Plenair Dittrich bij behandeling (eerste termijn Kamer)



Verslag van de vergadering van 23 maart 2021 (2020/2021 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.29 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich (D66):

Voorzitter. Allereerst wil ik de griffier van de commissie Binnenlandse Zaken bedanken om het mogelijk te maken — daarmee bedank ik ook meteen de staatssecretaris dat zij bij dit debat aanwezig is — dat we toch vandaag hierover kunnen vergaderen. Uiteraard bedank ik de Tweede Kamerleden Van den Bosch en Van der Molen en degenen die hen hebben ondersteund. Het is toch altijd heel wat om een initiatiefwetsvoorstel te schrijven, dat door de Tweede Kamer te trekken en dat hier te mogen verdedigen in de Eerste Kamer. Daarvoor zijn visie en doorzettingsvermogen nodig. Dus mooi.

Voorzitter. Toen ik de stukken las, moest ik meteen denken aan mijn tijd in de stadsdeelraad in Amsterdam. In 1990 was ik fractievoorzitter in Amsterdam-Zuid, een gebied met meer dan 100.000 inwoners. Na de verkiezingen volgden collegeonderhandelingen. De fracties besloten toen de PvdA'er Dick Benschop, die later tot grote hoogte is gestegen als staatssecretaris van Europese Zaken en directeur van Shell Nederland, te vragen als formateur. Wekenlange of misschien wel maandenlange — ik weet het niet meer precies — onderhandelingen volgden. Onder zijn vakkundige leiding is er toen een coalitieakkoord gesloten. Vervolgens gingen we commissies instellen en eigenlijk was iedereen heel enthousiast over de heer Benschop. Men zei: laat Benschop nou ook een belangrijke commissie, die voor ruimtelijke ordening, voorzitten. En toen opeens kon dat niet, omdat hij geen gemeenteraadslid was. Dat heb ik eigenlijk altijd heel raar gevonden.

Ik denk dat de initiatiefnemers met hun wetsvoorstel precies dat punt aan de orde hebben gesteld. Ze hebben dat probleem opgelost. De gemeenteraden, Provinciale Staten en de eilandsraden kunnen besluiten een voorzitter van buitenaf voorzitter te laten zijn. Het is geen verplichting; ik zei het al in een interruptie. Wij vertrouwen het lokaal, het provinciaal en het eilandsbestuur dat zij maatwerk mogelijk kunnen maken. In elk geval kan het zorgen voor vermindering van de werklast van de leden van met name kleine fracties en kleinere gemeenten. Die kunnen zich dan meer op de inhoud van het werk storten, zodat de voorzitter de vergadering in goede banen kan leiden.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Zojuist interrumpeerde de heer Dittrich mij met de opmerking: joh, het gaat toch om maatwerk; we bieden de keuze. Ik opende met de suggestie dat we dan ook hier een externe voorzitter zouden kunnen benoemen. Betekent dit dat u er voorstander van zou zijn dat we ook hier in de senaat ertoe besluiten om de mogelijkheid te bieden om externe voorzitters te laten voorzitten?

De heer Dittrich (D66):

Ik laat me niet uit de tent lokken. Dit wetsvoorstel gaat over gemeenteraden, over Provinciale Staten en over de drie eilanden. Het gaat niet over de Eerste Kamer.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Nee, dat is natuurlijk waar.

De heer Dittrich (D66):

Ja!

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Daar gaat het nu niet over. Wel kunnen we het breder trekken, want ook dat zijn democratische organen. Waarom zouden we wel die mogelijkheid bieden op decentraal niveau — zo van: wij weten wat goed voor u is — terwijl we dat zelf niet doen? Dat is toch een aardige vergelijking? Zij kijken ook naar dit debat en zullen dan zeggen: waarom doen ze het zelf eigenlijk niet? Dus daar kunt u toch uw mening over geven?

De heer Dittrich (D66):

Ik heb in de politiek altijd geleerd om nooit op als-danvragen in te gaan.

De voorzitter:

De heer Van der Linden, tot slot.

De heer Van der Linden (Fractie-Nanninga):

Wij zijn ertegen om in dit huis externe voorzitters te benoemen, maar ik begrijp dat de heer Dittrich dat in het midden laat.

De heer Dittrich (D66):

De heer Dittrich concentreert zich op het voorliggende wetsvoorstel. Ik vind dat ook mijn taak als Eerste Kamerlid. Ik zou willen zeggen dat in vergelijking met 1990 — zo begon ik mijn bijdrage — de ingewikkeldheid van het raadswerk enorm is toegenomen. Denk bijvoorbeeld aan de decentralisaties. De heer Van der Linden had het er trouwens zelf ook over. Wij gaan ook hier in een themadebat daar eens flink over doorpraten. Maar het is natuurlijk wel belangrijk om te zien dat de ingewikkeldheid van het raadswerk enorm is toegenomen. Daarom heeft de minister aangekondigd met een Agenda versterking positie gemeenteraden te komen. Daarbij wordt ingezet op versterking van de raad, zodat raadsleden hun controlerende, kaderstellende en volksvertegenwoordigende rollen adequaat kunnen vervullen, nu en in de toekomst. Wij denken dat dit wetsvoorstel in die lijn past. Wij kunnen dus met het volste vertrouwen met dit wetsvoorstel aan de slag, afwachtend waar de regering mee gaat komen, omdat wij denken dat maatwerk de sleutel is. Voordat de interruptie plaatsvindt, zou ik nog willen zeggen dat wellicht de ene eilandsraad, bijvoorbeeld Bonaire, echt iemand van buitenaf wil om een eilandsraadsvergadering of commissievergadering voor te zitten, maar Sint-Eustatius of Saba misschien niet. Wij vinden dat die ruimte er moet zijn.

De heer Koole (PvdA):

De heer Dittrich had het over het nut van dit wetsvoorstel, ook in het licht van de enorme werkdruk op de raadsleden en hun werklast. Hij spreekt ook over de komende agenda van de regering en zegt dat dit wetsvoorstel zou passen in die komende agenda ter versterking van de gemeenteraad. De vraag die ik ook aan de initiatiefnemers heb gesteld, zou ik ook aan de heer Dittrich willen stellen: zou het niet beter zijn geweest om dit voorstel mede in het licht van de totale aanpak van de ook door hem onderschreven problematiek van de enorme werkdruk op de raadsleden te bespreken? Er zitten veel aspecten aan. Nu wordt er één aspect uitgelicht. Dat leggen we dan al vast en daar zitten we dan aan vast als we het debat gaan hebben over de agenda die door de regering wordt opgesteld.

De heer Dittrich (D66):

Ik snap het punt van de heer Koole. Ik zou willen zeggen dat het betere soms de vijand is van het goede. Ik denk dat dit qua reikwijdte een tamelijk beperkt wetsvoorstel is en dat het heel goed inpasbaar is in het grotere geheel dat nog gaat komen.

De heer Koole (PvdA):

Oké. Ik begrijp dat de heer Dittrich zegt dat je dit dan in ieder geval al binnen hebt en dat we later verder gaan spreken over andere aanpassingen. Begrijp ik daar ook uit dat de D66-fractie in een komend debat die problematiek van de zwaarte van het raadslidmaatschap heel erg zal aanwenden om daar echt zodanige stappen te zetten dat raadsleden hun democratische taak ook echt kunnen uitvoeren?

De heer Dittrich (D66):

Het antwoord is: ja.

Voorzitter. Mijn conclusie is dat wij sympathie hebben voor dit wetsvoorstel. Uiteraard wachten we de beantwoording van de initiatiefnemers en van de regering af, maar wij staan sympathiek tegenover het wetsvoorstel.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dittrich. Dan is het woord aan de heer Van der Burg namens de fractie van de VVD.