenrechter heeft te toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker in concrete omstandigheden van het geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan." In dit geval viel die proportionaliteitstoets in het voordeel van de krakers uit, omdat het pand al vele jaren leegstond, ook nog na een eerdere ontruiming, en aan het woord van de eigenaar dat het pand nu echt verhuurd zou gaan worden, door de rechter geen geloof werd gehecht, mede omdat op de meest basale vragen aan de eigenaar geen antwoord gegeven kon worden.

Voor deze belangenafweging moet de rechter dus niet alleen de basale feiten gepresenteerd krijgen door de politie of de officier van justitie, maar deze feiten ook kunnen bevragen en toetsen bij de betrokken partijen, de eigenaar inbegrepen. Hij, maar vaker nog zij, moet die afweging bovendien goed motiveren. Hoe gaat de rechter-commissaris dit doen in drie dagen? Partijen moeten worden opgeroepen en moeten in staat zijn producties aan te leveren voorafgaand aan hun gehoor. De toets door de rechter-commissaris lijkt daarmee in het geheel niet vergelijkbaar met die van de telefoontap of huiszoeking, maar vraagt om een actief en dus tijdrovend onderzoek van de rc. Je kunt de bordjes wel verhangen van de voorzieningenrechter naar de rc, maar als je de toets zelf niet wezenlijk verandert, levert dit geen tijdswinst op. Verander je de toets wel fundamenteel — zo begrijp ik de initiatiefnemers overigens niet — dan is die in strijd met het EVRM en kan alsnog de voorzieningenrechter als rechter worden benaderd.

Voorzitter. Met de rechter en officier van justitie vrees ik daarom dat de beoogde tijdswinst bestaat uit wensdenken. Kunnen de initiatiefnemers, maar zeker ook de minister, dit bevestigen dan wel uitleggen waar mijn redenering volgens hen mank gaat?

Voorzitter. De proportionaliteitstoets is nieuw voor de rc. Het argument van de initiatiefnemers dat kraken strafbaar is en dat daarom de afweging van het huisrecht tegen de andere rechten logischerwijs in het strafrecht thuishoort, gaat niet op. Deze toets wordt van oudsher door de voorzieningenrechter gedaan en past daar procedureel en inhoudelijk ook goed, maar je kunt het desondanks natuurlijk wel zo regelen dat de rc dit in het vervolg gaat doen. Maar hoe wenselijk is dit? Het strafrecht is chronisch overbelast. Vele zeer ernstige zaken blijven door capaciteitsgebrek in de kast. Het strafrecht kent bovendien een door vele waarborgen gekenmerkte procedure; denk aan de vereisten aan oproeping of het zwijgrecht. Ook hier verwijs ik weer naar de deskundigen, die vrezen dat de hele strafrechtsketen van politie tot rechter substantieel zwaarder belast zou worden. Daar komt nog bij dat niet de huidige 30% van ontruimingen na 48 uur vooraf door de rechter worden getoetst, maar 100%. Dat is wellicht fijn voor de krakers, maar niet erg efficiënt. Mijn fractie vraagt de minister of hij de keuze om de civiele rechter te ruilen voor de strafrechter en hiermee de strafrechtketen nog zwaarder te belasten, een juiste vindt.

Voorzitter. De toets voor de rc is besloten. Kan de minister toezeggen dat hij zich in zijn overleg met de rechtspraak ervoor zou beijveren dat beslissingen van de rc op dit punt zo spoedig mogelijk zullen worden gepubliceerd op rechtspraak.nl, omwille van de openbaarheid en de toetsbaarheid?

Ik laat het bij deze voor mijn fractie belangrijke punten. De conclusie is dat een zorgvuldige toets tijd kost, welke rechter die ook uitvoert. Wederom van de deskundigen hebben we begrepen dat in 2019 het beleid zo is aangepast dat juist die tijdwinst al is geboekt binnen de huidige procedure en dat als gevolg hiervan niet langer sprake is van een kraakcarrousel. Wellicht is dit gebeurd onder de dreiging van deze initiatiefwet. Dan is dát het succes van het initiatief. Daadwerkelijk invoeren van de wet lijkt inmiddels echter precies het tegenovergestelde te bereiken dan wordt beoogd, namelijk geen tijdwinst en een zwaarder belaste strafrechtketen, die niet goed is toegerust op deze toets. Laten we hem daarom niet inzetten.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Recourt. Dan is het woord aan de heer Dittrich namens de fractie van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst spreek ik namens de fractie van D66 mijn waardering uit aan beide Kamerleden — Koerhuis, VVD en Van Toorenburg, CDA — voor het feit dat ze een initiatiefwetsvoorstel hebben ingediend. Het is door de Tweede Kamer aangenomen en nu verdedigen zij het in de Senaat. Dat vergt vasthoudendheid. Het zal, denk ik, tevens de laatste keer zijn dat we mevrouw Van Toorenburg in haar hoedanigheid van Tweede Kamerlid in ons midden hebben. Ik ken haar als een zeer gedreven Kamerlid.

Dan nu het wetsvoorstel. Het heeft tot doel — en dan citeer ik — "om kraken als crimineel woonmodel te bestrijden door het versnellen van de handhaving van het kraakverbod". In hun voorstel moeten kraakzaken door de officier van justitie bij de rechter-commissaris in strafzaken worden aangebracht. De rechter-commissaris beslist binnen drie dagen. Hoger beroep van de krakers tegen een ontruimingsbeslissing heeft geen schorsende werking en de rol van de eigenaar is beperkt tot het doen van aangifte. Voor de rest moet de overheid via het Openbaar Ministerie, de politie en het gemeentebestuur handelend optreden.

Het is al eerder door anderen gememoreerd: het wetsvoorstel is opgesteld nadat er in Amsterdam nogal wat gebouwen werden gekraakt, ontruimd, waarna dezelfde kraakgroep, We Are Here, een volgend gebouw kraakte. Sommigen noemen dit een kraakcarrousel. Op zichzelf is ergernis na het kraken van een pand wel begrijpelijk, want de krakers nemen bezit van een pand dat niet van hen is, ze maken inbreuk op het eigendomsrecht en na ontruiming blijkt vaak dat het pand is toegetakeld en dat de eigenaar vaak met de schade blijft zitten, want de krakers bieden veelal geen verhaal. Maar deze begrijpelijke ergernis wordt wat mij betreft wat minder naarmate een gebouw langer leegstaat zonder dat het snel zal worden benut door of namens de eigenaar.

Maar goed, enige jaren geleden is kraken een misdrijf geworden en in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Het wetsvoorstel beoogt versnelling in de behandeling van een kraakzaak aan te brengen om de eigenaar beter te beschermen. Maar, voorzitter, het is de taak van de Eerste Kamer om wetsvoorstellen te doorgronden en te kijken of ze voldoen aan maatstaven van rechtsstatelijkheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Dan wil ik graag de commissie-Van Dam in herinnering roepen, die de toeslagenaffaire namens de Tweede Kamer heeft onderzocht. Die commissie heeft gesignaleerd dat wetgeving die voortkomt uit emoties, het risico loopt niet aan al die kwaliteitsstandaarden te voldoen. De heer Janssen heeft al aangegeven dat uit het interview in Trouw blijkt dat ergernis eigenlijk een grondslag was om dit wetsvoorstel te gaan schrijven. Ik ben bang dat ergernis geen goede grondslag is voor het indienen van een wetsvoorstel.

Voor D66 is relevant dat het stadsbestuur van Amsterdam en het Openbaar Ministerie, na de kraakacties van die groep We Are Here, de handhaving van het kraakverbod hebben aangescherpt. Met de rechtbank zijn werkafspraken gemaakt en het stadsbestuur, het Openbaar Ministerie, de advocatuur zijn daarover tevreden. Het aantal kraakacties is enorm teruggelopen, met maar liefst 80% in 2019. Spoedontruimingen door het Openbaar Ministerie zijn nu in het huidige systeem mogelijk, maar in het voorgestelde systeem van de initiatiefnemers vervallen die. In plaats daarvan komt de procedure bij de rechter-commissaris. Mijn eerste vraag aan de initiatiefnemers is: waarom is dit wetsvoorstel nog nodig? Welk probleem is er nog dat via deze weg opgelost moet worden?

Het wetsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan de Raad van State, maar ook aan de Raad voor rechtspraak, het OM, de VNG, de Nederlandse orde van advocaten. Al die adviesorganen, tevens ketenpartners, reageren negatief en adviseren de Eerste Kamer om het wetsvoorstel af te wijzen. Daarom heeft de Eerste Kamer op 9 maart een deskundigenbijeenkomst georganiseerd. Het was opvallend dat geen van de deskundigen het wetsvoorstel zoals dat juridisch is vormgegeven, heeft gesteund. Sterker nog, de vertegenwoordigers van het OM, de advocatuur, de rechters dringen er bij de Eerste Kamer op aan het wetsvoorstel af te wijzen. De voorzitter van het landelijk overleg van strafrechters zei er zelfs bij: "Een dergelijk negatief advies geeft de raad zelden."

De deskundigen ontkennen de tijdswinst. Zij stellen dat het wetsvoorstel moeilijk uitvoerbaar is voor de rechter-commissaris én de officier van justitie, dat het extra menskracht kost, dat het op gespannen voet staat met het beginsel van een eerlijke en effectieve procesvoering zoals bedoeld in artikel 13 EVRM, en ten koste zal gaan van de opsporing en behandeling van andere misdrijven. Dit zijn overwegingen die niet, of in geringere mate bij de huidige rechtspraktijk spelen.

De heer Arbouw (VVD):

De vraag die de heer Dittrich stelt aan de initiatiefnemers is: wat voor zin heeft dit wetsvoorstel nog, nu er toch afspraken gemaakt zijn in Amsterdam? Ik wil de heer Dittrich er toch wel even op wijzen dat Nederland iets groter is dan Amsterdam. Er zijn inmiddels op internet allerlei pagina's te vinden met lijsten waarop allerlei voorvallen staan van panden die gekraakt worden. Als ik daarnaar kijk, zie ik dat redelijk recentelijk, in het jaar 2020, ggz-instellingen hier last van hebben, woningbouwcorporaties hier last van hebben. Een pand wordt gekraakt en verdere ontwikkelingen worden in feite gewoon geblokkeerd. En er wordt een hoop schade toegebracht voor dit soort instellingen. Vindt u dat acceptabel? Of zegt u: nou, het gaat mij uiteindelijk om die termijn van twee, drie weken, en als die elders in het land ook overgenomen zou worden, dan is dat wel redelijk?

De heer Dittrich (D66):

Uit de statistieken blijkt dat het merendeel van de kraakacties in Amsterdam plaatsvindt. Amsterdam heeft daar maatregelen voor genomen. Er zijn natuurlijk ook krakers in andere delen van Nederland, zelfs buiten de Randstad, maar daar weet het Openbaar Ministerie met de politie en het gemeentebestuur op een adequate manier op te treden. Daarom is ook in de hele schriftelijke voorbereiding met name de situatie in Amsterdam steeds als argument aangevoerd voor of tegen dit wetsvoorstel.

De heer Arbouw (VVD):

Ik verzet me een beetje tegen dat beeld, omdat het duidelijk is dat er ook in andere steden wel degelijk een probleem is, onder andere in Utrecht, in Tilburg, in Eindhoven. Ik noem maar even een paar plaatsen die hier toch echt ook wel last van hebben. Vindt de heer Dittrich dat daar dan ook dit soort afspraken gemaakt moet worden? Vindt hij dat zo'n verkorte tijd van drie dagen eigenlijk wel wenselijk is om ervoor te zorgen dat een corporatie, een ggz-instelling gewoon weer snel handelingsvrijheid heeft over het eigen bezit, en dat ook de schade voor dat soort instellingen beperkt wordt?

De heer Dittrich (D66):

Wij bespreken hier een wetsvoorstel. Ik heb net gezegd: als Eerste Kamerlid moet je kijken of een wetsvoorstel goed in elkaar zit. Wij toetsen dat op rechtsstatelijkheid, op uitvoerbaarheid, op handhaafbaarheid. Ik wil nog niet vooruitlopen op mijn conclusie, maar we hebben daar grote zorgen over.

Voorzitter. Ik wou nog zeggen dat daarbij komt dat in de huidige constructie de krakers zelf initiatief moeten nemen om een kort geding aan te spannen nadat het Openbaar Ministerie de ontruiming heeft aangekondigd. De inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar wordt dus civielrechtelijk afgedaan, waarbij een belangenafweging plaatsvindt tussen het eigendomsrecht en het huisrecht van de krakers. De eigenaar is procespartij en actief bij die inhoudelijke behandeling van de zaak betrokken, uiteraard soms tegen zijn eigen wil, omdat zijn pand gekraakt is. Maar in het voorstel van de initiatiefnemers wordt het de krakers eigenlijk makkelijk gemaakt, want het Openbaar Ministerie is nu aan zet en moet de rechter-commissaris in strafzaken benaderen. In beginsel — het is al door andere sprekers gezegd — zullen alle kraakzaken voor de strafrechter komen, die in de kern een civielrechtelijke belangenafweging in een heel kort tijdsbestek zal moeten maken. Daarnaast blijkt dat de procedure voor de rechter-commissaris in strafzaken niet openbaar is — de heer Recourt had het daar al over — in tegenstelling tot de huidige kortgedingprocedure. Ik denk dat voor de acceptatie van een rechterlijke beslissing transparantie van het proces belangrijk is. Dat lijkt hier te ontbreken.

Op de vraag van D66 waarom de initiatiefnemers een marginale toetsing door de rechter-commissaris voorstaan, en niet de volle toetsing zoals de Raad voor de Rechtspraak bepleit, antwoorden zij in de nota naar aanleiding van het verslag op de pagina's 17 en 18 dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de uitspraak niet onherroepelijk hoeft te zijn. Maar volle toetsing is iets anders. Het betekent dat er niet marginaal, maar in de volle breedte na een grondige afweging van alle relevante belangen getoetst behoort te worden. Want de rechter-commissaris is geen stempelmachine. De fractie van D66 vreest dan ook dat de keuze van de initiatiefnemers voor een flitsproces van drie dagen wel degelijk strijd oplevert met artikel 13 van het EVRM, het recht op een effective remedy.

De oorzaak van kraken is leegstand van gebouwen en daarnaast woningnood. Daar moet wat aan gedaan worden. Daar zal iedereen het, denk ik, over eens zijn. In de behandeling in de Tweede Kamer is zelfs het begrip "zelfbewoningsplicht" gevallen. Ik denk dat dat in sommige gevallen zeer verkieselijk is. Het onderhavige wetsvoorstel gaat niet in op die bredere context van leegstand of frictieleegstand, dus dat zal ik dan hier ook niet doen.

Ik wil me nu nog beperken tot een aantal vragen aan de minister van Justitie. Want in zijn brief aan de Eerste Kamer van 18 maart stelt hij dat de termijn van drie dagen voldoet aan artikel 13 van het EVRM. Maar de deskundigen trekken dat in twijfel. De minister schrijft ook dat hij de zorgen van de Raad van State en de adviesorganen deelt. Hij betwijfelt met hen of de in het initiatief daadwerkelijk genoemde tijdswinst bestaat: "De deugdelijkheid van de onderbouwing van het wetsvoorstel zal moeten blijken in de praktijk". Is het niet zo, minister, dat een wetsvoorstel sowieso een deugdelijke onderbouwing moet hebben? We kunnen toch geen gok nemen met wetgeving?

Over de noodzaak van het wetsvoorstel merkt het kabinet op "dat er kennelijk op dit moment geen behoefte bestaat aan de bevoegdheidsuitoefening. Het fenomeen van de wooncarrousel doet zich niet meer voor." Maar zegt de minister hiermee niet gewoon dat het wetsvoorstel overbodig is? En als een wooncarrousel zich in de toekomst weer zou voordoen, dan kan toch met de huidige spoedontruimingen afdoende worden opgetreden, zoals de deskundigen ons bij een bijeenkomst in deze Kamer hebben uitgelegd? Daarvoor hebben wij, minister, toch niet dit initiatief nodig?

Op het punt van de volle toetsing schrijft de minister dat het kabinet het standpunt van de Raad voor de rechtspraak "in zoverre bevestigt, dat de rechter-commissaris in staat moet zijn om de proportionaliteit van de ontruiming in het concrete geval op adequate wijze te kunnen toetsen." Zegt de minister hier eigenlijk niet met zoveel woorden dat marginale toetsing ongewenst is? De minister schrijft dat de effecten van de werklastverschuiving onduidelijk zijn. Wat doet dat voor het vertrouwen in de rechtstaat?

De minister constateert in zijn boek De weerloze samenleving dat de hele justitieketen vermorzeld dreigt te worden onder de kosten van onder andere de gezondheidszorg en dat schaarste troef is. Blijkt uit die analyse niet dat ontruimingen van kraakpanden sowieso ten koste gaan van de politie-inzet elders? En wat doet dat met de opmerking in de deskundigenbijeenkomst dat veel meer zaken bij de rechter-commissaris zullen komen en dat ontruimingen dus ook veel meer inzet zullen gaan vergen?

De minister schrijft dat "het kabinet begrip heeft voor de bij de ketenpartners gebleken beduchtheid voor de mogelijke nadelige effecten van het wetsvoorstel." Even later schrijft hij: "De beantwoording van de vraag van deze leden" — van GroenLinks en de Partij van de Arbeid — "of de inhoudelijke kritiek van de ketenpartners en organisaties aanleiding zou moeten geven om het wetsvoorstel en de nut en noodzaak daarvan te heroverwegen, laat het kabinet over aan de prudentie van de indieners." De minister zit hier in deze initiatiefprocedure als adviseur van de Eerste Kamer. Betekenen de zinnen die ik zojuist citeerde niet gewoon dat de minister het wetsvoorstel niet ziet zitten? Graag een duidelijk advies.

Voorzitter, ik rond af. Mijn voorlopige conclusie is dat er behoorlijk wat haken en ogen zitten aan dit wetsvoorstel. De ketenpartners wijzen het met de kracht van argumenten af, onder meer vanwege de uitvoerbaarheid en de verschuiving van het civiel recht naar het strafrecht. Er kunnen ook vraagtekens geplaatst worden bij de verenigbaarheid met artikel 13 van het Europees Verdrag. Al met al maakt D66 zich grote zorgen als dit wetsvoorstel kracht van wet zou krijgen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan is het woord aan mevrouw Nanninga namens de Fractie-Nanninga.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Nanninga (Fractie-Nanninga):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank ook de indieners van dit initiatiefvoorstel, de heer Koerhuis en mevrouw Van Toorenburg.

Voorzitter. De indieners vinden mijn partij, JA21, vierkant aan hun zijde als het gaat om het aanpakken van kraken. Ik ken uit mijn werk in de Amsterdamse raad schrijnende voorbeelden van krakers die onder meer ondernemers duperen. Het dieptepunt in de afgelopen twee jaar was misschien wel de kraak van de uitgeprocedeerde illegalen van We Are Here — de heer Dittrich memoreerde het net al even — die een pand bezetten van de ondernemer Salih Ozcan. Dat pand had hij in gereedheid gebracht voor zijn bedrijf. Ozcan werd door de krakers met een beroep op hun rechten hardhandig zijn eigen pand uit gewerkt en bleef achter met een vernield interieur en een torenhoge rekening.

Voorzitter. Het aldus afdwingen van woonruimte is niet te tolereren. Wij zouden dan ook graag wetgeving zien die deze inbrekers het kraken zo lastig mogelijk maakt. Daarom waarderen wij dit initiatief bijzonder, maar wij moeten bij nadere beschouwing toch tot onze spijt constateren dat dit initiatiefvoorstel misschien niet de harde en helpende hand biedt waar JA21 zeker voorstander van is. De deskundigenbijeenkomst van vorige week versterkte deze twijfel.

Voorzitter. Er zijn veel vragen bij mijn fractie. Enkele daarvan zijn al gesteld door sprekers voor mij, dus ik zal trachten om doublures te voorkomen. Om te beginnen verduidelijken de indieners de nieuwe procedure in een schematische tabel in de memorie van toelichting. Ten aanzien van de haalbaarheid van deze procedure binnen de voorgestelde termijn merken de initiatiefnemers op dat zij een termijn van 72 uur tot ontruiming niet onredelijk achten. In de huidige praktijk is de doorlooptijd van het kort geding gemiddeld tussen de drie en bijna acht weken. Met dit wetsvoorstel zou die in beginsel drie dagen moeten zijn, maar ik mis de onderbouwing. Is dit een wens van de initiatiefnemers? Is dit het optimale scenario of kunnen zij hardmaken dat het daadwerkelijk een termijn van drie dagen zal worden? In een situatie met complexe of omvangrijke dossiers is deze termijn ons inziens al niet haalbaar.

De initiatiefnemers wijzen terecht, zoals ik in mijn inleiding al aanstipte, op het leed van eigenaren van gekraakte panden in antwoord op de bedenkingen van de RvS in verband met de mogelijke schending van het huisrecht, de proportionaliteitstoets. Is het wetsvoorstel bestand tegen een mogelijke toets in rechte of de nieuwe procedure op gespannen voet staat met artikel 13 van het EVRM, dat ook al door de heer Dittrich is aangestipt — je kunt natuurlijk verwachten dat dit gaat gebeuren — en andere procedurele waarborgen? Het is natuurlijk een beetje een advocaat-van-de-duivelvraag, maar het is ook een nuchtere vraag. Want wat is de waarde van een wet als we hier al met z'n allen kunnen bedenken dat krakers zich daarop gaan beroepen en deze wet op die manier lek gaan schieten?

Een ander kritiekpunt van de RvS: wat is de daadwerkelijke tijdwinst die redelijkerwijs mag worden verwacht van de nieuw voorgestelde procedure bij de rechter-commissaris? Daarbij moet allereerst worden opgemerkt dat de officier van justitie in de huidige situatie bevoegd is om in samenspraak met het lokaal gezag — dat is een belangrijk punt waar ik straks op terugkom — te besluiten tot een spoedontruiming in uitzonderlijke omstandigheden. In de door de initiatiefnemers voorziene procedure dient ook in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden een verzoek te worden ingediend bij de rechter-commissaris. Volgens de toelichting kan in die situatie worden afgezien van het horen van krakers, maar het kan niet worden uitgesloten dat de procedure bij de rechter-commissaris in dergelijke spoedgevallen meer tijd in beslag zal nemen dan een spoedontruiming door het OM in de huidige situatie. De RvS heeft net als wij derhalve vragen over de daadwerkelijke tijdwinst. De inschatting is zelfs dat de procedure bij de rechter-commissaris in spoedgevallen meer tijd in beslag zou kunnen nemen dan een spoedontruiming door het OM in samenwerking met het lokaal gezag in de huidige situatie. Dit temeer omdat het initiatiefvoorstel geen antwoord geeft op de gebrekkige politiecapaciteit. Het voorbereiden van een uitzetting zal altijd tijd en mankracht kosten en daarin zal dit initiatief geen verandering brengen.

Voorzitter. Dat brengt ons de capaciteit. Ook de VNG heeft kritische noten te kraken over de capaciteit bij zowel OM als politie inzake dit wetsvoorstel. De details hebben we in de aanhangende stukken kunnen lezen. Ik ben benieuwd hoe de initiatiefnemers aankijken tegen de kritiek van de VNG dat hun wetsvoorstel ten koste gaat van de handhavingscapaciteit op andere thema's. Kunnen de initiatiefnemers misschien ontkrachten dat hun wetsvoorstel leidt tot meer werklast voor politie, OM en de rechterlijke macht?

In de Tweede Kamer constateerden de leden van de SGP-fractie dat "de gemeente Amsterdam de handhaving van de huidige wet actief belemmert door eigenstandig de voorwaarde toe te voegen dat er niet ontruimd wordt voor leegstand en pandeigenaren oproept geen aangifte te doen". Deze leden constateren dat dit indruist tegen de democratische rechtsstaat waarin de gemeente Amsterdam de nationale wetgeving dient te respecteren. Zij vragen vervolgens: kan de regering aangeven hoe zij de gemeente Amsterdam wil sommeren de nationale wetgeving in acht te nemen? De SGP-fractie stipt hier een wezenlijk punt aan, namelijk het probleem van het feitelijk niet willen handhaven van het kraakverbod. Ik wil hierbij wel aantekenen dat zelfs burgemeester Halsema hierin enigszins is bijgedraaid, omdat het kraken de spuigaten uitliep. Sindsdien is er sprake van een aanzienlijke verbetering, zoals wederom de heer Dittrich al aanstipte. Maar de vraag blijft: waarom zoeken de initiatiefnemers hun heil in een wetsvoorstel dat de oplossing voor de handhaving van het kraakverbod zoekt in de techniek, in plaats van te onderkennen dat het aanpakken van kraken in de eerste plaats vraagt om bestuurlijke wil en commitment, betrokkenheid — niet onnodig Engels gebruiken, maar u begrijpt mijn punt.

Voorzitter. Kraken is strafbaar. Het is een plaag voor pandeigenaren, het is een zware last voor OM en politie, het is moreel verwerpelijk en het kan wat ons betreft niet hard genoeg aangepakt worden. Maar tot onze spijt roept dit initiatiefvoorstel alles overziend bij mijn fractie wel de volgende, wellicht een beetje open vraag op: wat beweegt de initiatiefnemers om een wetsvoorstel te willen doorzetten waartegen toch niet de minste instellingen — de Raad van State, de VNG, politie, OM, rechterlijke macht — op voorhand zware bedenkingen aanvoeren? Dan spreken we over uitvoerig onderbouwde en ons inziens door initiatiefnemers helaas niet afdoende weerlegde bedenkingen dat voorgestane aanpak niet tot een betere aanpak leiden zal, maar wel tot een toenemende werklast en bureaucratie.

Voorzitter. Ik zal met open geest en zeer belangstellend kennisnemen van uw antwoorden en op basis hiervan mijn fractie nader adviseren. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Nanninga. Dan is het woord aan de heer Doornhof namens de fractie van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof (CDA):

Dank u, voorzitter. Als u mij toestaat, neem ik graag de vrijheid om een aantal collega's te feliciteren met de resultaten van hun partij, waaronder die van u, tijdens de verkiezingen voor de Tweede Kamer vorige week. Dat doet er niets aan af dat de CDA-fractie in deze Kamer met overtuiging volhardt in het uitvoeren van haar parlementaire taken. Daarom ga ik nu maar van start.

Tijdens de deskundigenbijeenkomst over het initiatiefvoorstel heeft de officier van justitie, mevrouw Van Aert, een waardevolle bijdrage geleverd. Ze is eerlijk geweest over de problemen die het OM ziet bij de uitvoering van de nieuwe procedure die door de initiatiefnemers wordt voorgestaan. Maar ze is er ook eerlijk over geweest dat tot 2019 het OM in Amsterdam het kraken ontoereikend heeft aangepakt. Sowieso werd er niet gehandeld op heterdaad en als er al ontruimd werd, zag je dat krakers al heel snel weer naar een ander pand gingen. Uitspraken en zittingen lieten lang op zich wachten. Daardoor kon er een carrousel ontstaan. Ja, dat klinkt gezellig, maar feitelijk gaat het om het steeds weer wederrechtelijk vertoeven in het pand van iemand anders, bijna altijd met ernstige schade als gevolg. Mevrouw Noordermeer heeft dat namens de vastgoedeigenaren nog eens toegelicht tijdens die deskundigenbijeenkomst.

Voorzitter. Als je kijkt naar dit alles, heeft mijn fractie grote waardering voor de inspanningen van de initiatiefnemers, want zij willen met die kortere procedure bij de rechter-commissaris tegemoetkomen aan de slachtoffers van het misdrijf. De initiatiefnemers hebben ook laten weten dat ze er blij mee zijn dat ook Amsterdam inmiddels erkent dat kraken harder moet worden aangepakt, maar ze vinden dat het wetsvoorstel onverminderd meerwaarde heeft. Ze wijzen dan op de doorlooptijden die ook uit de cijfers van de Raad voor de rechtspraak blijken.

Zoals gezegd, heeft het OM gewezen op de problemen die het ziet voor de uitvoering van de nieuwe procedure. Mevrouw Van Aert zei onder meer — ik citeer — "ik vrees gewoon dat we straks weer een officier van justitie nodig hebben die alleen met ontruimingen aan de slag moet". Die grotere werkdruk wordt met name voorzien omdat sommige ontruimingen op dit moment niet eens worden aangevochten bij de voorzieningenrechter. Als er al een kort geding wordt gestart, wordt zo'n kort geding ook wel weer eens ingetrokken. Als je dit voorstel zou aanvaarden als Kamer, dan zou dat meebrengen dat elke ontruiming eerst in een procedure van de rc moet.

De Raad voor de rechtspraak op zijn beurt verwacht ook een vertraging in lopende strafzaken. Op dit punt was de heer De Ridder — hij voerde namens de Raad voor de rechtspraak het woord — heel overtuigend. Een fractie kan zich — en dat sluit dan ook aan bij wat namens het OM en de Raad voor de rechtspraak naar voren is gebracht — voorstellen dat binnen de strafrechtketen nieuwe prioriteiten gesteld moeten worden. Daarom vraag ik aan de initiatiefnemers of zij niet bang zijn voor een verdringing van de vervolging van andere criminelen. Je zou je kunnen voorstellen dat er ook gesproken wordt over extra investeringen om ervoor te zorgen dat de bestaande taken onverminderd uitgevoerd worden. Hoe kijken de initiatiefnemers daartegen aan?

Voorzitter. Ik dank de minister graag voor de brief waarin hij de aan de regering gestelde vragen heeft beantwoord. Over doorlooptijden gesproken: het is fijn dat de minister in staat en bereid was om snel aan de procedure hier mee te werken, want dat betekent dat we dit debat nu kunnen hebben, nog vlak voordat mevrouw Van Toorenburg aan de overkant afscheid neemt. Misschien staat u, voorzitter, mij ook toe om bij wijze van intermezzo te zeggen dat de CDA-fractie haar zal gaan missen. Ik zou graag namens de fractie grote waardering willen uitspreken voor de bevlogenheid waarmee ze haar Kamerwerk altijd vorm heeft gegeven. Dat blijkt ook wel weer uit het initiatief dat ze met Koerhuis heeft genomen.

Terug naar die brief, want de minister heeft daarmee laten zien dat snelheid niet per se ten koste hoeft te gaan van kwaliteit. Daarmee illustreert hij ook dat, hoewel die nieuwe procedure maar drie dagen mag duren, de rechter-commissaris in staat moet kunnen zijn om een op het concrete geval toegesneden proportionaliteitstoets aan te leggen. Hij heeft op verzoek van de CDA-fractie op basis van jurisprudentie en de literatuur met overtuiging naar voren gebracht dat deze procedure niet bij voorbaat in strijd hoeft te zijn met artikel 13 van het EVRM. Mijn fractie heeft natuurlijk gemarkeerd dat we geen hard precedent voorhanden hebben. Het gaat ook afhangen van de uitspraken die zullen volgen bij de eerste machtigingen die door een rc zijn gegeven.

De heer De Ridder heeft gezegd dat het niet zonder meer zal lukken om in drie dagen een beslissing te nemen. Daar plaatst mijn fractie toch een vraagteken bij.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Ik heb een vraag aan mijn collega Doornhof. U zegt dat de procedure zal voldoen aan artikel 13 van het EVRM. Dat heeft de minister ook geantwoord en ik begrijp dat u daarmee instemt. Er is geen precedent, maar de Hoge Raad heeft in een uitspraak uit 2011 toch heel duidelijk aangegeven dat de kortgedingprocedure voldoet aan artikel 13 van het EVRM omdat de voorzieningenrechter heel grondig — het woord "grondig" wordt daar letterlijk gebruikt — kan onderzoeken hoe die proportionaliteitstoets moet uitvallen. Mijn vraag aan u is ten eerste of de rc binnen drie dagen een grondig onderzoek kan uitvoeren. De andere kant van mijn vraag is hoe de door mij genoemde waarborgen van openbaarheid, rechtsbijstand en het feit dat een verdachte — want een kraker is inmiddels in het strafproces getrokken — aanwezig kan zijn, volgens u geborgd zijn in de procedure die nu wordt voorgesteld.

De heer Doornhof (CDA):

Bedankt voor de vragen, mevrouw Veldhoen. Ik heb het arrest hier voor me liggen. We moeten opnieuw stilstaan bij het feit dat we geen hard precedent voorhanden hebben, maar de Hoge Raad zegt dat je, voordat je zo'n ingrijpende beslissing neemt om te ontruimen, een beslissing moet hebben van een onafhankelijke rechter. Dat hebben de initiatiefnemers volgens het oordeel van mijn fractie goed in de oren geknoopt, want daarin wordt voorzien. Veel meer kun je eigenlijk niet over dat arrest zeggen, want we hebben een nieuwe procedure waarbij waarborgen gelden. U vraagt of dat nou precies de waarborgen zijn die ook uit artikel 13 volgen. Op basis van wat er nu ligt zou je kunnen zeggen: ja, want we hebben dit arrest en daar staat met name de onafhankelijkheid van die rechter in. Ook het horen wordt in het wetsvoorstel genoemd.

Mevrouw Veldhoen maakt ook een punt van het overhevelen van de beslissing over de ontruiming op vordering van het OM van de civiele rechter naar de strafrechter. Ja, dat kunt u doen. Ik wijs er wel op dat we hier natuurlijk niet praten over een veroordeling van een verdachte. Nee, wij praten over de vraag of het is toegestaan dat een pand dat gekraakt wordt, wordt ontruimd. Daarvoor is vanwege artikel 8 van het EVRM die gerechtelijke tussenkomst nodig. Dus ik zou dan toch tegen mevrouw Veldhoen willen zeggen dat ze ook moet kijken naar wat er gevraagd wordt. Ik hoef haar niet uit te leggen dat rc's weleens veel zwaardere beslissingen nemen, want die sluiten mensen gewoon op voor maanden. Vandaar die procedure, althans in overeenstemming met de grondrechten. Zeker ook op grond van wat de minister naar voren heeft gebracht, kan ik mij voorstellen dat dit ook voor deze procedure geldt. Dat is het uitgangspunt van mijn fractie.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

U plaatst de beslissing over het kraken tegenover een beslissing die gaat over vrijheidsbeneming, waarbij u zegt dat dat een andere afweging is. Het criterium dat de Hoge Raad aanlegt is dat een niet-omkeerbare beslissing een grondig onderzoek vergt. Een uithuisplaatsing wordt door de Hoge Raad als een niet-omkeerbare beslissing gezien. Dat maakt dat bij de twee grondrechten die met elkaar botsen, het woonrecht en het eigendomsrecht, een grondige afweging moet plaatsvinden. De voorzieningenrechter voldoet aan die norm maar de vraag is of de rc aan die norm voldoet. De voorzieningenrechter heeft namelijk een openbare zitting. Hoe ziet u dat dan bijvoorbeeld bij de rc? De rc huist meestal in de catacomben van de rechtbank, vlakbij de cellencomplexen. Hoe ziet u dat de rc binnen drie dagen een zitting organiseert waarbij producties kunnen worden ingediend, waarbij partijen kunnen worden gehoord, waarbij krakers deugdelijk worden opgeroepen en waarbij de advocaat de tijd krijgt om zich in te lezen, stukken in te zien et cetera? Hoe ziet u die praktische vormgeving daarvan? U bent jurist, u heeft er ongetwijfeld over nagedacht. Dus hoe ziet u dat binnen de kaders die de Hoge Raad geeft, waarvan de Hoge Raad zegt: dit is wat er volgens ons kan en dat is de voorzieningenrechter, want daar wordt een deugdelijke en grondige toets aangelegd? Ik wil graag een concreet antwoord op de vraag hoe u die praktische invulling ziet.

De heer Doornhof (CDA):

Maar dat ben ik niet met mevrouw Veldhoen eens, dat het een botsing van grondrechten is. Nee, en dat staat ook in het arrest van 2011; we hebben er toch meer aan dan we misschien denken. Het uitgangspunt is dat de eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil. Alleen kan het onder omstandigheden zo zijn dat het huisrecht van de kraker heeft te prevaleren. Dus die toets, die proportionaliteitstoets heeft de rechter te verrichten. Ik hoef u ook geen voorbeeld te noemen van allerlei kwesties waarin rechters uitspraken moeten doen die veel ingewikkelder zijn dan waarover het hier gaat. Het is gewoon gebleken dat vaak in een kortere termijn dan drie dagen een rechter een goed oordeel kan vellen. In de annotatie van dit arrest haalt Mevis, de annotator, ook aan dat er een uitspraak is waarbij in twee dagen een goed oordeel wordt gegeven. Dat is ook voorstelbaar. Dat hebben de initiatiefnemers ook naar voren gebracht in hun beantwoording. Ze zeggen: als je heel eerlijk bent, is het nogal overzichtelijk. Het OM komt met de vordering en dat doet het omdat wel vaststaat dat er gekraakt wordt. Het geeft aan: we willen graag ontruimen, maar we hebben artikel 13 te respecteren, dus daarom vinden we dat u er als onafhankelijk rechter naar moet kijken of er niet zodanige bijzondere uitzonderlijke omstandigheden zijn wat betreft het eigendomsrecht. De Hoge Raad zet dat recht ook helemaal voorop. Dus het is niet zo dat het gaat om het wegen van het ene grondrecht tegenover het andere. Nee, het gaat om het eigendomsrecht. Maar het huisrecht kan wel meebrengen dat er een correctie op kan plaatsvinden. Dat je zo'n toets in een procedure bij de rc uitvoert met het horen en met beschikbare stukken, vindt mijn fractie op basis van wat de regering naar voren heeft gebracht over de toepassing van artikel 13 EVRM voorstelbaar, maar — en dat moet ik mevrouw Veldhoen toegeven — dat zal dan wel uit de eerste gerechtelijke uitspraak moeten blijken.

De voorzitter:

Mevrouw Veldhoen, derde. Graag enigszins bondig.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Ja, dat zal ik doen. De deskundigen die wij hebben gehoord, denken er anders over. Dat ten eerste. Ten tweede: u zegt dat een uitspraak zelfs in twee dagen kan. Dat kan natuurlijk. Dat hebben we ook gezien bij de avondklok. Een kortgedingrechter kan heel snel oordelen, maar dan wel op basis van een zorgvuldige procedure. En ik hoor u nog steeds geen argumenten geven op grond waarvan ik kan aannemen dat de procedure bij de rc in die 72 uur even zorgvuldig plaats kan vinden.

De voorzitter:

De heer Doornhof, tot slot.

De heer Doornhof (CDA):

Ik hoef mevrouw Veldhoen niet uit te leggen hoe rc's te werk gaan. Zij nemen nogal beslissingen. Ze sluiten gewoon mensen op zonder dat die veroordeeld zijn voor een strafbaar feit. Dan nog weten zij beslissingen te nemen die ingrijpend maar ook gedegen zijn. Dus mijn fractie heeft ook op basis van wat er nu ligt het vertrouwen dat de procedure die wordt voorgestaan, waarbij het niet gaat om een veroordeling maar om een maatregel, namelijk dat je zo'n kraakpand ontruimt, voldoet aan artikel 13.

Voorzitter, daar kan ik het bij laten.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Doornhof. Voordat u wegloopt, is er nog een vraag van de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

U mag overigens ook met mondkapje op luisteren; dat kan.

De heer Doornhof heeft het over de tijdwinst. Die houdt weer verband met het uitgangspunt dat het kort geding verdwijnt en er een toetsing bij de rechter-commissaris voor in de plaats komt. Daar heeft u net uitgebreid over van gedachten gewisseld. We zijn allebei advocaten. Ik kan me toch voorstellen dat er op een gegeven moment een zitting bij de rc is geweest en er zelfs al een machtiging is gegeven, maar dat het nog even duurt voordat de ontruiming kan plaatsvinden. Dat staat gewoon vast; dat kan niet meteen een paar uur later gebeuren. Ik kan me voorstellen dat in die tussenperiode een advocaat van de krakers de kortgedingrechter adieert. In de deskundigenbijeenkomst is er ook door de advocaat die daar was al op gewezen dat dat een van de begaanbare wegen gaat worden. We zullen het er allebei over eens zijn dat de kortgedingrechter dan bevoegd is en dat er ook een spoedeisendheid is. Wat lost dat dan op als advocaten na die rc-uitspraak alsnog naar de kortgedingrechter gaan?

De heer Doornhof (CDA):

Dan heb je automatisch vertraging; dat ben ik met de heer Nicolaï eens. Alleen gaat dat er wel van uit — dat weet u ook als geen ander — dat je natuurlijk wel redenen moet hebben om een voorzieningenrechter ervan te overtuigen dat het helemaal niet goed is gegaan bij de rechter-commissaris, dus dat je een soort verkapt hoger beroep krijgt, want in het voorstel wordt natuurlijk wel over hoger beroep gesproken. Het is even de vraag — dat zeg ik even hardop denkend — of je niet bijna tegen een onbevoegdheid aanloopt van de voorzieningenrechter. Maar stel dat je zegt: ik ben rechtsrechter, dus ik moet hierover beslissen. Dan ga je natuurlijk wel kijken of het nou zo slecht is wat die rc aan het doen is geweest. Als dat keer op keer plaatsvindt, dan denk ik dat ook de advocaat die wij hebben gehoord tijdens de deskundigenbijeenkomst zich wel een paar keer bedenkt voordat hij zijn cliënt weer gaat adviseren om niet meer naar de voorzieningenrechter te stappen.

De heer Nicolaï (PvdD):

We zijn het er dus over eens dat je naar de kortgedingrechter kan gaan. Dat is ook logisch, want in het wetsvoorstel is beroep mogelijk tegen de uitspraak van de rechter-commissaris. Die schorst niet, dus in die fase moet je altijd naar een kortgedingrechter kunnen gaan …

De heer Doornhof (CDA):

Dat weet ik niet, maar gaat u door.

De heer Nicolaï (PvdD):

… als men van oordeel is dat het op de een of andere manier onrechtmatig is geweest. Het kan ook zijn dat je naar de kortgedingrechter gaat omdat je zegt: de situatie bij de rechter-commissaris voldeed eigenlijk helemaal niet aan de eisen die er rechterlijk aan gesteld moeten worden. In theorie — daar hebben we het net over gehad — heeft u gediscussieerd, maar in de praktijk kan er een situatie zijn dat een van de krakers helemaal niet gehoord is en dat die kraker een kort geding begint. Dus hoe je het ook wendt of keert … De heer Doornhof zegt: die advocaat zal misschien nog weleens achter zijn oor krabben of hij dat kort geding begint. Maar als die kraker wil dat dat kort geding begint, dan begint het kort geding en heb je dus in feite niets gewonnen. Daar wil ik toch gewoon een concreet antwoord op van uw fractie. Hoe kijkt u daar dan tegen aan? Als dat het geval is, waar zijn we dan mee bezig?

De heer Doornhof (CDA):

Ik geloof dat de heer Nicolaï en ik elkaar niet helemaal misverstaan, want zoals ik al zei, is het inderdaad even de vraag hoe de voorzieningenrechter je ontvangt. Maar goed, als hij zegt "er is een procedure bij de rc, wij zijn het met de regering eens dat die procedure op zich kan voldoen aan artikel 13 EVRM en ik zie dat in het concrete geval ook de rechten van de krakers voldoende in acht zijn genomen", dan zal hij gewoon die voorziening afwijzen. Dus dat is mijn punt. Als u nu zegt dat het totaal verkeerd is gegaan, dat die mensen niet eens zijn uitgenodigd om hun verhaal te doen bij de rc en dat de voorzieningenrechter daar wat van vindt, dan hebt u gelijk. Dan heeft dat natuurlijk meteen vertraging tot gevolg en loopt de ontruiming spaak. Maar in de situaties waarin je met deskundige rc's te maken hebt, waarin zij die partijen gaan horen en in drie dagen een beslissing nemen … Ik zei al dat je als advocaat gronden nodig hebt waarop je een beslissing aanvecht. Je zult dan die gronden ontberen om een positieve uitspraak voor de krakers te krijgen bij de voorzieningenrechter. Er is dan ook geen tijd verloren.

De voorzitter:

De heer Nicolaï, de derde.

De heer Nicolaï (PvdD):

De heer Doornbos heeft het over de uitslag van de uitspraak bij de voorzieningenrechter. Als je geen goede gronden hebt aan te voeren, dan zal je daar ongelijk krijgen. Maar ik hoor de heer Doornbos niet zeggen dat de procedure van de voorzieningenrechter dan niet plaatsvindt. De vraag is nou juist: voorziet het wetsontwerp erin dat de kortgedingprocedures nu verdwijnen, ja of nee? Ik denk dat wij beiden het erover eens zijn dat vaststaat dat dat niet is uitgesloten. Dan is de vraag nog steeds de volgende. Als er advocaten te vinden zijn die voor bepaalde krakers toch nog een kortgedingprocedure aanhangig maken, dan zullen die gewoon gaan plaatsvinden en zijn we dus niets opgeschoten. De heer Doornbos zegt wel dat de voorzieningenrechter de procedure dan zal afwijzen, maar dan is die wel gevoerd en hebben we misschien wel weer twee weken tijdswinst verloren.

De voorzitter:

Het is de heer Doornhof, niet de heer Doornbos. De heer Doornhof, tot slot.

De heer Doornhof (CDA):

Ik vraag me af of ik niet al genoeg heb gezegd, want natuurlijk ontken ik niet dat er allerlei rechtsmiddelen open kunnen staan. Je kunt bij wijze van spreken in elke kwestie doorprocederen tot aan de Hoge Raad. Dat doe je niet, omdat je als advocaat en kraker op een gegeven moment ziet dat het gewoon zorgvuldig is gegaan bij de rc, die het uitgangspunt heeft genomen van het eigendomsrecht, en er onvoldoende omstandigheden zijn om een uitzondering te maken vanwege het woonrecht, het huisrecht. Natuurlijk kun je dan een voorziening vragen, maar de rechter zal die afwijzen. Natuurlijk kun je dan in hoger beroep, volgens het initiatiefvoorstel, maar de rechter zal dat afwijzen. Als u heel weinig vertrouwen heeft in de rc's die hierover gaan beslissen en denkt "ja, die gaan allemaal fouten maken dus we kunnen steeds met succes in hoger beroep", dan hebt u een punt, maar ik heb daar juist heel veel vertrouwen in. Ik denk dat uw situatie zich in een individueel geval zal voordoen, zeg ik via de voorzitter tot de heer Nicolaï, maar in de meeste gevallen blijft het gewoon bij de beslissing over de machtiging en zal dat een gedegen oordeel zijn van de rc.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Van Dijk namens de fractie van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Ook van mijn kant complimenten aan de initiatiefnemers dat ze het wetsvoorstel bij de Eerste Kamer hebben kunnen brengen. Ook complimenten voor de bloedsnelle beantwoording van onze vragen. Misschien zijn hier ook wel records gekraakt, en dan gekraakt in positieve zin.

Voorzitter. Noten en records mag je kraken, maar geen huizen. Het is daarom van groot belang dat krachtig kan worden opgetreden tegen personen die eigendomsrechten van huiseigenaren schenden. Voorstellen die dit bevorderen kunnen rekenen op een warm onthaal van de SGP, maar geldt dat ook voor dit wetsvoorstel? Daar zijn al heel wat vragen over gesteld en vraagtekens bij geplaatst, en niet door de minste instanties: het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak. De vraag rijst zelfs of dit wetsvoorstel niet vooral een betere juridische bescherming gaat bieden voor krakers. Dat zou wel een heel wrange en ongewenste uitkomst zijn.

Voorzitter. Het wetsvoorstel is niet geheel los te zien van de Amsterdamse kraakproblematiek, mede in relatie tot het stuitende gedrag van We Are Here. De wens om aan dit soort illegale praktijken een einde te maken, mag echter niet onze blik vertroebelen voor een mogelijke ineffectiviteit die ons verder van huis brengt. Over die effectiviteit heb ik de nodige vragen, en die wil ik hier graag mede namens de ChristenUnie voorleggen.

Voorzitter. Het wetsvoorstel — ik zei het al — lijkt vooral geschreven op de wooncarrousel die de groep We Are Here enkele jaren geleden had. Dat probleem is echter nu niet meer, of in ieder geval veel minder, aan de orde. Het beleid is in elk geval in Amsterdam, waar de meeste kraakzaken spelen, aangepast en de problematiek is min of meer onder controle. Zal deze wetgeving de problemen niet juist verergeren? Is het niet ook een teken aan de wand dat de krakers zelf zich niet gemengd hebben in de discussie rond dit wetsvoorstel? Zo timide zijn die doorgaans niet. Of is het zo dat zij ook niet veel te vrezen hebben van dit wetsvoorstel?

Voorzitter. Het zal u niet verbazen dat ik, als het gaat om de handhaving van het beoogde kraakverbod, erg veel waarde hecht aan de opvattingen van het OM. Hun kritiek weegt zwaar. Zo is door hen gewezen op toenemende vragen rond het inzetten van de beschikbare opsporingscapaciteit. Lossen we een inbraak op, een ellendige zedenzaak, of zorgen we dat een kraakpand wordt ontruimd? In veruit de meeste casussen, 70%, vertrekken krakers nu vrijwillig. Als krakers geen kort geding instellen, wordt na afloop van de zevendagentermijn direct ontruimd. De nieuwe wet verslechtert die positie: ontruimen wordt flink arbeidsintensief voor de strafrechtketen. Dat zou toch een heel ongewenste uitkomst zijn? Het laatste wat we willen is politie, OM en rechtbank opzadelen met nog meer werk.

Nu worden er alleen dossiers gemaakt als er een kort geding is ingesteld. Dat is dus in ongeveer 30% van de zaken, maar dat moet dan straks in 100% van de gevallen, waarover ook een rechter zich moet buigen. Is die toename in werkdruk aanvaardbaar? Volgens de indieners valt de extra werklast mee. Het kwam net ook even terug via een interruptie. Ik heb daar wel wat vragen over. Volgens hen, zo las ik in de nota naar aanleiding van het verslag, zou het in 2019 om 22 extra zittingen over het hele jaar zijn gegaan, en in 2018 om 33 extra zittingen. Kloppen die cijfers wel? Slaan de genoemde cijfers niet op kort gedingen die zijn ingetrokken?

Onder de nieuwe wetgeving moeten alle ontruimingsbeslissingen aan de rechter-commissaris worden voorgelegd. Ik ben even in de historie gedoken. Alleen al in de regio Amsterdam was sprake van de kraak van 560 panden in de jaren 2014-2020. Dat betekent gemiddeld per jaar 80 kraakzaken en dus ook 80 vorderingen bij de rc per jaar. Dat is heel wat meer dan de indieners ons voorhouden. Heel graag een duidelijke uitleg omtrent deze getallen en de daaruit voortvloeiende werklast.

Het OM heeft er met kracht op gewezen, tegenover de opvatting van de indieners, dat niet zal kunnen worden volstaan met een minimaal dossier. De rechter-commissaris is geen stempelmachine en het huisrecht is onomkeerbaar. Ook de Raad voor de rechtspraak heeft beklemtoond dat de rechter-commissaris niet marginaal maar vol zal moeten toetsen, aangezien er sprake is van een afweging rondom het huisrecht zoals gewaarborgd in het EVRM. Klopt dit en zal hiermee groot tijdverlies niet onontkoombaar zijn? Temeer omdat het vormen van een dossier niet zo eenvoudig zal zijn, mede omdat geanticipeerd zal moeten worden op eventuele verweren van de krakers. De bewijslast berust als gevolg van dit wetsvoorstel immers bij het OM en niet bij de krakers.

Vervolgens wordt de slagvaardigheid van het OM aangetast doordat een officier van justitie niet meer zelf een spoedontruiming kan gelasten. Dat gaat immers berusten bij de rc, met alle mogelijke juridische discussies van dien.

Nader sprekend over de vermeende tijdwinst van het wetsvoorstel: de initiatiefnemers zeggen in de nota naar aanleiding van het verslag dat het in plaats van de huidige maximaal acht weken, in de nieuwe procedure met de inzet van de rechter-commissaris in beginsel 72 uur duurt om te ontruimen. Op deze manier, zo schrijft men in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt het onaantrekkelijk voor de krakers om van pand naar pand te hoppen. Dat is echter toch niet juist? De rechter-commissaris moet binnen 72 uur een beslissing nemen. En dat zal hij waarschijnlijk niet eens altijd halen. Daarna moet nog een planning worden gemaakt voor de ontruiming, er moet politiecapaciteit worden vrijgemaakt et cetera. Dus die 72 uur is toch wensdenken?

Voorzitter. Het zal duidelijk zijn dat de SGP nog wel de nodige aarzelingen kent rondom dit wetsvoorstel. Daarom zie ik temeer uit naar de antwoorden.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Dijk. Dan is nu het woord aan de heer Nocolaï namens de Partij voor de Dieren.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. We beginnen altijd met complimenten. Ook ik begin met een compliment, maar mijn compliment zal iets anders luiden. Ik sluit mij aan bij de heer Recourt. Mijn compliment is dat de indieners, de initiatiefnemers eigenlijk al door het indienen van het ontwerp bereikt hebben wat ze wilden bereiken. Zo heb ik ook de woorden van de heer Recourt begrepen.

Daarmee zijn we eigenlijk al bij de vraag of het dan nog nodig is om dit wetsontwerp goed te keuren. Onze fractie zal daar zeker niet aan meewerken. Wij hebben ernstige kritiek. Die zit niet in wat ik maar "de ideologische sfeer" zal noemen. Ook wij vinden dat als je iets strafbaar stelt, je ook moet handhaven; dat is duidelijk. Onze kritiek zit erin dat de Eerste Kamer vooral moet kijken naar rechtsstatelijkheid, uitvoerbaarheid en dat soort zaken. Ik ben er erg blij mee dat ook door de fractie-Nanninga naar voren is gebracht: benader het niet vanuit een ideologische sfeer, maar bekijk of dit wetsontwerp gewoon technisch deugt.

Daar heb ik een aantal vragen over. Ik wil beginnen met een vraag aan de minister. Die heeft te maken met het punt waar al heel wat fracties op gewezen hebben, namelijk dat er toch eigenlijk uit het veld een enorme hoeveelheid kritiek is gekomen. Wat door het OM tijdens de deskundigenbijeenkomst naar voren is gebracht, is niet mis. "Als u wilt dat het OM het kraakverbod voortvarend hanteert, stem dan tegen deze wet. Alleen dan kan het OM directer, effectiever en met minder schaarse opsporingscapaciteit panden ontruimen." En door de Raad voor de rechtspraak is er, na consultatie van de gerechten, een zeer negatief wetgevingsadvies geschreven met de conclusie om af te zien van dit wetsvoorstel. En ik zeg de minister dat daar door de raad aan wordt toegevoegd: "Dit is een advies dat de raad eigenlijk zelden geeft." Dus én het OM én de Raad voor de rechtspraak zeggen: dit kan zo niet doorgaan, technisch gezien.

Het gaat allemaal om de tijdwinst. Ik zie dat de minister, in de beantwoording van de aan hem gestelde vragen, over die tijdwinst zegt: "De deugdelijkheid van de onderbouwing van het wetsvoorstel zal moeten blijken in de praktijk." De heer Dittrich is daar ook al op ingegaan. Dit is toch wel een hele ernstige kwestie. Want wat zegt de minister hier eigenlijk? Hij zegt eigenlijk: "Ja, je moet maar gewoon beginnen, en dan gaan we evalueren. En ja, dan kan uit die evaluatie eigenlijk blijken dat we er nooit aan hadden moeten beginnen."

Voorzitter. Als wij in de Eerste Kamer onze taak serieus nemen, dan moeten we toch kijken of de deugdelijkheid van dit wetsvoorstel voldoende aannemelijk is? Ik geef een voorbeeld vanuit mijn eigen achtergrond. We hebben het over de Omgevingswet gehad. Stel nou eens dat er in de Omgevingswet op een gegeven moment een termijn wordt opgenomen waarbinnen op een vergunningaanvraag moet worden beslist. En stel dat alle uitvoerende instanties daarover zeggen: dat vergunningstraject is onmogelijk binnen die gestelde termijn. Zegt de regering dan: laten we dan maar gewoon beginnen en na drie jaar gaan kijken of klopt wat de uitvoeringsinstanties vanuit hun praktijkervaring hebben voorspeld? Dat is toch ondenkbaar? Als je het zo bekijkt, is het even ondenkbaar dat we nu gaan zeggen: de deugdelijkheid moet zich nog maar bewijzen. Waarom draaien we het niet om door te zeggen: laten we het eerst eens drie jaar aankijken voordat we de wet invoeren? Want dat is ook een uitgangspunt. Er is uit het veld voldoende naar voren gebracht dat het eigenlijk goed gaat zoals het nu gaat. Wat dat betreft is het wetsvoorstel misschien een beetje achterhaald. Laten we eerst eens even kijken en dan na drie jaar kijken of we de wet moeten invoeren. Ik denk dat we dat uitgangspunt zouden moeten hanteren. Waarom wordt díé ingang eigenlijk niet gevolgd?

Dan kom ik bij de vragen aan de initiatiefnemers. Er is een vraag die ik ook al schriftelijk heb gesteld, namelijk de volgende. U komt op voor de belangen van de eigenaar; een goede zaak. Die eigenaar zit straks namelijk met schade en ellende, iets wat al door genoeg mensen naar voren is gebracht. Maar waar komt nou dat belang van die eigenaar eigenlijk in de rechterlijke toetsing aan bod? Want als daar in de spelonken bij de rechter-commissaris het een en ander plaatsvindt, dan is hij daarbij geen procespartij. In de beantwoording van de vragen staat dat de eigenaar aangifte doet, en daar zit een compleet verhaal in. Daar zou bijvoorbeeld in kunnen staan: ik ga over drie weken beginnen met verbouwen. Dat wordt door die krakers bij de rechter-commissaris tegengesproken. Ze zeggen: dat is helemaal niet zo; we hebben gegevens waaruit heel iets anders blijkt. Wie is op dat moment degene die voor de eigenaar in het geweer komt en zegt: dat en dat en dat is er aan de hand? Die eigenaar is er niet; die hoeft ook niet gehoord te worden. In het wetsvoorstel staat ook geen verplichting om de eigenaar te horen. Daar wil ik graag nog een keer iets over horen van de initiatiefnemers.

Het andere punt waarover ik nog iets wil horen, is het volgende. Ik heb in een interruptiedebatje net al uitvoerig naar voren gebracht dat uit de deskundigenbijeenkomst bleek dat de advocatuur het niet onmogelijk acht dat er gewoon toch nog, naast de procedure bij de rechter-commissaris, een kortgedingprocedure zal worden gestart. Dat wordt ernstig overwogen. Er kunnen allerlei situaties zijn die reden zijn dat een kraker van de groep van 25 zegt: ik wil dat je toch een kort geding begint, dat je daar een advocaat voor vindt en dat dat kort geding aanhangig wordt gemaakt. Wat blijft er dan over van die tijdwinst? Zijn de initiatiefnemers het met mij eens dat een kortgedingrechter dan altijd te adiëren is en dat dat niet is uitgesloten in dit wetsvoorstel?

Over de termijn van 72 uur is al uitvoerig gesproken. Als ik kijk naar de beantwoording, zie ik dat u het eraan koppelt dat ook bij inverzekeringstelling en dat soort zaken de rechter-commissaris dat snel kan doen en eigenlijk ook heel zware beslissingen neemt. Maar dat is één persoon. U moet u voorstellen dat u straks een kraakpand hebt met 20 mensen erin; hoe ziet u dat dan? Moeten die alle 20 gehoord worden? Moet je dan 20 keer die 72 uur nemen? Voor één persoon is 72 uur in de optiek van de initiatiefnemers al nodig. Ook daar graag een antwoord op.

Eigenlijk de grondvraag, die een beetje aansluit bij mijn achtergrond als hoogleraar bestuursrecht: u hebt in het initiatiefwetsvoorstel ook gekeken naar de alternatieve mogelijkheden. Ook de verruiming van de bestuursrechtelijke bevoegdheden van de burgemeester heeft u de revue laten passeren. U zegt dat dat alternatief niet de gewenste oplossing biedt. Waarom niet? Artikel 138a Strafrecht maakt immers duidelijk dat bij krakers sprake is van een misdrijf waarvoor via het strafrecht vervolging van dat misdrijf dient plaats te vinden. Dat ben ik helemaal met u eens. Maar als het gaat over ontruiming, praten we helemaal niet over vervolging, maar eigenlijk over iets bestuursrechtelijks, namelijk: de overheid, niet de strafrechter, gaat over tot feitelijke handelingen om aan een situatie die onrechtmatig is een einde te maken. Dat is eigenlijk bestuursrecht. Mijn vraag is: waarom is die weg zonder meer afgesloten?

Dat brengt mij tot het laatste punt. Het gaat u om de schade. Je zou je kunnen voorstellen dat als die bestuursrechtelijke ontruiming niet snel genoeg gebeurt, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende capaciteit is of omdat er gevreesd wordt voor openbareordeproblemen enzovoorts, het vraagstuk van nadeelcompensatie aan de orde komt. Ik zou toch aan de initiatiefnemers willen vragen waarom er niet gekeken is naar de volgende mogelijkheid. Als er schade ontstaat omdat men niet snel genoeg ontruimd heeft, hoort die schade dan niet vergoed te worden door de overheid? Dan ben je er ook. Het zou best kunnen dat de bedragen die daarmee gemoeid zijn, in het niet vallen bij de bedragen die gemoeid zijn met de uitvoering van deze wet, met alle capaciteitsproblemen die zich dan gaan voordoen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Nicolaï. Dan is het woord aan de heer Arbouw namens de fractie van de VVD.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Arbouw (VVD):

Dank u wel, voorzitter.

Om te beginnen wil ik uiteraard ook de initiatiefnemers van het wetsvoorstel danken voor het initiatiefvoorstel en ik wil hen complimenteren met hun ijver, energie en doorzettingsvermogen om tot dit initiatiefvoorstel te komen. Het is fijn dat het nog gelukt is om dit debat te houden voordat de wisseling van de Tweede Kamer, als resultaat van de verkiezingen, haar beslag krijgt, zodat de initiatiefnemers hun werk zelf kunnen verdedigen en toelichten. Ze zijn immers al een lange tijd bezig om in overleg met veel belanghebbende instanties te kijken hoe de huidige Wet kraken en leegstand het beste aangescherpt kan worden. Dat was destijds een initiatiefvoorstel van Ten Hoopen, Slob en Van der Burg, dat in juni 2010 werd aangenomen in dit huis.

In 2015 is er reeds een evaluatie geweest van deze wet. De huidige initiatiefnemers hebben in verschillende moties en Kamervragen in de Tweede Kamer in 2017, 2018 en 2019 al de vinger op de zere plek gelegd. Dat brengt mij tot mijn eerste vraag aan de initiatiefnemers. Die sluit een beetje aan bij datgene waar de heer Nicolaï ook over sprak. Kunnen de initiatiefnemers toelichten welke alternatieven ze onderzocht hebben voordat ze tot het voorliggende initiatiefvoorstel kwamen tot aanscherping van de Wet kraken en leegstand?

Voorzitter. De Wet kraken en leegstand was in die tijd een grote stap, waarbij het kraken ook echt strafbaar werd. Maar wij zijn het als VVD-fractie eens met de initiatiefnemers dat in de praktijk blijkt dat de wet nog niet in voldoende mate het destijds gewenste effect heeft. Dat zit 'm voornamelijk in de snelheid en de slagvaardigheid van het optreden tegen kraak. Dat is overigens niet alleen in Amsterdam aan de orde. Dat zei ik daarstraks al. Kraken is een landelijk fenomeen, dat zich niet louter in de grote steden voordoet. Ik heb er zelf in mijn vorige positie als wethouder in Breda — dat is toch de negende stad van Nederland — vaak mee te maken gehad.

Voorzitter. Het gaat ons om het rechtsgevoel, met name bij de slachtoffers van de krakers. De kraker kan, zoals sommigen al hebben aangegeven, immers veel leed veroorzaken bij de eigenaren van een woning, een erf of een bedrijfspand, zowel financieel als emotioneel. Het recht van eigendom is een fundamenteel recht binnen de Nederlandse rechtsstaat. Het is volgens onze fractie dan ook van belang dat de overheid, en dus ook het lokaal gezag, haar inwoners en ondernemers die slachtoffer worden van kraken effectief beschermt. Ik ben dus iets meer voor preventie: je moet ze aan de voorkant beschermen in plaats van achteraf de schade betalen.

Op dit moment ligt de doorlooptijd, op basis van cijfers van de Raad voor de rechtspraak, tussen een vonnis en een daadwerkelijke ontruiming gemiddeld tussen de drie en acht weken. U moet zich goed beseffen dat de eigenaren al die tijd geen toegang hebben tot hun eigen pand of woning. Ze zien krakers in die periode schade aanrichten, terwijl de vaste kosten doorlopen. De aangerichte schade wordt niet verzekerd. Sterker nog, de vertegenwoordiger van Vastgoed Belang gaf tijdens de deskundigenbijeenkomst aan dat de verzekeraars gewoon de polis opzeggen. Achteraf verhalen bij de krakers is over het algemeen een illusie.

Voorzitter. Wat mijn fractie aan het voorliggende wetsvoorstel goed vindt, is dat er meer aandacht komt voor de belangen van de eigenaar. Door het versnellen van de handhaving wordt de tijd beperkt waarin schade kan worden toegebracht door de krakers. Daarmee komt er meer balans tussen enerzijds het huisrecht van de krakers en anderzijds het eigendomsrecht van de eigenaar. Tevens vindt mijn fractie de preventieve werking van dit wetsvoorstel aantrekkelijk. Het zou toch mooi zijn als het uiteindelijk, op de middellange termijn, leidt tot minder kraken en het doorbreken van de wooncarrousel, en daarmee uiteindelijk ook tot minder werklast bij politie en OM.

De heer Recourt (PvdA):

De positie van de eigenaren wordt versterkt, zo hoor ik de heer Arbouw zeggen. Maar al een aantal sprekers hebben gevraagd of dat wel zo is, omdat ze geen partij zijn in de procedure. Ze zullen inderdaad gehoord worden in het begin, maar na de eerste de beste tegenspraak — er wordt niet verbouwd, er wordt niet verhuurd — is de eigenaar er niet meer. Wat dan? In hoeverre wordt de positie dan versterkt?

De heer Arbouw (VVD):

Ik ben het met u eens dat het vraagt om een goede aangifte. Dat betekent dat de eigenaar er verantwoordelijk voor is om zijn eigen belangen goed te verwoorden in de aangifte. Hij moet ook voor een goede onderbouwing daarbij zorgen. Daarna is het aan het OM om die belangen te behartigen; dat ben ik met u eens.

De heer Recourt (PvdA):

Maar goed, het is wel lastig voor het OM om die belangen te behartigen als er tegenspraak is en de eigenaar er niet achter zit. Ik heb zelf een voorbeeld waarin de eigenaar zei: ik heb het verhuurd. Toen de voorzieningenrechter daarop doorvroeg, kwam er geen enkele concretisering. De voorzieningenrechter zei daarop: ik geloof er geen barst van. Zo'n afweging zou je ook bij de rc moeten maken, maar die zit niet in deze procedure.

De heer Arbouw (VVD):

Een eigenaar is niet gek. Als hij weet dat deze procedure zo verloopt, zal hij er alles aan doen om datgene wat hij stelt, te onderbouwen met feiten en dus bijvoorbeeld een aanbesteding mee te leveren, waardoor er helemaal geen discussie ontstaat over of een verbouwing al dan niet doorgaat.

De voorzitter:

De heer Recourt, derde.

De heer Recourt (PvdA):

Tot slot. Denkt u niet dat ook de rc zal zeggen "ik wil die eigenaar wel even spreken" op het moment dat de stelling een beetje wordt betwist? Dan moet je de eigenaar oproepen en ben je weer een paar dagen verder.

De heer Arbouw (VVD):

Ik ben het met u eens: als dat het geval is, leidt dat niet tot de versnelling die wij beogen. Dat moeten wij dus in ieder geval zien te voorkomen. Dat moet straks in de praktijk blijken.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

Ik hoor collega Arbouw zeggen dat er nu een periode is van drie tot acht weken voordat die uitspraak er is en dat er in die hele periode schade kan optreden. Twee weken geleden hebben we van alle deskundigen gehoord dat die termijn veel korter is geworden vanwege afspraken met kortgedingunits. De zittingen worden veel eerder gepland. Het duurt twee tot drie weken. De rechtspraak en het OM zeggen dat het met het nieuwe voorstel ook twee tot drie weken zal duren, wil je aan de waarborgen voldoen die artikel 13 EVRM stelt. U blijft volhouden dat het drie tot acht weken duurt. Wat maakt dat u dat doet?

De heer Arbouw (VVD):

Ik kom zo meteen in het tweede deel van mijn betoog op het anderzijds. Wat betreft de vraag van mevrouw Veldhoen: die drie tot acht weken is het gemiddelde over het hele land. Daarstraks had ik een klein debatje met de heer Dittrich over Amsterdam. Daar heeft men onderling de afspraak gemaakt om te streven naar twee tot drie weken. Overigens is het gemiddelde daar volgens mij iets langer. Maar over het hele land is dat nog niet aan de orde. Dat is het punt. Het initiatiefvoorstel wordt niet alleen voor Amsterdam gebruikt. Anders was het de vraag of je daarvoor landelijke wetgeving moet hebben. De wetgeving die we in 2010 hebben aangenomen en waarvan we nu zien dat ze eigenlijk niet het effect heeft dat destijds was beoogd, moet aangescherpt worden, zodat we het kraken landelijk verder terug kunnen dringen en de belangen van de eigenaar een belangrijkere positie krijgen.

Mevrouw Veldhoen (GroenLinks):

De Raad voor de rechtspraak spreekt voor het hele land, niet alleen voor Amsterdam. Zij hebben toch heel duidelijk aangegeven dat het nu in de praktijk twee tot drie weken duurt en dat de verwachting is dat het met dit voorstel ook zo lang duurt. Ik heb eigenlijk geen antwoord gekregen op mijn vraag wat nou maakt dat u zegt: dat is niet juist. Neemt u de woorden van de Raad voor de rechtspraak en het OM niet serieus of heeft u reden om daaraan te twijfelen? Heeft u andere deskundigen gehoord, die daar anders over oordelen?

De heer Arbouw (VVD):

De initiatiefnemers kunnen daar wellicht nog iets meer over zeggen, maar mijn indruk was wel dat de deskundigenbijeenkomst voornamelijk over Amsterdam ging.

Voorzitter. Ik heb een anderzijds, want mijn fractie heeft zeker ook wel een aantal zorgen. In die bewuste deskundigenbijeenkomst veertien dagen geleden zijn toch wel kritische kanttekeningen geplaatst bij met name de uitvoerbaarheid van het voorliggende voorstel. Dat is nu juist het punt waar wij op letten. Dus daar heb ik ook een aantal vragen over.

Mijn eerste vraag is aan de initiatiefnemers. Kunnen zij nog eens toelichten waarom de verschuiving die door dit wetsvoorstel wordt gemaakt van de civiele rechter en de voorzieningenrechter naar de strafrechter naar hun oordeel juist passender is bij dit belangenconflict tussen krakers en eigenaar? Andere fracties hebben daar ook naar gevraagd. Onze grote zorg zit bij het feit dat verschillende belanghebbenden bij de deskundigenbijeenkomst aangaven dat de doelstelling van dit initiatiefvoorstel, namelijk de proceduretijd verkorten tot 72 uur, niet als realistisch beschouwd wordt. Zouden de initiatiefnemers daar nog eens op in willen gaan, zeker omdat dit de crux is van hun voorstel?

Dat brengt mij ook op een aantal vragen aan de minister van Justitie, aansluitend op de vragen aan de initiatiefnemers. Hoe schat de minister het in? Zal de rechter-commissaris zich in alle gevallen houden aan deze 72 uur? Inmiddels is die harde deadline ervan af gehaald.

Voorzitter. Net zoals de VVD-fractie er veel aan gelegen is dat de politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht niet overlopen van het werk en zo goed mogelijk hun werk kunnen doen, zal dat toch ook het belang van de minister zijn. Kan hij hier nog eens ingaan op de vraag hoe hij die extra werkbelasting voor de instanties inschat? We hadden het daar eerder in het debat even over. Denkt hij dat het extra werk dat met de uitvoering van dit wetsvoorstel op hun bord komt, inderdaad ten koste gaat van de opsporing en handhaving op andere thema's? Worden er prioriteiten gesteld? Verder verwachten de initiatiefnemers dat het voorliggende voorstel uiteindelijk op de middellange termijn leidt tot minder werklast voor de verschillende instanties door die preventieve werking. Ziet hij dat ook zo? Welke mogelijkheden ziet de minister ten slotte nog om de kans te vergroten dat de eigenaar een deel van de schade kan terugvorderen, anders dan het voorstel van de heer Nicolaï dat de schade vergoed moet worden door de overheid?

Voorzitter. De beantwoording door de initiatiefnemers en de minister is voor mijn fractie van groot belang. We zullen die wegen voor ons uiteindelijke oordeel over het initiatiefvoorstel.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Arbouw.

Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Dan schors ik de vergadering tot 13.30 uur.

De vergadering wordt van 11.24 uur tot 13.30 uur geschorst.